Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2544

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
24/6539
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens te laat ingediend beroepschrift tegen WOZ-beschikking en dwangsombeschikking

Belanghebbende diende bezwaar in tegen de WOZ-beschikking 2023 en tegen een dwangsombeschikking van de gemeente Steenbergen. De heffingsambtenaar gaf aan het bezwaarschrift niet te hebben ontvangen vanwege een spamfilter, en weigerde het bezwaar in behandeling te nemen. Belanghebbende stelde de heffingsambtenaar in gebreke en verzocht om een dwangsom, die werd afgewezen.

Belanghebbende stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank wegens het uitblijven van een beslissing op bezwaar. De rechtbank oordeelde dat de e-mail van de heffingsambtenaar van 5 december 2023 een schriftelijke weigering tot beslissing op bezwaar vormde, wat gelijkstaat met een besluit waartegen beroep openstaat. Het beroep was echter te laat ingediend, waardoor het niet-ontvankelijk werd verklaard.

Ook het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de dwangsombeschikking was niet-ontvankelijk, omdat belanghebbende de heffingsambtenaar niet in gebreke had gesteld. Een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens termijnoverschrijding werd afgewezen vanwege het geringe financiële belang en de beperkte overschrijding.

De rechtbank wees het beroep af zonder inhoudelijke beoordeling en wees het griffierecht niet toe. Partijen werden gewezen op de mogelijkheid tot verzet binnen zes weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening van het beroepschrift en het ontbreken van een ingebrekestelling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/6539

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. J.W. Vugts),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Steenbergen, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep dat belanghebbende heeft ingesteld, omdat de heffingsambtenaar volgens hem niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 30 maart 2023 tegen de WOZ-beschikking 2023 van het object aan [adres] te [plaats] en het bezwaar van 21 maart 2024 tegen de dwangsombeschikking van 8 februari 2024.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Procesverloop

2. Belanghebbende heeft het bezwaarschrift tegen de WOZ-beschikking per e-mail ingediend op 30 maart 2023.
2.1.
Op 11 september 2023 heeft de gemachtigde aan de heffingsambtenaar een e-mail gestuurd waarin staat dat enige tijd daarvoor een aantal pro-forma bezwaarschriften aan de heffingsambtenaar zijn verzonden, waaronder die van belanghebbende, en dat de gevraagde taxatieverslagen nog niet zijn ontvangen.
2.2.
De heffingsambtenaar heeft de gemachtigde op 12 september 2023 geïnformeerd dat het bezwaarschrift niet is ontvangen. Hij heeft de gemachtigde verzocht om het dossier zo spoedig mogelijk nogmaals toe te sturen inclusief het bewijs dat deze binnen de wettelijke termijn is ingediend.
2.3.
De gemachtigde heeft de heffingsambtenaar vervolgens per e-mail van 14 september 2023 geïnformeerd dat het pro-forma bezwaarschrift wel is verstuurd en gevraagd of de heffingsambtenaar zijn administratie nog een keer wil checken.
2.4.
De heffingsambtenaar heeft op 27 september 2023 in reactie hierop aan gemachtigde laten weten dat hij de administratie al had gecontroleerd en dat hij zonder het ontbrekende dossier en het bewijs van tijdige verzending het bezwaarschrift niet in behandeling kan nemen.
2.5.
Op 21 november 2023 heeft de gemachtigde nogmaals verzocht om het taxatieverslag op te sturen.
2.6.
Op 5 december 2023 heeft de heffingsambtenaar hierop als volgt gereageerd:
“In mijn e-mails van 12 september (…) en 27 september (…) heb ik reeds aangegeven dat ik geen bezwaarschrift heb ontvangen voor het [adres] . Zonder bezwaarschrift en zonder bewijs dat het tijdig is ingediend kan ik het bezwaarschrift niet in behandeling nemen en geen taxatieverslag versturen.”
2.7.
Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij brief van 25 januari 2024, ontvangen op 30 januari 2024, in gebreke gesteld in verband met het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift en verzocht om een dwangsom. De heffingsambtenaar heeft op 8 februari 2024 het verzoek om een dwangsom afgewezen, omdat geen sprake is geweest van een in behandeling genomen bezwaarschrift. Belanghebbende heeft daartegen op 21 maart 2024 bezwaar gemaakt.
2.8.
Belanghebbende heeft op 12 september 2024 beroep ingesteld bij de rechtbank wegens het uitblijven van een uitspraak op het bezwaar tegen de WOZ-beschikking 2023 en het bezwaar tegen de dwangsombeschikking. Bij het beroepschrift heeft belanghebbende een schermprint gevoegd van een e-mail van 30 maart 2023 van de gemachtigde aan de heffingsambtenaar, waar het bezwaarschrift als bijlage is gevoegd.
2.9.
De heffingsambtenaar heeft naar aanleiding daarvan nader onderzoek gedaan en is tot de conclusie gekomen dat de e-mail in quarantaine was geplaatst door de spamfilter en daarom niet voor hem zichtbaar was.
2.10.
De rechtbank heeft partijen bij brief van 6 december 2024 geïnformeerd dat de rechtbank vooralsnog van oordeel is dat de e-mail van 5 december 2023 van de heffingsambtenaar moet worden aangemerkt als besluit en dat gelet hierop het beroep niet tijdig is ingediend. De rechtbank heeft belanghebbende bij deze brief in de gelegenheid gesteld om een reden te geven voor het niet tijdig indienen van het beroepschrift. Belanghebbende heeft daarop gereageerd op 24 december 2024.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Motivering

Toetsingskader van de rechtbank
4. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
4.1.
Een schriftelijke weigering om te beslissen op een ingediend bezwaarschrift wordt op grond van de wet gelijkgesteld met een besluit waartegen beroep openstaat. [2]
4.2.
Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. [3] Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar. [4] Als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop de uitspraak op bezwaar is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [5]
4.3.
Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [6]
Is het beroep wegens niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de WOZ-beschikking ontvankelijk?
5. De rechtbank constateert dat de heffingsambtenaar in de e-mails van 12 september 2023, 27 september 2023 en 5 december 2023 aan belanghebbende te kennen heeft gegeven dat hij het bezwaarschrift niet heeft ontvangen en dat hij het bezwaar niet in behandeling neemt als hij het bezwaarschrift niet van belanghebbende ontvangt. De rechtbank is van oordeel dat in elk geval de e-mail van 5 december 2023 een schriftelijke weigering om te beslissen op het ingediende bezwaarschrift inhoudt. Dat daarin geen rechtsmiddelverwijzing is opgenomen, doet daar niet aan af. Deze weigering wordt op grond van de wet gelijkgesteld met een besluit waartegen beroep openstaat. [7]
5.1.
Dit betekent dat de heffingsambtenaar niet in gebreke was een besluit te nemen op het moment van de ingebrekestelling. Op dat moment was immers het besluit van 5 december 2023 al genomen. Belanghebbende kon dan ook geen beroep wegens niet tijdig beslissen instellen bij de rechtbank.
5.2.
Belanghebbende kon wel beroep instellen tegen het besluit van 5 december 2023. De termijn daarvoor bedroeg 6 weken na de dag waarop het besluit is bekendgemaakt. Dit betekent dat de beroepstermijn eindigde op 16 januari 2024. Het beroepschrift is op 12 september 2024 ontvangen. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend.
5.3.
De rechtbank heeft belanghebbende bij bericht van 6 december 2024 in de gelegenheid gesteld om een reden te geven voor het niet tijdig indienen van het beroepschrift. Belanghebbende stelt in reactie daarop dat de door de heffingsambtenaar verstuurde e-mail van 5 december 2023 niet is aan te merken als uitspraak op bezwaar. Indien deze e-mail wel is aan te merken als uitspraak op bezwaar, dan is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding, aldus belanghebbende.
5.4.
De rechtbank volgt belanghebbende niet in haar stellingen. Naar het oordeel van de rechtbank leidt de redenering van belanghebbende niet tot het oordeel dat sprake is van een verontschuldigbare termijnoverschrijding. De rechtbank heeft in overweging 5 reeds geoordeeld dat de e-mail van de heffingsambtenaar van 5 december 2023 is aan te merken als een besluit waartegen beroep openstaat. Belanghebbende wordt bijgestaan door een professioneel gemachtigde die veel procedeert en bekend is met de bepalingen in de Awb en daarom ook had moeten begrijpen dat sprake was van een weigering om te beslissen en dat hij tijdig beroep moest instellen tegen die weigering.
5.5.
Het beroep wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift tegen de WOZ-beschikking is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en ook niet toekomt aan een beoordeling van de verzoeken om een dwangsom.
Is het beroep wegens niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de dwangsombeschikking ontvankelijk?
6. De dwangsombeschikking is gedagtekend op 8 februari 2024. De heffingsambtenaar moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn voorbij is. [8] De heffingsambtenaar had uiterlijk op 2 mei 2024 moeten beslissen. De termijn waarbinnen de heffingsambtenaar moet beslissen is inmiddels ruim voorbij.
6.1.
De rechtbank stelt echter vast dat belanghebbende de heffingsambtenaar niet in gebreke heeft gesteld om een beslissing op het bezwaar tegen de dwangsombeschikking te nemen. Belanghebbende kon daarom nog geen beroep instellen wegens het niet tijdig beslissen. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Voorgaande neemt niet weg dat de heffingsambtenaar nog een beslissing op het bezwaar moet nemen.
Verzoek om vergoeding van immateriële schade
7. Belanghebbende heeft in het beroepschrift van 12 september 2024 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
7.1.
Aangezien het beroep niet-ontvankelijk is, kan slechts een vergoeding worden toegekend voor de overschrijding van de termijn in de beroepsfase. De rechtbank doet uitspraak op 2 april 2026. De redelijke termijn van anderhalf jaar is met afgerond een maand overschreden. De rechtbank ziet echter geen aanleiding voor het toekennen van een vergoeding. De Hoge Raad heeft beslist dat in gevallen waarbij het financiële belang minder bedraagt dan € 1.000 en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, volstaan kan worden met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. [9] Het overgangsrecht is niet van toepassing, aangezien het verzoek is gedaan na 14 juni 2024. [10] Dit betekent dat belanghebbende gelet op het financiële belang niet in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet terug. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van F. de Jong, griffier, op 2 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Artikel 6:2 van Pro de Awb.
3.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Awb.
4.Dit volgt uit artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
5.Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
6.Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.
7.Artikel 6:2 van Pro de Awb.
8.Artikel 7:10 van Pro de Awb.
9.Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.4.
10.Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.5.