ECLI:NL:RBZWB:2026:2543
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens te late indiening na schriftelijke weigering heffingsambtenaar
Belanghebbende stelde beroep in tegen het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaarschrift tegen de WOZ-beschikking 2023 en tegen de dwangsombeschikking van 8 februari 2024. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar het bezwaarschrift niet heeft ontvangen en op 5 december 2023 een schriftelijke weigering tot beslissing heeft gegeven, wat als een besluit wordt aangemerkt.
Omdat dit besluit op 5 december 2023 is genomen, had belanghebbende binnen zes weken beroep moeten instellen, wat niet is gebeurd. Het beroep van 12 september 2024 is daarmee te laat en niet-ontvankelijk. Ook het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de dwangsombeschikking is niet-ontvankelijk omdat belanghebbende de heffingsambtenaar niet in gebreke heeft gesteld.
Belanghebbende verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar de rechtbank wijst dit af omdat het financiële belang minder dan €1.000 bedraagt en de termijnoverschrijding beperkt is. De rechtbank wijst het beroep af zonder inhoudelijke beoordeling en vergoedt het griffierecht niet.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.