Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2528

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
C/02/444735 / JE RK 26-215
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Leuven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:263 BWArt. 1:264 BWArt. 807 RvArtikel 4.1.3 lid 1 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek vervallen verklaring schriftelijke aanwijzing wegens ontbreken belang

De gecertificeerde instelling (GI) heeft op 22 januari 2026 een schriftelijke aanwijzing gegeven aan de moeder met betrekking tot de verzorging en opvoeding van haar minderjarige kind. Vervolgens is de minderjarige op 2 februari 2026 onder voogdij gesteld van de GI en verblijft het kind in een gesloten plaatsing.

De moeder verzoekt de rechtbank om de schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Zij stelt dat de schriftelijke aanwijzing is genomen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, onder meer omdat zij geen redelijke termijn kreeg voor het indienen van een zienswijze en de motivering ondeugdelijk is.

De kinderrechter overweegt dat de GI op grond van artikel 1:263 BW Pro schriftelijke aanwijzingen kan geven aan een ouder met gezag die niet meewerkt aan het plan. Echter, sinds 2 februari 2026 is het gezag van de moeder geschorst en heeft de GI de voorlopige voogdij. Hierdoor oefent de GI haar bevoegdheden niet meer uit op basis van een ondertoezichtstelling, en is de schriftelijke aanwijzing gericht tegen een ouder zonder gezag.

Daarom is aan de schriftelijke aanwijzing ieder belang komen te vervallen en is het verzoek van de moeder om deze aanwijzing vervallen te verklaren niet ontvankelijk. De kinderrechter wijst het verzoek af en verklaart dat tegen deze beschikking geen hoger beroep openstaat.

Uitkomst: Het verzoek van de moeder om de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren wordt afgewezen wegens het ontbreken van belang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444735 / JE RK 26-215
Datum uitspraak: 3 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een schriftelijke aanwijzing
in de zaak van
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
en
de gecertificeerde instelling
JEUGDBESCHERMING BRABANT, LOCATIE ETTEN-LEUR, gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen de GI.
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI.

2.De feiten

2.1.
De GI heeft op 22 januari 2026 aan de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 2 februari 2026 is [minderjarige] onder voogdij gesteld van de Stichting Jeugdbescherming Brabant.
2.3.
[minderjarige] verblijft thans in het kader van een gesloten plaatsing bij [accommodatie] .

3.Het verzoek

3.1.
De moeder verzoekt de schriftelijke aanwijzing van de GI geheel, dan wel gedeeltelijk vervallen te verklaren en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
Namens de moeder is, samengevat, aangevoerd dat de schriftelijke aanwijzingen zijn genomen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur omdat de moeder geen redelijke termijn heeft gekregen voor het indienen van een zienswijze. De GI had dit zorgvuldiger moeten voorbereiden. Ook is het besluit ondeugdelijk gemotiveerd doordat de zienswijze van de moeder niet is meegenomen. De moeder ontkent dat er sprake was van psychische druk. Het doen van belastende uitspraken, het dreigen met de verkoop van spullen en dieren en dat er negatieve uitlatingen zijn gedaan over de GI. De belangen van de moeder en [minderjarige] zijn niet, althans onvoldoende meegenomen, doordat de zienswijze van de moeder niet is meegenomen.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter overweegt het volgende.
Wettelijk kader
5.2.
De GI kan voor de uitvoering van haar taak op grond van artikel 1:263 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) schriftelijke aanwijzingen geven. Zij kan dit doen als de met het gezag belaste ouder niet instemt met dan wel niet of onvoldoende medewerking verleent aan de uitvoering van het plan zoals bedoeld in artikel 4.1.3 lid 1 van de Jeugdwet. De GI kan ook een schriftelijke aanwijzing geven als dit noodzakelijk is om de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen.
5.3.
Op grond van artikel 1:264 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter op verzoek van een met het gezag belaste ouder een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. Op grond van het derde lid van dit wetsartikel bedraagt de termijn voor het indienen van het verzoek twee weken, die begint met ingang van de dag na die waarop de beslissing is verzonden of uitgereikt.
Inhoudelijke beoordeling
5.4.
De kinderrechter stelt vast dat de moeder in de beschikking van 2 februari 2026 met nummer C/02/444440 / FA RK 26-450 met ingang van 2 februari 2026 geschorst in het gezag over [minderjarige] tot (in ieder geval) 2 mei 2026 en dat de GI sindsdien de voorlopige voogdij heeft over [minderjarige] .
5.5.
De GI oefent haar bevoegdheden sedert 2 februari 2026 niet meer uit op basis van de ondertoezichtstelling. De gegeven aanwijzing richt zich tegen de ouder met gezag. Dat gezag is geschorst. Aan de aanwijzing is daardoor ieder belang komen te ontvallen. Er is dan ook geen belang meer voor het onderhavige verzoek. De kinderrechter zal het verzoek om die reden afwijzen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Leuven, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026, in aanwezigheid van mr. Joosen als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open. [1]

Voetnoten

1.Artikel 807 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).