4.3.2.De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1
De rechtbank stelt het volgende vast:
Op 23 september 2025 werd door [benadeelde 2] aangifte gedaan van diefstal uit zijn woning aan de [adres 2] . Aangever had die ochtend gezien dat de voordeur van zijn woning openstond en dat er meerdere goederen uit de woning waren weggenomen, waaronder een televisie, Lego, PlayStation 4 spellen, schoenen, een koffiezetautomaat, portemonnees, een horloge en een zakhorloge.
Ter plaatse werden de verbalisanten aangesproken door de bewoonster van [adres 3] . Op de beelden van haar Ringdeurbel was te zien dat een persoon op
23 september 2025 van 05:29 uur tot 07:41 uur meerdere keren in de richting van de woning aan de [adres 2] liep en weer terug, waarbij zichtbaar was dat deze persoon verschillende goederen bij zich droeg wanneer hij uit de richting van de woning aan de [adres 2] kwam. Verdachte werd op de camerabeelden van de [adres 3] door meerdere verbalisanten herkend aan zijn gezicht, lichaamsbouw en loopje. Korte tijd later werd verdachte aangehouden in de woning aan de [adres 4] , circa 300 meter van de plaats delict gelegen. Hij droeg op dat moment exact hetzelfde trainingspak als de persoon op de camerabeelden en in de woning werd een groot deel van de gestolen goederen aangetroffen.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:HR:2010:BK2880) kan aan het enkele voorhanden hebben van gestolen goederen niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat een verdachte bij de diefstal daarvan betrokken is geweest. Voor de beoordeling van de betekenis die aan dat voorhanden hebben moet worden gehecht, zijn volgens de Hoge Raad de feiten en omstandigheden van het geval van belang.
Uit voormeld arrest volgt verder dat indien een verdachte kort na een diefstal in het bezit is van de gestolen goederen die daarvan afkomstig zijn, het ervoor mag worden gehouden dat de verdachte deze zelf heeft gestolen, tenzij hij voor de aanwezigheid daarvan een aannemelijke verklaring heeft. De rechtbank stelt vast dat blijkens de aangifte van de woninginbraak de goederen in de vroege morgen van 23 september 2025 zijn gestolen. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte op 23 september 2025 vanaf 05:29 uur meerdere malen uit de richting van de woning aan de [adres 2] komt gelopen met voorwerpen in zijn handen. Diezelfde dag om 11:00 uur wordt verdachte aangehouden in de woning aan de [adres 4] en worden er in die woning verschillende van de gestolen goederen aangetroffen.
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij van ene [persoon] had gehoord dat er spullen voor de woning aan de [adres 2] bij een container lagen en dat hij deze spullen heeft meegenomen. Hij stelt niets met de inbraak of diefstal te maken te hebben.
De rechtbank acht dit scenario niet aannemelijk. Verdachte heeft in eerste instantie verklaard dat hij niet de persoon is die te zien is op de camerabeelden en met spullen heen en weer loopt tussen de woning aan de [adres 2] en de woning aan de [adres 4] waar verdachte verbleef. De camerabeelden zijn opgenomen bij de [adres 3] . Aangever heeft verklaard dat de voordeur van zijn woning openstond na de diefstal en dat er een spoor van koffiebonen uit zijn weggenomen koffiezetmachine via zijn tuin naar de [straat] liep. Het is hoogst onwaarschijnlijk dat verdachte niet zou hebben gezien dat de voordeur van nummer [huisnummer] openstond. Bovendien zijn er geen andere personen dan verdachte op de camerabeelden te zien die met de weggenomen goederen lopen. Tenslotte zijn er in de woning waarin verdachte verbleef, ook kostbare bij de diefstal weggenomen goederen aangetroffen, zoals twee horloges en collector-items.
Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte degene is geweest die de goederen uit de woning aan de [adres 2] heeft gestolen. Verdachte werd zeer kort na de diefstal met verschillende gestolen goederen op de camerabeelden van de woning aan de [adres 3] gezien. Daarnaast werden er in de woning waar verdachte werd aangehouden kort na de diefstal verschillende van de gestolen goederen aangetroffen, en heeft verdachte geen aannemelijke verklaring gegeven voor de wijze waarop hij in het bezit is gekomen van deze goederen.
Alles overwegende acht de rechtbank feit 1 dan ook wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat de rechtbank niet bewezen acht dat verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, verbreking of inklimming. Immers kan op basis van het dossier en in het bijzonder de aangifte niet met zekerheid worden gesteld dat alle deuren van de woning aan de [adres 2] op slot waren, en zijn er evenmin sporen van braak aangetroffen.
Medeplegen/diefstal in vereniging?
Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezenverklaard dat sprake is van diefstal in vereniging, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat een tweede persoon betrokken was bij de diefstal uit de woning. Op beelden van de deurbelcamera van de woning aan de [adres 3] zijn tussen 05:29 uur tot 07:41 uur, naast verdachte, geen andere personen met gestolen goederen waargenomen. De enkele omstandigheid dat naast verdachte ook een andere man, [persoon] , in de woning aan de [adres 4] aanwezig was en samen met verdachte in paniek trachtte de gestolen spullen te verstoppen toen de politie ter plaatse kwam, acht de rechtbank onvoldoende om hem als medepleger van de diefstal aan te kunnen merken.
Feit 2
Uit het uitgebreide en gedetailleerde proces-verbaal van verbalisant [benadeelde 1] blijkt wat er op 23 september 2025 tijdens de aanhouding van verdachte is voorgevallen. Daaruit blijkt dat verdachte, hem meermaals en luid uitschold met de krachttermen “kankerlijer”, “kankermongool” en “kankerwout”.
Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij tijdens zijn aanhouding in een opwelling onaardige dingen heeft geroepen, dat hij niet meer precies weet wat hij heeft gezegd, maar dat hij wel vaker het woord “kanker” gebruikt.
De rechtbank is van oordeel dat er met het voorgaande voldoende bewijs is dat verdachte de verbalisant heeft beledigd zoals ten laste gelegd, dat hij hier het opzet op had en dat de verbalisant door de belediging in zijn goede eer en naam was aangetast.