ECLI:NL:RBZWB:2026:251

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
02-250048-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Diefstal uit woning en belediging van politieagent met oplegging ISD-maatregel

Op 21 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal uit een woning en belediging van een politieagent. De verdachte, geboren in 1974 en ten tijde van de zitting preventief gedetineerd, werd beschuldigd van het inbreken in een woning op 23 september 2025 en het beledigen van een politieagent tijdens zijn aanhouding. De rechtbank heeft de zaak inhoudelijk behandeld op 7 januari 2026, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten hebben gepresenteerd. De rechtbank oordeelde dat de tenlastelegging geldig was en dat de officier van justitie ontvankelijk was in de vervolging. De rechtbank achtte het wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de diefstal had gepleegd, maar sprak hem vrij van de beschuldiging van diefstal in vereniging, omdat er onvoldoende bewijs was voor de betrokkenheid van een tweede persoon. De verdachte had tijdens zijn aanhouding beledigende woorden geuit naar de politieagent, wat ook bewezen werd geacht. De rechtbank legde een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op voor de duur van twee jaar, gezien de ernst van de feiten en het strafblad van de verdachte, die al eerder voor soortgelijke feiten was veroordeeld. De rechtbank concludeerde dat de ISD-maatregel noodzakelijk was voor de beveiliging van de maatschappij en om de kans op recidive te verminderen.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-250048-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 21 januari 2026
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres 1] ,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de P.I. [locatie] ,
raadsman mr. J. van Rooijen, advocaat te Tilburg .

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. M.P. de Graaf en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
Feit 1:op 23 september 2025 te [plaats] samen met een ander heeft ingebroken in een woning en verschillende goederen heeft meegenomen;
Feit 2:op 23 september 2025 te [plaats] een politieagent, te weten [benadeelde 1] , heeft beledigd.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van feit 1 dient partiële vrijspraak te volgen voor de braak, verbreking of inklimming.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en schetst het alternatieve scenario dat verdachte de goederen naast een container heeft aangetroffen, dat hij dacht dat er afstand van was gedaan en hij ze daarom heeft meegenomen. Er zit niets in het dossier dat de alternatieve lezing van verdachte onomstotelijk weerlegt zodat vrijspraak dient te volgen vanwege onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.
De verdediging is ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde belediging van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Verdachte heeft aangegeven spijt te hebben van de dingen die hij heeft gezegd, maar een gave bekentenis ligt er niet. Evenmin is er steun voor het relaas van verbalisant [benadeelde 1] van één of meer collega’s. Het zou kunnen dat verdachte uit frustratie dingen heeft gezegd, maar voldoende wettig en overtuigend bewijs voor de belediging ontbreekt. Verdachte moet daarom van dit feit worden vrijgesproken.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1
De rechtbank stelt het volgende vast:
Op 23 september 2025 werd door [benadeelde 2] aangifte gedaan van diefstal uit zijn woning aan de [adres 2] . Aangever had die ochtend gezien dat de voordeur van zijn woning openstond en dat er meerdere goederen uit de woning waren weggenomen, waaronder een televisie, Lego, PlayStation 4 spellen, schoenen, een koffiezetautomaat, portemonnees, een horloge en een zakhorloge.
Ter plaatse werden de verbalisanten aangesproken door de bewoonster van [adres 3] . Op de beelden van haar Ringdeurbel was te zien dat een persoon op
23 september 2025 van 05:29 uur tot 07:41 uur meerdere keren in de richting van de woning aan de [adres 2] liep en weer terug, waarbij zichtbaar was dat deze persoon verschillende goederen bij zich droeg wanneer hij uit de richting van de woning aan de [adres 2] kwam. Verdachte werd op de camerabeelden van de [adres 3] door meerdere verbalisanten herkend aan zijn gezicht, lichaamsbouw en loopje. Korte tijd later werd verdachte aangehouden in de woning aan de [adres 4] , circa 300 meter van de plaats delict gelegen. Hij droeg op dat moment exact hetzelfde trainingspak als de persoon op de camerabeelden en in de woning werd een groot deel van de gestolen goederen aangetroffen.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:HR:2010:BK2880) kan aan het enkele voorhanden hebben van gestolen goederen niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat een verdachte bij de diefstal daarvan betrokken is geweest. Voor de beoordeling van de betekenis die aan dat voorhanden hebben moet worden gehecht, zijn volgens de Hoge Raad de feiten en omstandigheden van het geval van belang.
Uit voormeld arrest volgt verder dat indien een verdachte kort na een diefstal in het bezit is van de gestolen goederen die daarvan afkomstig zijn, het ervoor mag worden gehouden dat de verdachte deze zelf heeft gestolen, tenzij hij voor de aanwezigheid daarvan een aannemelijke verklaring heeft. De rechtbank stelt vast dat blijkens de aangifte van de woninginbraak de goederen in de vroege morgen van 23 september 2025 zijn gestolen. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte op 23 september 2025 vanaf 05:29 uur meerdere malen uit de richting van de woning aan de [adres 2] komt gelopen met voorwerpen in zijn handen. Diezelfde dag om 11:00 uur wordt verdachte aangehouden in de woning aan de [adres 4] en worden er in die woning verschillende van de gestolen goederen aangetroffen.
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij van ene [persoon] had gehoord dat er spullen voor de woning aan de [adres 2] bij een container lagen en dat hij deze spullen heeft meegenomen. Hij stelt niets met de inbraak of diefstal te maken te hebben.
De rechtbank acht dit scenario niet aannemelijk. Verdachte heeft in eerste instantie verklaard dat hij niet de persoon is die te zien is op de camerabeelden en met spullen heen en weer loopt tussen de woning aan de [adres 2] en de woning aan de [adres 4] waar verdachte verbleef. De camerabeelden zijn opgenomen bij de [adres 3] . Aangever heeft verklaard dat de voordeur van zijn woning openstond na de diefstal en dat er een spoor van koffiebonen uit zijn weggenomen koffiezetmachine via zijn tuin naar de [straat] liep. Het is hoogst onwaarschijnlijk dat verdachte niet zou hebben gezien dat de voordeur van nummer [huisnummer] openstond. Bovendien zijn er geen andere personen dan verdachte op de camerabeelden te zien die met de weggenomen goederen lopen. Tenslotte zijn er in de woning waarin verdachte verbleef, ook kostbare bij de diefstal weggenomen goederen aangetroffen, zoals twee horloges en collector-items.
Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte degene is geweest die de goederen uit de woning aan de [adres 2] heeft gestolen. Verdachte werd zeer kort na de diefstal met verschillende gestolen goederen op de camerabeelden van de woning aan de [adres 3] gezien. Daarnaast werden er in de woning waar verdachte werd aangehouden kort na de diefstal verschillende van de gestolen goederen aangetroffen, en heeft verdachte geen aannemelijke verklaring gegeven voor de wijze waarop hij in het bezit is gekomen van deze goederen.
Alles overwegende acht de rechtbank feit 1 dan ook wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat de rechtbank niet bewezen acht dat verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, verbreking of inklimming. Immers kan op basis van het dossier en in het bijzonder de aangifte niet met zekerheid worden gesteld dat alle deuren van de woning aan de [adres 2] op slot waren, en zijn er evenmin sporen van braak aangetroffen.
Medeplegen/diefstal in vereniging?
Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezenverklaard dat sprake is van diefstal in vereniging, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat een tweede persoon betrokken was bij de diefstal uit de woning. Op beelden van de deurbelcamera van de woning aan de [adres 3] zijn tussen 05:29 uur tot 07:41 uur, naast verdachte, geen andere personen met gestolen goederen waargenomen. De enkele omstandigheid dat naast verdachte ook een andere man, [persoon] , in de woning aan de [adres 4] aanwezig was en samen met verdachte in paniek trachtte de gestolen spullen te verstoppen toen de politie ter plaatse kwam, acht de rechtbank onvoldoende om hem als medepleger van de diefstal aan te kunnen merken.
Feit 2
Uit het uitgebreide en gedetailleerde proces-verbaal van verbalisant [benadeelde 1] blijkt wat er op 23 september 2025 tijdens de aanhouding van verdachte is voorgevallen. Daaruit blijkt dat verdachte, hem meermaals en luid uitschold met de krachttermen “kankerlijer”, “kankermongool” en “kankerwout”.
Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij tijdens zijn aanhouding in een opwelling onaardige dingen heeft geroepen, dat hij niet meer precies weet wat hij heeft gezegd, maar dat hij wel vaker het woord “kanker” gebruikt.
De rechtbank is van oordeel dat er met het voorgaande voldoende bewijs is dat verdachte de verbalisant heeft beledigd zoals ten laste gelegd, dat hij hier het opzet op had en dat de verbalisant door de belediging in zijn goede eer en naam was aangetast.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
op 23 september 2025 te [plaats] , een televisie en een grote hoeveelheid Lego en een hoeveelheid schoenen en een koffiezetapparaat en Playstation spellen en portemonnees met inhoud en een chromecast en een jas en (zak)horloges, die aan [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om
dezezich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
op 23 september 2025 te [plaats] opzettelijk een ambtenaar werkzaam voor politie Zeeland West Brabant, te weten [benadeelde 1] , gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: 'kankerlijer' en 'kankermongool' en 'kankerwout'.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaar.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt primair om geen onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen, omdat er nog andere, minder ingrijpende afdoeningsmogelijkheden bestaan die passend zijn, zoals bijvoorbeeld de oplegging van een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden. Verdachte is bereid om zich aan dergelijke voorwaarden te houden.
Subsidiair verzoekt de verdediging om de ISD-maatregel in voorwaardelijke zin op te leggen met bijzondere voorwaarden.
Meer subsidiair verzoekt de verdediging om bij oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel te bepalen dat na zes maanden een tussentijdse beoordeling van die maatregel plaatsvindt, om op die manier een vinger aan de pols en druk op de voortgang te houden.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich op 23 september 2025 schuldig gemaakt aan een diefstal uit een woning. Verdachte heeft daarbij een grote hoeveelheid goederen weggenomen. Uit het handelen van verdachte blijkt dat hij weinig respect heeft voor de eigendommen van anderen. Door de goederen uit de woning mee te nemen, heeft verdachte bovendien forse inbreuk gemaakt op de privacy van de bewoners. Het zal voor hen bijzonder onaangenaam zijn om te leven met de wetenschap dat een vreemde in hun woning is geweest en hun persoonlijke bezittingen heeft doorzocht. Dit neemt de rechtbank verdachte kwalijk. Daarnaast heeft verdachte een politieagent beledigd, die gewoon zijn werk deed. Verdachte heeft hiermee het respect en het gezag ten aanzien van ambtenaren die een publieke taak verrichten ondermijnd. Ook heeft hij de politieagent in zijn goede eer en naam aangetast.
De persoon van verdachte
De rechtbank stelt vast dat verdachte een omvangrijk strafblad heeft en dat verdachte al vele malen is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de inhoud van het reclasseringsadvies van
5 januari 2025. Hieruit volgt dat bijna alle leefgebieden van verdachte delictgerelateerd zijn. Verdachte gebruikt sinds jaren drugs en alcohol, heeft geen woning meer, heeft geen inkomen en dagbesteding en er is sprake van psychische problematiek. De kans op recidive wordt door de reclassering als hoog ingeschat. Gelet op de diverse justitiële kaders voor zorg (voorwaardelijke veroordelingen en schorsingen met reclasseringstoezicht op bijzondere voorwaarden) van de laatste jaren, waarin verdachte niet of nauwelijks heeft meegewerkt aan interventies, zich niet of onvoldoende aan voorwaarden/afspraken hield, ziet de reclassering geen alternatief voor de onvoorwaardelijke oplegging van de ISD-maatregel, als mogelijkheid om de risico’s te beperken. De onvoorwaardelijke ISD-maatregel is gericht op re-integratie en biedt verdachte kansen op behandeling, begeleiding en uitstroom met geïndiceerde huisvesting met woonbegeleiding en reguliere dagbesteding/betaald werk. Verdachte kan deze kansen aangrijpen. Mocht verdachte de kansen op re-integratie niet willen aanpakken, dan resteert gedurende twee jaar de bescherming van de maatschappij.
Ter zitting heeft de deskundige namens de reclassering benadrukt dat er de laatste jaren veel met verdachte is geprobeerd in vrijwillige kaders, maar dat interventies niet van de grond zijn gekomen omdat verdachte telkens verdween of geen contact onderhield. Het ambulante kader is onvoldoende om zijn verslaving en delictgedrag te doorbreken. Bovendien is het niet de verwachting dat verdachte zich aan de voorwaarden kan houden, ook omdat het maar de vraag is of verdachte langere tijd abstinent kan blijven. Er is onvoldoende basis om een voorwaardelijk kader te laten slagen. De reclassering persisteert bij het advies in het rapport om een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.
ISD-maatregel
De vraag ligt voor of aan verdachte een (onvoorwaardelijke) ISD-maatregel moet worden opgelegd.
De rechtbank stelt daartoe allereerst vast dat is voldaan aan alle eisen die de wet aan het opleggen van een ISD-maatregel stelt. Zo is voor het onder 1 bewezenverklaarde feit voorlopige hechtenis toegelaten. Bovendien is verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan deze feiten ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of taakstraf veroordeeld. De bewezenverklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Daarnaast is voldaan aan de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers, nu over een periode van vijf jaren voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten meer dan tien processen-verbaal tegen verdachte zijn opgemaakt, waarvan tenminste één in de twaalf maanden voorafgaand aan die feiten. Ook blijkt uit het reclasseringsadvies dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan en dat de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist. Dat betekent dat aan verdachte een ISD-maatregel kan worden opgelegd.
De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de oplegging van een ISD-maatregel ook passend en geboden is. Voorop staat dat een ISD-maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van de recidive van verdachte. Daarnaast kan de maatregel een oplossing bieden voor de problematiek van de verdachte.
Naar het oordeel van de rechtbank is een ISD-maatregel noodzakelijk om de maatschappij te beveiligen tegen het strafbare handelen van verdachte en de steeds weer door hem veroorzaakte overlast en schade. Andere minder ingrijpende afdoeningsmogelijkheden of middelen zijn in het verleden al ingezet, maar hebben niet tot een positieve gedragsverandering bij verdachte geleid. Zo hebben eerder opgelegde voorwaardelijke straffen met bijzondere voorwaarden verdachte er niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen. De reclassering ziet inmiddels geen mogelijkheden meer om het gedrag van verdachte te veranderen en het recidiverisico te verlagen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijk kader onvoldoende toereikend is om de maatschappij tegen het strafbare handelen van verdachte te beveiligen. Het gedwongen kader van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel is dit wel en is dus passend en geboden. Bovendien biedt een dergelijk kader voor verdachte ook kansen om met zijn problematiek aan de slag te gaan en om aan zichzelf te werken en zijn leefsituatie te verbeteren.
Voornamelijk ter optimale beveiliging van de maatschappij, maar ook om verdachte een reële kans te bieden om met zijn problematiek aan de slag te gaan, is het naar het oordeel van de rechtbank belangrijk voldoende tijd te nemen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de ISD-maatregel opleggen voor de maximale duur van twee jaar en de tijd die verdachte vóór tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, niet in mindering brengen op de duur van de ISD-maatregel.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het nu al bepalen van een moment van tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de ISD-maatregel. Er zijn immers geen aanwijzingen dat het traject binnen de ISD-maatregel niet voortvarend zal worden opgepakt. Voor verdachte en zijn raadsman staat wel de mogelijkheid open om op enig moment een verzoek om tussentijdse beoordeling van de ISD-maatregel in te dienen.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 38m, 38n, 57, 266, 267 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1:diefstal;
feit 2:eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan eenambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
- verklaart verdachte strafbaar;
Maatregel
- gelast de
plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor twee jaar.
Dit vonnis is gewezen door mr. V.M. Schotanus, voorzitter, en mr. C.H.M. Pastoors en mr. N. van der Hoeven, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Kroes, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 21 januari 2026.
De jongste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 23 september 2025 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een televisie en/of een (grote) hoeveelheid Lego en/of een (grote) hoeveelheid schoenen en/of een koffiezetapparaat en/of een of meer Playstation spel(len) en/of een of meer portemonnee(s) (met inhoud) en/of een chromecast en/of een jas en/of een of meer (zak)horloge(s), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;
( art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 23 september 2025 te [plaats] opzettelijk een ambtenaar werkzaam voor politie Zeeland West Brabant, te weten [benadeelde 1] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar de woorden toe te voegen: 'kankerlijer' en/of 'kankermongool' en/of 'kankerwout', althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking
( art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 267 lid 1 ahf/sub 2° Wetboek van Strafrecht )