Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2504

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
02-003691-22
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420bis lid 1 Wetboek van StrafrechtArt. 420quater lid 1 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte in witwaszaak wegens onvoldoende onderzoek verklaring herkomst geld

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 19 maart 2026 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het witwassen van een contant geldbedrag van €42.512,25. De officier van justitie stelde dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan witwassen, omdat hij geen concrete en verifieerbare verklaring over de herkomst van het geld had gegeven.

De verdediging voerde aan dat er geen gerechtvaardigd vermoeden van witwassen bestond en dat de verklaring van verdachte onvoldoende was onderzocht door het Openbaar Ministerie. De rechtbank stelde vast dat er wel een gerechtvaardigd vermoeden was dat het geldbedrag uit een misdrijf afkomstig kon zijn, maar dat verdachte een concrete en min of meer verifieerbare verklaring had gegeven die niet op voorhand onwaarschijnlijk was.

Omdat het Openbaar Ministerie deze verklaring onvoldoende had onderzocht, kon de rechtbank niet vaststellen dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig was. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het tenlastegelegde witwasfeit. Het vonnis werd uitgesproken op 2 april 2026 door de meervoudige kamer van de rechtbank te Breda.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van witwassen wegens onvoldoende onderzoek naar zijn verklaring over de herkomst van het geld.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-003691-22
vonnis van de meervoudige kamer van 2 april 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats],
wonende [woonadres],
raadsvrouw mr. S. Schilder, advocaat te Utrecht.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 19 maart 2026, waarbij de officier van justitie mr. Y.E.Y. Vermeulen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I van dit vonnis opgenomen. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte een contant geldbedrag van € 42.512,25 heeft witgewassen.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van € 42.512,25. Verdachte heeft over de herkomst van het geldbedrag geen concrete en verifieerbare verklaring afgelegd.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak. Primair omdat er geen gerechtvaardigd vermoeden was van witwassen. Subsidiair omdat de verklaring van verdachte over de herkomst van het geldbedrag niet door het Openbaar Ministerie is onderzocht.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
Op basis van het dossier, met name het financieel onderzoek, stelt de rechtbank vast dat er een gerechtvaardigd vermoeden is dat het geldbedrag van € 42.512,25 van misdrijf afkomstig is. Verdachte heeft over de herkomst van het geldbedrag echter een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven. Deze verklaring is door het Openbaar Ministerie onvoldoende onderzocht, terwijl door verdachte hiervoor wel aanknopingspunten waren gegeven. Nu de verklaring van verdachte onvoldoende is onderzocht, kan niet worden geoordeeld dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van witwassen.

5.De beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
-
spreekt verdachte vrijvan het tenlastegelegde feit.
Dit vonnis is gewezen door mr. K. Verschueren, voorzitter, mr. M.E.I. Beudeker en
mr. D.M. Snoep, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Andraws, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 2 april 2026.
Bijlage I
De tenlastelegging
hij in of omstreeks 04-04-2019 t/m 11-01-2022 te Breda meermalen, althans eenmaal, een of meer voorwerpen, te weten contante geldbedragen van in totaal 42.512,25 euro, althans een of meer (grote) contante geldbedrag(en)
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
(art. 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht, art. 420quatr lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht).