Op 14 april 2025 werd verdachte aangehouden als bestuurder van een auto met een verborgen ruimte waarin €340.000,00 in een boodschappentas werd aangetroffen. Verdachte bekende dat hij wist van het geld, maar stelde dat het slechts om €50.000 ging. De rechtbank achtte dit ongeloofwaardig vanwege wisselende verklaringen en bewijs uit telefoongesprekken die duidden op betrokkenheid bij criminele activiteiten.
De rechtbank concludeerde dat verdachte wist dat het geld afkomstig was uit een misdrijf en verklaarde hem wettig en overtuigend schuldig aan witwassen. De strafbaarheid werd niet betwist en er waren geen omstandigheden die strafuitsluiting rechtvaardigden.
De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 16 maanden, waarvan 4 voorwaardelijk, maar de rechtbank legde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden op, mede vanwege de ernst van het feit en het grote bedrag. Verdachte had geen voldoende proceshouding getoond en nam geen echte verantwoordelijkheid.
Daarnaast werd het geldbedrag verbeurd verklaard en de auto onttrokken aan het verkeer. Ook werd een eerdere voorwaardelijke straf tenuitvoer gelegd vanwege een nieuw strafbaar feit tijdens de proeftijd.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 3 april 2026.