Op 3 april 2026 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant verdachte veroordeeld voor het samen met anderen plegen van een inbraak bij een fietsenzaak op of omstreeks 20 november 2025. Hierbij werden zeven fietsen weggenomen door middel van braak. De rechtbank achtte dit wettig en overtuigend bewezen, mede op basis van de bekennende verklaring van verdachte en camerabeelden.
De rechtbank verwierp de stelling van de verdediging dat sprake was van acht fietsen en stelde vast dat het er zeven waren, gebaseerd op aangifte, politieonderzoek en camerabeelden. Verdachte en zijn mededaders handelden geraffineerd en brutaal, waarbij zij de fietsen na diefstal tijdelijk achterlieten in een weiland. De verklaring van verdachte dat hij in opdracht van een vriend van de eigenaar handelde, werd door de rechtbank als ongeloofwaardig beoordeeld.
De officier van justitie vorderde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden, mede vanwege de georganiseerde handelswijze. De verdediging vroeg om een straf gelijk aan het voorarrest en stelde dat er onvoldoende bewijs was voor mobiel banditisme. De rechtbank oordeelde dat mobiel banditisme niet bewezen was, maar achtte de straf passend gezien de ernst van het feit en de schade.
De benadeelde partij vorderde € 3.000,- immateriële schadevergoeding wegens psychische gevolgen, maar de rechtbank verklaarde deze vordering niet-ontvankelijk omdat de schade onvoldoende onderbouwd was en de inbraak in het bedrijfspand plaatsvond zonder aanwezigheid van de eigenaar. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden voortgezet.
De rechtbank veroordeelde verdachte tot vijf maanden gevangenisstraf, waarbij het voorarrest in mindering wordt gebracht, sprak verdachte vrij van overige tenlastegelegde feiten en hief het bevel tot voorlopige hechtenis op.