Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2441

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
C/02/415675 / FA RK 23-5205
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Verschoor-Bergsma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377e BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling zorg- en opvoedingstaken en hoofdverblijf minderjarige kinderen na scheiding

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 2 maart 2026 een verzoek van de man tot wijziging van de zorg- en opvoedingstaken voor drie minderjarige kinderen na beëindiging van het huwelijk met de vrouw. De Stichting Jeugdbescherming Brabant en de Raad voor de Kinderbescherming waren betrokken als informanten en adviseerden de rechtbank.

De man verzocht om een nieuwe regeling voor de zorg- en opvoedingstaken, terwijl de vrouw het verzoek afwees en zelfstandig vroeg het hoofdverblijf van één kind bij haar vast te stellen. De rechtbank constateerde dat voor twee kinderen de huidige co-ouderschapsregeling, waarbij zij om en om bij beide ouders verblijven, goed functioneert en in hun belang is. Voor deze kinderen wees de rechtbank het verzoek van de man af.

Voor het derde kind, dat sinds januari 2026 volledig bij de vrouw verblijft en geen contact meer heeft met de man, werd het verzoek tot wijziging van de zorg- en opvoedingstaken en het hoofdverblijf aangehouden voor drie maanden. Tijdens deze periode zal een voorlopige contactregeling worden opgebouwd en geëvalueerd. De rechtbank benadrukte het belang van samenwerking tussen ouders en betrokken instanties om het contact te herstellen.

De beslissing werd genomen in het belang van de kinderen, met inachtneming van hun wensen en de adviezen van de Raad. De rechtbank behoudt zich verdere beslissingen voor en gaf aan dat hoger beroep mogelijk is binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: Verzoek tot wijziging zorg- en opvoedingstaken voor twee kinderen afgewezen, verzoek over hoofdverblijf van één kind aangehouden voor drie maanden met voorlopige contactregeling.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/415675 / FA RK 23-5205
datum uitspraak: 2 maart 2026
beschikking betreffende hoofdverblijf en verdeling zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
[de man],
hierna: de man,
wonende te [woonplaats 1],
advocaat: mr. J.F. van Drenth te Gorinchem,
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2],
advocaat: mr. C.J.M. van Gent,
over de minderjarigen:
-
[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2011, hierna: [minderjarige 1] ,
-
[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2013, hierna: [minderjarige 2] ,
-
[minderjarige 3], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2015, hierna: [minderjarige 3] .
Informant in deze procedure is:
de Stichting Jeugdbescherming Brabant, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI), locatie ’s-Hertogenbosch.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft
de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1.
In het dossier bevinden zich de volgende stukken:
- het op 2 november 2023 ontvangen verzoek met bijlagen;
- de op 15 juli 2025 ontvangen brief van de Raad en diens op 17 december 2025 ontvangen rapport van diezelfde datum met bijlagen;
- de brief van mr. Van Gent van 25 februari 2026 tevens houdende aanvullend verzoek.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de man met zijn advocaat;
- de vrouw met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- twee vertegenwoordiger van de GI (via beeldbellen).
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. Zij hebben hierover op 23 februari 2026 een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat zij hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.4.
Deze zaak hangt nauw samen met de zaak van de Raad over de ondertoezichtstelling. met het kenmerk C/02/443095 / JE RK 25-2254. Daarom heeft de rechtbank de zaken tegelijk mondeling behandeld.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn gehuwd geweest. Uit dit huwelijk zijn de navolgende thans nog minderjarige kinderen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] geboren.
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 3] hebben hun hoofdverblijfplaats bij de man. [minderjarige 2] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw.
2.3.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
2.4.
Bij beschikking van 13 februari 2020 en het daaraan gehechte ouderschapsplan is, voor zover thans van belang, bepaald dat de minderjarigen in de even weken bij de man verblijven. In de oneven weken verblijven de minderjarigen bij de vrouw. Het wisselmoment is op maandag.
2.5.
Bij vonnis van 14 september 2023 heeft de voorzieningenrechter in deze rechtbank partijen veroordeeld tot nakoming van de tussen hen overeengekomen voorlopige regeling betreffende de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige 1] :
- op 19 september 2023 een eerste contact zal plaatsvinden, enkel tussen de vrouw en [minderjarige 1] , vanuit school tot na het (avond)eten;
- [minderjarige 1] van 25 september 2023 tot en met 27 september 2023 bij de vrouw verblijft, waarbij de vrouw [minderjarige 1] op 27 september 2023 naar school brengt;
- met ingang van 9 oktober 2023 [minderjarige 1] in de oneven weken van maandag na school tot vrijdag voor school bij de vrouw verblijft. Deze regeling zal worden voortgezet in afwachting van de resultaten van de hulpverlening.
Daarnaast heeft de voorzieningenrechter partijen en hun minderjarige kinderen voor deelname aan een (jeugd)hulptraject verwezen naar de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost.
2.6.
Sinds 9 januari 2026 verblijft [minderjarige 1] volledig bij de vrouw. De man heeft [minderjarige 1] sindsdien niet meer gezien.

3.De verzoeken

3.1.
De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de beschikking van 13 februari 2020 en het daaraan gehechte ouderschapsplan wordt gewijzigd voor wat betreft de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en dat de rechtbank een nieuwe verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zal vaststellen conform de nog te bereiken overeenstemming tussen partijen, althans – als partijen geen overeenstemming weten te bereiken – volgens een nader door de man te formuleren regeling.
3.2.
De vrouw verzoekt afwijzing van het verzoek van de man. De vrouw verzoekt zelfstandig, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat [minderjarige 1] zijn hoofdverblijf zal hebben bij haar en op haar adres zal zijn ingeschreven.

4.De beoordeling en de standpunten

4.1.
De man legt aan zijn verzoek ten grondslag dat partijen in het kader van genoemde kort geding procedure vanwege de ouderstrijd zijn doorverwezen naar de hulpverlening en dat daarvoor een bodemprocedure nodig was. De man acht het in het belang van met name [minderjarige 1] , en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , dat er een aangepaste verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gaat gelden. De man hoopt(e) echter dat de hulpverlening ouders kan helpen om tot een regeling te komen, die in het belang van de kinderen kan worden geoordeeld.
4.2.
Gebleken is echter dat partijen bij het ingezette (jeugd)hulptraject niet tot overeenstemming zijn kunnen komen met elkaar en dat de Raad daarom onderzoek heeft gedaan naar de meest wenselijke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
4.3.
De Raad adviseert na onderzoek om [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in de even week van maandag na schooltijd tot maandag voor schooltijd (gelijktijdig) bij de man te laten verblijven en in de oneven week van maandag na schooltijd tot maandag voor schooltijd (gelijktijdig) bij de vrouw te laten verblijven. De Raad legt aan dit advies ten grondslag dat deze regeling voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar behoren verloopt. Er zijn hierover geen zorgen naar voren gekomen. De Raad ziet daarom geen redenen om de regeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] aan te passen.
Naar de mening van de Raad heeft ook [minderjarige 1] recht op evenveel contact met zijn beide ouders. Echter stelt de Raad ter zitting vast dat er sinds het uitbrengen van zijn rapportage sprake is van een gewijzigde situatie, in die zin dat [minderjarige 1] sinds 9 januari 2026 bij de vrouw verblijft en hij op dit moment geen enkel contact meer heeft met de man. De Raad hoort de man aangeven dat het contact verbroken is geraakt, nadat hij [minderjarige 1] aansprak op diens schoolverzuim. De Raad acht het van belang dat dit contact snel wordt hersteld.
4.4.
In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag, zoals over het hoofdverblijf en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, op verzoek van de ouders aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt.
4.5.
In deze zaak zijn de artikelen 1:253a en 1:377e BW van toepassing.
In artikel 1:377e BW staat dat de rechtbank op verzoek van de ouders een bestaande zorgregeling kan veranderen als de omstandigheden zijn veranderd of als de rechtbank die regeling heeft vastgesteld op grond van onjuiste of onvolledige gegevens. De rechtbank oordeelt dat voor wat betreft [minderjarige 1] in elk geval sprake is van een gewijzigde omstandigheid, nu hij sinds 9 januari 2026 in plaats van bij de man bij de vrouw woonachtig is en hij op dit moment geen contact heeft met de man.
4.6.
Ter zitting heeft de kinderrechter met ingang van 2 maart 2026 tot 2 maart 2027 mondeling de ondertoezichtstelling over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] uitgesproken, uitgevoerd door de GI. De beslissing in die zaak staat in een aparte beschikking.
4.7.
De rechter moet eerst bekijken of de ouders met elkaar afspraken kunnen maken (artikel 1:253a lid 5 BW). Gebleken is dat de ouders deels alsnog tot afspraken met elkaar hebben kunnen komen. Zo zijn zij het met elkaar eens om uitvoering te (blijven) geven aan het advies van de Raad om voor wat betreft [minderjarige 2] en [minderjarige 3] de huidige co-ouderschapsregeling te blijven voortzetten.
Voor wat betreft [minderjarige 1] zijn de ouders ter zitting tot de voorlopige afspraak kunnen komen, dat [minderjarige 1] (samen met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ) op maandagmiddag 2 maart 2026 om 15.30 uur door de vrouw naar de man zal worden gebracht. [minderjarige 1] zal dan bij de man blijven eten, waarna de vrouw [minderjarige 1] diezelfde avond om 21.00 uur zal ophalen bij de man. Vervolgens zal [minderjarige 1] in het daaropvolgende weekend weer een contactmoment met de man hebben.
Hierna zullen partijen (in samenspraak met de GI) samen bekijken hoe het contact tussen de man en [minderjarige 1] verder kan worden uitgebreid, waarbij in beginsel wordt toegewerkt naar dezelfde regeling als van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Met de Raad en de GI acht de rechtbank het hierbij voor het welslagen van het contactherstel van groot belang, dat beide ouders [minderjarige 1] zullen meegeven dat zij samen tot deze afspraken zijn gekomen en dat zij naar hem toe beiden zullen uitstralen dat zij daar volledig achterstaan. Uit het gesprek dat de kinderrechter met [minderjarige 1] heeft gehad, is niet gebleken dat deze regeling zou indruisen tegen zijn belang.
4.8.
Partijen zijn verdeeld gebleken over het verzoek van de vrouw om het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij haar te bepalen. De vrouw legt aan dit verzoek ten grondslag dat [minderjarige 1] sinds 9 januari 2026 bij haar verblijft en de feitelijke en de financiële zorg momenteel volledig bij haar ligt terwijl de man, gezien de juridische situatie waarin het hoofdverblijf van [minderjarige 1] is gelegen bij de man, de kinderbijslag en toeslagen ontvangt. Reden waarom de vrouw verzoekt te bepalen dat het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij haar komt te liggen, zodat zij gerechtigd zal zijn tot het ontvangen van de toeslagen en de kinderbijslag en zij deze kan gebruiken ten behoeve van de kosten voor [minderjarige 1] .
4.9.
De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw over het hoofdverblijf, stellende dat zo’n twee jaar geleden sprake was van eenzelfde soort situatie, maar dan andersom. [minderjarige 1] woonde toen bij de man en wilde geen contact met de vrouw.
Dat zo zijnde acht de man het niet uitgesloten dat [minderjarige 1] op enig moment weer bij hem zal wonen. Hierbij komt, aldus de man, dat een wijziging van het hoofdverblijf in beginsel niets gaat veranderen aan welke ouder de toeslagen en kinderbijslag zullen worden toegekend. De man acht het aangewezen dat partijen eerst zullen trachten om met elkaar tot een normalisatie van de situatie te komen en dat afgewacht wordt tot welk resultaat dat zal leiden. Met behulp van de advocaten kan bekeken worden hoe er tijdelijk tegemoet kan worden gekomen aan de financiële gevolgen van het verblijf van [minderjarige 1] bij de vrouw. De man verzoekt het verzoek over het hoofdverblijf daarom aan te houden.
4.10.
Gelet op de ter zitting gemaakte afspraken over de opbouw van de voorlopige contactregeling tussen de man en [minderjarige 1] , zal de rechtbank het door de man gedane hierover verzoek voor een definitieve regeling aanhouden, en wel voor de duur van drie maanden. Nu nog niet bekend is hoe het contactherstel tussen de man en [minderjarige 1] zal gaan verlopen, ziet de rechtbank daarin aanleiding om het hiermee samenhangende verzoek van de vrouw tot wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige 1] eveneens voor de duur van drie maanden pro forma aan te houden. De rechtbank verwacht van de advocaten van partijen én van de GI dat zij de rechtbank vóór die datum zullen informeren over hoe de voorlopige regeling verloopt en dat ze daarbij zullen aangeven of zij een nieuwe mondelinge behandeling bij de rechtbank willen of dat zij het ermee eens zijn dat de rechtbank schriftelijk beslist op het verzoek zonder nieuwe mondelinge behandeling.
4.11.
Ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] stelt de rechtbank vast dat de door de partijen gewenste regeling, zoals ook geadviseerd door de Raad, reeds lopende is en bij beschikking van 13 februari 2020 en het daaraan gehechte ouderschapsplan is vastgesteld. Deze regeling houdt concreet in dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] telkens in de even week van maandag na schooltijd tot maandag voor schooltijd (gelijktijdig) bij de man verblijven en in de oneven week van maandag na schooltijd tot maandag voor schooltijd (gelijktijdig) bij de vrouw verblijven. Zowel [minderjarige 2] als [minderjarige 3] wensen ook handhaving van deze regeling, terwijl deze regeling ook het meest in hun belang wordt geacht. Deze lopende regeling blijft dan ook van kracht en de rechtbank oordeelt daarom dat de man geen belang meer heeft bij zijn verzoek hierover. In zoverre zal het verzoek van de man daarom worden afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst het verzoek van de man over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, voor zover betrekking hebbend op de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , af;
5.2.
houdt de behandeling van het verzoek van de man over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voor zover betrekking hebbend op de minderjarige [minderjarige 1] , en het verzoek van de vrouw tot wijziging van het hoofdverblijf over [minderjarige 1] , aan tot
dinsdag 2 juni 2026 PRO FORMA, zulks met in achtneming van hetgeen hiervoor onder 4.10. is overwogen;
5.3.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2026 door mr. Verschoor-Bergsma, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier, en op schrift gesteld op 10 maart 2026.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.