ECLI:NL:RBZWB:2026:2409

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
11526302 \ MB VERZ 25-180
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke gegrondverklaring beroep tegen verkeersboete parkeren gehandicaptenparkeerplaats

Betrokkene werd beboet voor het parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder zichtbare geldige kaart op 2 november 2023 in Breda. Betrokkene voerde aan dat zij als vrijwilliger een cliënt begeleidde die in grote nood verkeerde en erg in de war was, waardoor het noodzakelijk was om zo dicht mogelijk bij het Stadskantoor te parkeren.

De officier van justitie erkende de gedraging maar vond geen reden om het beroep gegrond te verklaren, wel stelde hij een matiging van 25% voor vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De kantonrechter stelde vast dat de gedraging onomstotelijk vaststond en betrokkene deze ook niet betwistte.

Gezien de bijzondere omstandigheden en de persoonlijke situatie van betrokkene achtte de kantonrechter matiging van de boete op zijn plaats en matigde de boete tot nihil. Het beroep werd daarom gedeeltelijk gegrond verklaard en de officier van justitie werd opgedragen het reeds betaalde bedrag terug te betalen.

Uitkomst: De boete voor parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats is gematigd tot nihil vanwege bijzondere omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer : 11526302 \ MB VERZ 25-180
CJIB-nummer : [cjib-nummer]
uitspraakdatum : 18 februari 2026
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam :
[betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene

Verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 18 februari 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. S.V. Oedayrajsingh Varma (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene is met kennisgeving niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.

Standpunten

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder duidelijk zichtbare geldige gehandicaptenparkeerkaart op de Claudius Prinsenlaan te Breda op 2 november 2023 om 09.26 uur.
Betrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de boete niet redelijk is gelet op de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden. Betrokkene is vrijwilliger bij [organisatie] Breda, waar plaats wordt geboden aan vreemdelingen in grote nood. De gemeentelijke [instelling] had de cliënte van betrokkene in september afgewezen en was bereid tot herziening van die afwijzing. Het gesprek vond plaats in het Stadskantoor. Betrokkene achtte het van levensbelang om haar cliënte te begeleiden over een zo kort mogelijke afstand, gezien haar cliënte erg in de war was en er een grote kans was dat zij zou ontsnappen aan betrokkene. Betrokkene parkeerde haar auto om die reden op een gehandicaptenparkeerplaats dicht naast het Stadskantoor.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep deels gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Op basis van de foto’s in het dossier kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Hoewel er volgens betrokkene sprake was van een noodsituatie, is de zittingsvertegenwoordiger er niet van overtuigd dat betrokkene niet anders had kunnen handelen. De zittingsvertegenwoordiger verzoekt wel de boete te matigen met 25% omdat de redelijke termijn is overschreden, maar het beroep voor het overige ongegrond te verklaren.

Overwegingen

De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. Betrokkene betwist de gedraging ook niet.
De boete is dus terecht opgelegd.
De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd wel aanleiding om de boete te matigen. Daarbij houdt de kantonrechter rekening met de genoemde omstandigheden ten tijde van de gedraging, evenals de persoonlijke omstandigheden van betrokkene. De boete zal worden gematigd tot nihil.
Het beroep is gelet op de matiging gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.

Beslissing

De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot nihil;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 359,-, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.V. van Aardenne, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E.H. de Vries, en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: