Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2405

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
BRE 26/14
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:82 lid 3 AwbArt. 8:41 lid 6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek voorlopige voorziening wegens niet-betaling griffierecht

Verzoekster heeft op 2 januari 2026 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Voor dit verzoek was griffierecht van €54 verschuldigd. Op 7 januari 2026 is verzoekster per aangetekende brief verzocht het griffierecht binnen twee weken te voldoen, met de waarschuwing dat niet-betaling tot niet-ontvankelijkheid kan leiden.

De brief is op 9 januari 2026 aan verzoekster uitgereikt, waarmee zij naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gelegenheid heeft gehad om het griffierecht te betalen. Uit de administratie van de rechtbank blijkt echter dat het griffierecht niet is ontvangen.

Op grond van artikel 8:82 lid 3 in Pro samenhang met artikel 8:41 lid 6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht wordt het verzoek daarom niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht
zaaknummer: BRE 26/14

uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Procesverloop

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster, ontvangen door de rechtbank op 2 januari 2026.
1.1.
Voor het verzoek is verzoekster griffierecht verschuldigd van € 54.
1.2.
Op 7 januari 2026 is aan verzoekster bij aangetekende brief de nota griffierecht verzonden. In die brief wordt verzoekster verzocht het griffierecht van € 54 uiterlijk twee weken na de datum van dagtekening van die brief te betalen. De brief vermeldt verder dat niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek kan volgen, als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald. Volgens gegevens van Track & Trace van PostNL is de brief bij verzoekster bezorgd.

Motivering

2. Omdat uit informatie van PostNL blijkt dat de in 1.2 bedoelde brief op 9 januari 2026 aan verzoekster is uitgereikt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster op de juiste wijze in de gelegenheid is gesteld het griffierecht te voldoen.
2.1.
Uit de administratie van de rechtbank blijkt dat het griffierecht niet is ontvangen. Het verzoek is daarom niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:82, derde lid, in samenhang met artikel 8:41, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2.2.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier.
griffier voorzieningenrechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.