Eisers hebben op 12 september 2025 een handhavingsverzoek ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hulst, gericht op activiteiten die niet verenigbaar zijn met de woonbestemming op een perceel. Het college ontving de aanvraag op 15 september 2025, maar heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn van acht weken een besluit genomen.
Op 31 oktober 2025 informeerde het college eisers dat het niet binnen de termijn kon beslissen en stelde een nieuwe termijn tot uiterlijk 8 december 2025. Deze termijn is eveneens verstreken zonder besluit. Eisers stelden het college op 10 december 2025 in gebreke, waarna het college de ingebrekestelling op 11 december 2025 ontving. Na het verstrijken van twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling is het beroep ingesteld.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en beveelt het college binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag dat het college te laat is, met een maximum van €15.000. Daarnaast stelt de rechtbank de reeds verschuldigde bestuurlijke dwangsom vast op €1.442, gebaseerd op de wettelijke staffel en verstreken dagen. Het college wordt ook veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers.