ECLI:NL:RBZWB:2026:2395

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
BRE 26/729
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:12 AwbArt. 4:13 AwbArt. 4:14 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

College moet alsnog beslissen op handhavingsverzoek en dwangsom betalen wegens termijnoverschrijding

Eisers hebben op 12 september 2025 een handhavingsverzoek ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hulst, gericht op activiteiten die niet verenigbaar zijn met de woonbestemming op een perceel. Het college ontving de aanvraag op 15 september 2025, maar heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn van acht weken een besluit genomen.

Op 31 oktober 2025 informeerde het college eisers dat het niet binnen de termijn kon beslissen en stelde een nieuwe termijn tot uiterlijk 8 december 2025. Deze termijn is eveneens verstreken zonder besluit. Eisers stelden het college op 10 december 2025 in gebreke, waarna het college de ingebrekestelling op 11 december 2025 ontving. Na het verstrijken van twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling is het beroep ingesteld.

De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en beveelt het college binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag dat het college te laat is, met een maximum van €15.000. Daarnaast stelt de rechtbank de reeds verschuldigde bestuurlijke dwangsom vast op €1.442, gebaseerd op de wettelijke staffel en verstreken dagen. Het college wordt ook veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers.

Uitkomst: Het college moet binnen twee weken alsnog beslissen en een dwangsom betalen wegens overschrijding van de beslistermijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/729

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2], uit [plaats], eisers,

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hulst.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eisers hebben ingesteld, omdat het college volgens hen niet op tijd heeft beslist op hun handhavingsverzoek (aanvraag) van 12 september 2025, door het college ontvangen op 15 september 2025, dat ziet op het perceel [adres]. Volgens eisers vinden daar structureel activiteiten plaats die niet verenigbaar zijn met de woonbestemming. Het betreft het dagelijks parkeren en rijden van vrachtwagens en aanhangers.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep kennelijk gegrond?
3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eisers hebben de aanvraag ingediend op 12 september 2025 en het college heeft de aanvraag op 15 september 2025 ontvangen. In de wet is geen termijn opgenomen waarbinnen het college op deze aanvraag moet beslissen. In zo’n geval geldt een beslistermijn van acht weken, tenzij het college voor het einde van deze beslistermijn aan eisers meedeelt dat het geen besluit kan nemen binnen deze termijn en een redelijke termijn noemt waarbinnen wel een besluit kan worden genomen. [2] Op 31 oktober 2025 heeft het college aan eisers laten weten dat het niet binnen de acht weken een besluit kan nemen op de aanvraag van eiseres en dat uiterlijk 8 december 2025 het besluit verwacht mag worden. Het college had dus uiterlijk op 8 december 2025 moeten beslissen. De termijn waarbinnen het college moet beslissen is inmiddels voorbij. Eisers hebben het college op 10 december 2025 in gebreke gesteld en het college heeft de ingebrekestelling op 11 december 2025 ontvangen. Sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
Welke beslistermijn moet aan het college worden opgelegd?
4. Omdat het college nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het college dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het college dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. Het college heeft niet gevraagd om een langere termijn en uit het dossier blijkt dat op 23 december 2025 een voornemen tot handhaving is bekendgemaakt en dat op 15 januari 2026 de zienswijze van de bewoners van [adres] is ontvangen en de termijn voor het indienen van zienswijzen verstreken is. Het college kan dan ook een besluit nemen.
Welke dwangsom wordt aan het college opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat het college een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het college. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
Stelt de rechtbank de bestuurlijke dwangsom vast?
6. Eisers hebben verzocht om de bestuurlijke dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden. [3]
6.1.
Het college heeft de hoogte van de bestuurlijke dwangsom niet vastgesteld. De rechtbank constateert dat uit de stukken blijkt dat de ingebrekestelling op 11 december 2025 is ontvangen en dat sinds twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling meer dan 42 dagen zijn verstreken. De rechtbank oordeelt dan ook dat de bestuurlijke dwangsom het maximale bedrag van € 1.442,- bedraagt.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen, het college de onder 4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het college de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd. De rechtbank stelt ook de door het college al verschuldigde bestuurlijke dwangsom vast zoals onder 6.1. berekend.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding voor hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het college op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat het college aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
- stelt de door het college te betalen bestuurlijke dwangsom vast op € 1.442,-;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan eisers moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 27 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Dit staat in de artikelen 4:13 en 4:14 van de Awb.
3.Dit staat in artikel 4:17 en Pro 4:18, eerste lid, van de Awb.