Eiseres heeft op 8 april 2025 een aanvraag ingediend bij het UWV voor herbeoordeling van een WIA-uitkering van een ex-werknemer. Het UWV ontving de aanvraag op 11 april 2025 en had uiterlijk 6 juni 2025 moeten beslissen. Omdat het UWV niet binnen deze termijn heeft beslist, stelde eiseres het UWV op 1 september 2025 in gebreke. Het UWV ontving deze ingebrekestelling op 16 januari 2026, waarna eiseres beroep instelde.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is ondanks dat het formeel te vroeg was ingediend, omdat de termijn inmiddels is verstreken en het UWV nog steeds geen besluit heeft genomen. Het UWV gaf aan dat door beperkte capaciteit aan verzekeringsartsen de herbeoordeling nog niet heeft plaatsgevonden en kan geen termijn noemen voor een besluit.
De rechtbank stelt een redelijke termijn van vier maanden vast waarbinnen het UWV alsnog moet beslissen. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat het UWV de termijn overschrijdt. Daarnaast stelt de rechtbank de reeds verschuldigde bestuurlijke dwangsom vast op €1.442. Het UWV wordt ook veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres.