Uitspraak
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
1.de vennootschap onder firma [gedaagde partij 1] ,
2.
[gedaagde partij 2] B.V.,
3.
[gedaagde partij 3] B.V.,
1.1. De procedure
- de producties 1 tot en met 8 van [gedaagde partijen]
- de mondelinge behandeling van 13 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van [eisende partij]
- de pleitnota van [gedaagde partijen]
2.De feiten
2.2. [gedaagde partij 1] exploiteert eveneens een groothandel in gezondheids- en verzorgingsproducten. [gedaagde partij 2] B.V. en [gedaagde partij 3] B.V. zijn de vennoten van [gedaagde partij 1] . Indirect bestuurders van voornoemde bv’s zijn respectievelijk de heer [bestuurder 1] en mevrouw [bestuurder 2] .
Fysieke winkels zoals drogisterijen bestellen doorgaans geautomatiseerd via hun kassasysteem. Daarbij levert [eisende partij] actuele prijzen en eventuele aanbiedingen aan de softwareleverancier van het kassasysteem van de betreffende winkel(keten). De softwareleverancier zorgt ervoor dat deze gegevens (telkens) correct worden geïntegreerd in het systeem, zodat de winkelier c.q. diens systeem steeds beschikt over de actuele product- en prijsinformatie. Als de winkelvoorraad moet worden aangevuld, kan de winkelier daartoe opdracht geven. Het systeem beschikt over de informatie van meerdere aanbieders, selecteert de goedkoopste en plaatst de bestelling.
Webwinkels hebben verschillende manieren waarop zij bestellingen plaatsen. Zij maken onder andere gebruik van Electronic Data Intercharge (EDI) en ‘dropshipping’. Hierbij geldt (net als bij fysieke winkels met kassasystemen) dat zij hun systemen kunnen koppelen aan de gegevens van diverse groothandels.
Naar aanleiding daarvan heeft het cyber security bedrijf Northwave (hierna: Northwave) eind september 2025 in opdracht van [eisende partij] een onderzoek verricht naar historische loggegevens zoals opgeslagen in de systemen van [eisende partij] (met bereik van één jaar terug) en naar actuele log-ins tijdens de onderzoeksperiode. Northwave heeft daarnaast onderzoek gedaan na een wachtwoord reset van [eisende partij] op gecompromitteerde accounts.
- [gedaagde partij 1] heeft zich met haar IP-adres in elk geval vanaf 16 september 2024 herhaaldelijk toegang verschaft tot het klantportaal van [eisende partij] ;
- op de meeste van deze 235 accounts heeft [gedaagde partij 1] tussen de één en tien keer ingelogd, terwijl op 12 accounts is ingelogd tussen de 19 en 651 keer per account.
- nadat [eisende partij] de wachtwoorden had gewijzigd probeerde [gedaagde partij 1] herhaaldelijk opnieuw toegang te krijgen tot het klantportaal met een eerder account waarvan het wachtwoord niet was gewijzigd, of waarbij een nieuw account met een oud wachtwoord werd misbruikt. Nadat [eisende partij] de wachtwoorden van deze twee accounts had gewijzigd bleek het IP-adres van [gedaagde partij 1] alleen nog de openbare website van [eisende partij] te bezoeken in plaats van in te loggen op accounts.
Op 14 december 2025 is op het account van [bedrijf] een nieuw wachtwoord aangemaakt. Vervolgens is vanaf het IP-adres van [gedaagde partij 1] ingelogd in de periode van 15 december 2025 tot en met 5 januari 2026. [bedrijf] is eigendom van de heer [bestuurder 1] .
3.Het geschil
I. [gedaagde partijen] met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis te verbieden zich zonder uitdrukkelijke toestemming van [eisende partij] toegang te verschaffen tot het klantportaal van [eisende partij] en/of kennis te nemen van de informatie op dat klantportaal, door middel van hacking, brute force attacks, scraping
,door in te loggen op klantaccounts van derden, zich voor te doen als een derde partij om hun identiteit te verhullen of op enige andere wijze,
II. [gedaagde partijen] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [eisende partij] van een dwangsom van € 50.000,00 voor iedere keer dat het onder I. bedoelde verbod door (een van) [gedaagde partijen] wordt overtreden,
III. [gedaagde partijen] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten.
Deze handelwijze van [gedaagde partij 1] kwalificeert volgens [eisende partij] als een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 Burgerlijk Pro Wetboek (BW). Ten eerste is het evident in strijd met de zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 BW Pro om meermaals per dag binnen te dringen in het afgeschermde klantportaal van een concurrent. Het zich met kunstgrepen toe-eigenen van product- en prijsinformatie van een concurrent is een vorm van oneerlijke mededinging en in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.
Daarnaast maakt [gedaagde partij 1] zich schuldig aan het opzettelijk en wederrechtelijk binnendringen in een geautomatiseerd werk, zogenaamde computervredebreuk. Dat is strafbaar gesteld in artikel 138ab van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Aan de eisen van lid 1 en 2 van dat artikel is voldaan. [gedaagde partij 1] handelt dus ook in strijd met een wettelijke plicht zoals bedoeld in artikel 6:162 BW Pro. Aan de overige vereisten van artikel 6:162 BW Pro is voldaan, aldus [eisende partij] .
[eisende partij] stelt dat het onrechtmatig handelen niet alleen moet worden toegerekend aan de vennootschap [gedaagde partij 1] . Feitelijk zijn het de samenwerkende vennoten die deelnemen aan het rechtsverkeer en onrechtmatig handelen. De vordering is daarom tevens jegens hen ingesteld.
[eisende partij] heeft spoedeisend belang bij haar vordering. Niet kan worden uitgesloten dat [gedaagde partij 1] zich nog steeds toegang verschaft tot het klantportaal van [eisende partij] . [gedaagde partijen] heeft bovendien geen afstand willen nemen van haar onrechtmatig handelen; zij houdt vast aan haar standpunt dat haar handelen was gerechtvaardigd. Daarmee bestaat een reëel gevaar voor verdere schade, aldus [eisende partij] .
[gedaagde partijen] erkent dat zij heeft ingelogd op het klantportaal van [eisende partij] met gebruikmaking van klantnummers en bijhorende wachtwoorden van klanten van [eisende partij] . Zij betwist dat haar handelen kwalificeert als onrechtmatige daad.
[eisende partij] heeft zelf nagelaten het klantportaal van haar website deugdelijk af te schermen. Er kon op eenvoudige wijze worden ingelogd met openbaar toegankelijke klantnummers en wachtwoorden (postcodes). Voldoende veiligheidsmaatregelen zoals een dubbele authenticatie ontbraken. Kennelijk hechtte [eisende partij] niet veel belang aan het afschermen van haar klantportaal. De ingestelde vordering staat volgens [gedaagde partijen] in geen verhouding tot de handelwijze van [eisende partij] . In dat kader voert [gedaagde partijen] ook verweer tegen de (omvang van de) gevorderde dwangsom.
[gedaagde partijen] betwist dat sprake is van computervredebreuk (artikel 138ab Sr) of van schending van de zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 lid 2 BW Pro. Aan de eisen van artikel 138ab Sr is niet voldaan; een website is geen ‘geautomatiseerd werk’ in de zin van dit artikel. Evenmin is sprake van ‘binnendringen’. Nog daargelaten dat [gedaagde partij 1] geen ‘valse sleutel’ heeft gebruikt, omdat zij geen valse hoedanigheid heeft aangenomen toen de klantnummers en wachtwoorden haar in de schoot werden geworpen, levert het gebruik maken van de kwetsbaarheid van een website geen computervredebreuk op. Het inlogportaal voldeed niet aan de veiligheidseisen zodat ook geen sprake is van schending van de zorgvuldigheidsnorm. Bovendien heeft [eisende partij] niet aannemelijk gemaakt dat zij schade heeft geleden door het inloggen van [gedaagde partij 1] .
[gedaagde partijen] betwist ook dat sprake was van ‘hacken’. De reden om de website/het klantportaal van [eisende partij] te betreden was om controles uit te voeren om overtredingen van het exclusieve distributierecht van [gedaagde partij 1] te kunnen signaleren. De omstandigheid dat [gedaagde partij 1] daarbij gebruik heeft gemaakt van een script maakt dit betreden niet onrechtmatig. [gedaagde partij 1] heeft geen informatie in handen gekregen en gebruikt, die zij ook niet op een andere manier kan verkrijgen, laat staan dat zij daar ten koste van [eisende partij] voordeel van heeft genoten. Van afgeschermde concurrentiegevoelige prijzen was geen sprake; de detailhandelsprijzen waren ook beschikbaar via het Vademecum Integrale geneeswijzen (VIG).
[gedaagde partijen] ontkent daarnaast dat sprake was ‘brute force’ aanvallen. De klantnummers en wachtwoorden lagen op straat; er hoefde niet te worden gezocht naar de juiste combinatie van klantnummers en wachtwoorden.
Verder stelt [gedaagde partijen] zich op het standpunt dat de verbodsvordering niet kan worden toegewezen omdat deze te ruim is geformuleerd. Niet duidelijk is wat wordt bedoeld met de zinsnede ‘op enige andere wijze’. [gedaagde partijen] kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor het inloggen vanaf haar IP-adres door derden.
Ten slotte betwist [gedaagde partij 1] het spoedeisend belang bij de vordering. Zij stelt al maanden niet meer in te loggen op het klantportaal van [eisende partij] ; zij heeft daar geen behoefte meer aan. Bovendien heeft [eisende partij] het inloggen inmiddels onmogelijk gemaakt door aanpassing van de wachtwoorden die horen bij de klantnummers. [eisende partij] heeft niet aangetoond waarom zij het IP-adres van [gedaagde partij 1] niet kan blokkeren.
4.De beoordeling
Volgens [gedaagde partijen] is een website (frontsite en bij inloggen backside) als zodanig geen geautomatiseerd werk in de zin van dit artikel, omdat het feitelijk slechts bestaat uit een samenstel van gegevens, geen fysieke vorm heeft en derhalve het karakter van een inrichting ontbeert. De voorzieningenrechter overweegt dat een website moet worden onderscheiden van een beveiligd, afgeschermd klantenportaal waarvoor inloggegevens nodig zijn. Een afgeschermd klantenportaal wordt wel beschouwd als een geautomatiseerd werk (informatiesysteem) in de zin van artikel 138ab Sr. Verder geldt dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 138ab Sr moet worden afgeleid dat van ‘binnendringen’ sprake is wanneer toegang tot een (deel van) een geautomatiseerd werk wordt verschaft tegen de onmiskenbare wil van de rechthebbende. Dat van dit laatste sprake is staat, zoals hiervoor is overwogen, eveneens voorshands vast.
Het op deze wijze profiteren van prijsinformatie van een concurrent is een vorm van ongeoorloofde mededinging en ook om die reden onrechtmatig, wegens handelen in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.
5.De beslissing
,door in te loggen op klantaccounts van derden, zich voor te doen als een derde partij om hun identiteit te verhullen of op enige andere wijze,