Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2353

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
24/8176
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9.6 Wet IB 2001Art. 45aa Uitvoeringsregeling Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid bezwaar en afwijzing verzoek ambtshalve vermindering aanslag IB/PVV 2018

Belanghebbende, woonachtig in België sinds september 2018, diende geen aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) in over 2018. De inspecteur stelde daarom een aanslag vast op basis van een geschat verzamelinkomen van €150.000, inclusief een verzuimboete en rente. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze aanslag, maar dit bezwaar werd door de inspecteur niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen.

De rechtbank oordeelt dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard omdat het te laat is ingediend, zelfs rekening houdend met de door belanghebbende gestelde latere datum van ontvangst. De slechte postbezorging in België vormt geen verschoonbare reden voor de termijnoverschrijding. Daarnaast heeft belanghebbende onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om aannemelijk te maken dat de aanslag te hoog is vastgesteld, waardoor het verzoek om ambtshalve vermindering terecht is afgewezen.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor de uitspraken op bezwaar in stand blijven. Belanghebbende krijgt geen terugbetaling van griffierecht of vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter J.H. Bogert en griffier S. Panah en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om ambtshalve vermindering is afgewezen wegens te late indiening en gebrek aan onderbouwing.

Uitspraak

vRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/8176
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 31 maart 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] (België), belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende gericht tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 6 november 2024 en 1 oktober 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2018 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd op basis van een geschat verzamelinkomen van € 150.000. Daarbij zijn een verzuimboete van € 369 (de boetebeschikking) en een rentebeschikking van € 2.730 opgelegd.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gericht tegen de aanslag IB/PVV 2018 niet-ontvankelijk verklaard. De inspecteur heeft het bezwaar tevens opgevat als een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag. Dit verzoek is eveneens afgewezen.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Feiten

2. Belanghebbende woont sinds 22 september 2018 in België.
2.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een uitnodiging (met dagtekening 28 februari 2019) verzonden tot het doen van aangifte IB/PVV over het jaar 2018.
2.2.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een herinnering en aanmaning verzonden tot het doen van aangifte IB/PVV over het jaar 2018.
2.3.
Belanghebbende heeft geen aangifte IB/PVV voor het jaar 2018 ingediend.
2.4.
De inspecteur heeft de definitieve aanslag IB/PVV 2018 2018 op 3 februari 2021 vastgesteld.
2.5.
Belanghebbende komt met zijn brief van 11 juni 2024 in bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2018. Het bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om ambtshalve vermindering is afgewezen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard en het verzoek om ambtshalve vermindering terecht is afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de argumenten van belanghebbende, de beroepsgronden.
4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om ambtshalve vermindering terecht afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Motivering

5. In geschil is in de eerste plaats of de inspecteur het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Indien het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard, ligt vervolgens ter beoordeling voor of de inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering terecht heeft afgewezen.
Is het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk verklaard?
5.1.
De rechtbank gaat als eerst in op de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar door de inspecteur. Belanghebbende komt hiertegen in beroep en stelt dat hij de aanslag niet eerder dan op 19 april 2024 heeft ontvangen. Hierin ligt een betwisting van de verzending van de aanslag eerder dan dit moment.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat ook indien wordt uitgegaan als datum van bekendmaking de door belanghebbende genoemde datum (19 april 2024), belanghebbende niet binnen de wettelijke termijn van zes weken bezwaar heeft gemaakt. Het bezwaar is derhalve in beginsel te laat ingediend.
5.3.
Vervolgens moet worden beoordeeld of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Er is sprake van verschoonbare termijnoverschrijding als belanghebbende redelijkerwijs geen verwijt treft. Belanghebbende heeft in dat verband aangevoerd dat de postbezorging in België slecht is. De rechtbank is van oordeel dat dit geen rechtvaardiging vormt voor het feit dat belanghebbende pas na afloop van de bezwaartermijn van zes weken, gerekend vanaf het moment van bekendwording met de aanslag, bezwaar heeft gemaakt. Immers, de kwaliteit van postbezorging vormt geen verklaring waarom belanghebbende zo lang na ontvangt van de aanslag heeft gewacht met het maken van bezwaar.
5.4.
De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De inspecteur heeft het bezwaar dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep van belanghebbende is dus in zoverre ongegrond. De rechtbank komt daarom toe aan de inhoudelijke beoordeling van de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering.
Verzoek om ambtshalve vermindering.
5.5.
De regeling van artikel 9.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) biedt een extra mogelijkheid om een onjuiste belastingaanslag of beschikking die afzonderlijk op het aanslagbiljet is vermeld te verminderen. De gevallen waarin een inspecteur een belastingaanslag of bijbehorende beschikking ambtshalve kan verminderen zijn aangewezen in artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling van de Wet IB 2001 (URIB 2001). De inspecteur vermindert alleen een belastingaanslag of bijbehorende beschikking ambtshalve zodra hem is gebleken dat deze tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Op belanghebbende rust dus de last om de feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken waaruit volgt dat de aanslag IB/PVV 2018, de bijbehorende boete- en rentebeschikking tot een te hoog bedrag zijn vastgesteld.
5.6.
De rechtbank overweegt dat belanghebbende weliswaar een verzoek om ambtshalve vermindering heeft gedaan, maar geen inhoudelijke gronden heeft aangevoerd waaruit volgt dat de aanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld. De bewijslast dat de aanslag onjuist is, rust op belanghebbende en belanghebbende heeft hiervoor geen nadere onderbouwing gegeven. De rechtbank oordeelt daarom dat de inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering terecht heeft afgewezen.

Conclusie en gevolgen

6. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de uitspraken op bezwaar in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Panah griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.