ECLI:NL:RBZWB:2026:2321

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444969 / JE RK 26-251
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
  • Hopmans
  • Hendriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Brussel II-terArt. 10 Brussel II-terArt. 12 Brussel II-terArt. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 1:255 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid Nederlandse rechter en ondertoezichtstelling minderjarigen met verblijfplaats in België

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming om twee minderjarigen onder toezicht te stellen. Hoewel de kinderen hun gewone verblijfplaats in België hebben, werd de Nederlandse rechter bevoegd verklaard vanwege een geldige forumkeuze door de betrokken partijen.

De Raad stelde dat er ernstige zorgen zijn over de fysieke en sociaal-emotionele veiligheid van de kinderen, veroorzaakt door spanningen en conflicten tussen de ouders, waaronder meldingen van stalking en dreigende berichten. De ouders zijn wel bereid tot hulpverlening, maar onvoldoende in staat om de bedreigingen zelfstandig weg te nemen.

De rechtbank onderschreef de noodzaak van een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar, met als doel het bieden van een veilig en stabiel opvoedklimaat, het verbeteren van de ouderlijke samenwerking en het monitoren van de situatie. De beschikking is direct uitvoerbaar verklaard en partijen is gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitkomst: De rechtbank stelt de minderjarigen onder toezicht voor de duur van een jaar en verklaart de beschikking direct uitvoerbaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/444969 / JE RK 26-251
Datum uitspraak: 27 februari 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
Zeeland–West-Brabant, Middelburg,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] , maar verblijvende te [verblijfplaats] , België,
advocaat mr. M.T.E. Kranenburg uit Roosendaal,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. Q. van Mossevelde uit Terneuzen.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming west Zeeland, hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het op 29 januari 2026 ontvangen Raadsrapport d.d. 28 januari 2026 met bijlagen, met daarin het verzoek om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen;
  • het verzoekschrift van de Raad d.d. 28 januari 2026 met bijlagen, alsnog ontvangen op 17 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De zaak is vanwege de samenhang gelijktijdig behandeld met zaaknummer C/02/440237 FA RK 25-4965. Op dit zaaknummer wordt in een aparte beschikking beslist.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door vader.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun vader en moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. De Raad verzoekt verder de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het verzoek en verwijst daarbij naar het raadsrapport. De Raad ziet een gezinssysteem waarin veel zorgen spelen, die onvoldoende worden gecompenseerd door de gesignaleerde krachten. De Raad vindt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , ook al tonen zij niet altijd signalen naar ouders en/of hun omgeving (school), te zeer belast worden met kindzorgen. Ook zijn er signalen dat ze klem zitten door het gedrag en de negatieve uitspraken van de kinderen richting moeder. Ouders dienen samen met hulpverlening spoedig verandering in de huidige situatie te realiseren, om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een halt toe te roepen.
De Raad vindt een dwingend kader in de vorm van een ondertoezichtstelling daarbij noodzakelijk. Ten eerste constateert de Raad dat de beschreven veiligheidszorgen ernstig zijn en dat er te weinig zicht is verkregen op de interactie tussen ouders en hun communicatiepatronen, waarbij moeder meldingen heeft gedaan van stalking/bedreiging door vader. Ook zijn er zorgen over de veiligheid van beide opvoedomgevingen. Gezien de veiligheid dient er snel zicht verkregen te worden op de interactie tussen ouders en in hoeverre de in het (recente) verleden geuite dreigementen van vader reëel zijn. Ten tweede denkt de Raad dat, gezien de moeizame samenwerking tussen de Raad en vader, het vrijwillig kader ontoereikend is. Vader is regelmatig boos geweest op de Raad, lijkt onvoldoende zijn visie te delen, vertoont weerstand en reageert emotioneel in de gesprekken. Tevens laat vader onvoldoende probleeminzicht zien, waarbij zijn hulpvraag voor een hulpverleningstraject onvoldoende intrinsiek lijkt te zijn. Ten derde is de Raad van mening dat er meer dwingend regievoering nodig is (afspraken en hulp die ook opgevolgd worden) om het benodigde (complexe) hulpverleningstraject tot stand te brengen, te monitoren en te borgen.
Tijdens de zitting heeft de Raad nog toegevoegd dat zij enkele elementen ziet van intieme terreur, maar niet alle elementen. Omdat de MASIC (Mediator’s Assessment of Safety Issues and Concerns) eenzijdig bij de moeder is afgenomen kan de Raad daar niks neutraals over zeggen en heeft deze voor de Raad geen toegevoegde waarde. Hierdoor kan de Raad niet vaststellen of er sprake was van intieme terreur.
4.2.
Vader staat in eerste instantie open voor vrijwillige hulpverlening, maar als de rechtbank van oordeel is dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is, kan hij zich daar in vinden.
4.3.
Moeder kan ook instemmen met de ondertoezichtstelling.
4.4.
De GI vraagt zich af of het niet te vroeg is voor een ondertoezichtstelling, omdat uit het raadsrapport en de toelichting van de Raad blijkt dat het in het algemeen goed gaat met de kinderen. Er lijkt met name veel aan de hand op ouderniveau en als vader niet meewerkt aan hulpverlening kan de GI ook weinig. In principe staat er iemand klaar om de zaak op te pakken, maar als er sprake is van intieme terreur moet er een andere werkwijze gevolgd worden dan wanneer dat niet het geval is. Als er een ondertoezichtstelling komt moet er dus eerst een MASIC bij ouders afgenomen worden om hier duidelijkheid over te krijgen. De GI doet dit niet zelf, maar dit wordt door een gedragsdeskundige gedaan en kan binnen een paar weken plaatsvinden. Verder is de GI bereid naar België te gaan voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling, maar moet de GI er nog wel over nadenken hoe dat georganiseerd moet worden.

5.De beoordeling

Bevoegdheid en toepasselijk recht
5.1.
De rechtbank overweegt dat de zaak internationale aspecten heeft, waardoor de rechtbank moet beoordelen of haar in deze zaak rechtsmacht toekomt. Op de bevoegdheid met betrekking tot ouderlijke verantwoordelijkheid is de Verordening (EU) 2019/1111 van 25 juni 2019 (hierna: Brussel II-ter) van toepassing. Onder ouderlijke verantwoordelijkheid valt onder meer de beperking van het ouderlijk gezag op grond van een maatregel onder toezichtstelling.
5.2.
Op grond van artikel 7 Brussel Pro II-ter zijn met betrekking tot ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt. Het begrip gewone verblijfplaats moet volgens vaste rechtspraak zo worden uitgelegd dat deze verblijfplaats de plaats is die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. De rechter moet bij het invullen van het begrip ‘gewone verblijfplaats’ rekening houden met alle feitelijke omstandigheden van de concrete situatie. Daarvoor moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat en van de verhuizing van het gezin naar die staat, de nationaliteit van het kind, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het naar school gaat, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat. Bij dit alles geldt dat de inschrijving van een kind in de gemeentelijke (basis)administratie hooguit één van de relevante factoren is waarmee rekening kan worden gehouden bij het bepalen van de gewone verblijfplaats van dat kind.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in België ligt en overweegt daartoe als volgt. De minderjarigen verblijven in het kader van de tussen hun ouders afgesproken co-ouderschapsregeling om de week bij hun moeder in België. Ze gaan daar ook naar school en hun sociale leven (waaronder hun hobby’s) speelt zich daar af. Ook woont, behalve hun vader, hun familie in België, zijn ze geboren in België en hebben zij de Belgische nationaliteit. Rekening houdend met al deze omstandigheden bevindt het centrum van het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich naar oordeel van de rechtbank in België en niet in Nederland waar zij slechts staan ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie en om de week verblijven.
5.4.
Nu de minderjarigen hun gewone verblijfplaats ten tijde van de indiening van onderhavig verzoek in België hadden, komt in beginsel niet de Nederlandse rechter, maar de Belgische rechter rechtsmacht toe. De belanghebbenden hebben tijdens de zitting evenwel naar voren gebracht dat zij de vertraging waarmee een verwijzing gepaard gaat niet in het belang van de minderjarigen, noch in het belang van partijen achten. Tijdens de zitting is gebleken dat alle belanghebbenden om die reden ten aanzien van deze procedure de rechtsmacht van de Nederlandse rechter op grond van de forumkeuze ex artikel 10 Brussel Pro II-ter uitdrukkelijk hebben aanvaard en dat ook is voldaan aan de in genoemd artikel genoemde voorwaarden voor een geldige forumkeuze. De rechtbank is dan ook bevoegd om over het verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarigen te beslissen.
5.5.
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
Inhoudelijke beoordeling
5.6.
De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De rechtbank legt hieronder uit waarom.
5.7.
De kinderrechter onderschrijft de zorgen van de Raad en stelt vast dat iedereen het erover eens is dat aan de eisen voor een ondertoezichtstelling wordt voldaan. Er is volgens de kinderrechter, onder verwijzing naar het rapport van de Raad, sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , nu er zorgen zijn over hun fysieke en sociaal-emotionele veiligheid en ontwikkeling, doordat zij al langere tijd geconfronteerd worden met negatieve en geladen emoties tussen ouders, onduidelijkheid over hun (fysieke en emotionele) veiligheid gezien de meldingen van moeder en de dreigende app-berichten van vader, verminderde emotionele beschikbaarheid van ouders, overbelasting van moeder, een tekort aan sensitief-responsief ouderschap, loyaliteitsproblemen en mogelijke fysieke en emotionele onveiligheid in hun opvoedomgevingen.
5.8.
De rechtbank acht ouders wel (deels) bereid maar onvoldoende in staat onder eigen verantwoordelijkheid die bedreiging weg te nemen. Ze hebben een neutrale derde nodig die in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] optreedt en sturing kan bieden als het nodig is. De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig.
5.9.
Verder onderschrijft de kinderrechter onderstaande doelen die de Raad heeft opgesteld in het raadsrapport. Deze zijn;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien op in (fysiek en emotioneel) veilige, stabiele en
voorspelbare opvoedingsomgevingen, waarbij ouders fysiek en emotioneel
beschikbaar zijn, er in hun opvoedbehoeften wordt voorzien en ouders hen
sensitief-responsief ouderschap bieden;
- Er is meer duidelijkheid ontstaan over de interactie van ouders met het oog op
veiligheid, waarbij o.a. vader heeft geleerd beter zijn emoties te reguleren en
geen dreigend gedrag meer naar moeder vertoont;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden niet belast met gevoelens van onveiligheid, angst,
stress en spanningen en kunnen zich richten op de ontwikkelingstaken die bij hun
leeftijd passen;
- Ouders staken hun strijd en belasten de kinderen niet met
loyaliteitsproblematiek, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ervaren emotionele toestemming om
van beide ouders te houden en onbelast contact te hebben met beide ouders;
  • De draagkracht/draaglast van moeder is in balans;
  • Er is zicht ontstaan op (de veiligheid van) de opvoedomgevingen van [minderjarige 1] en
[minderjarige 2] .
- Ouders blijven zich begeleidbaar opstellen en houden zich aan de gemaakte
afspraken.
De rechtbank verwacht daarbij van de GI dat zij als eerste stap de MASIC-methode bij de ouders inzet om te onderzoeken of er in de relatie tussen de ouders sprake was van dwingende controle. Daarnaast verwacht de rechtbank van de GI dat zij in ieder geval de NICHD-methode inzet bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om te onderzoeken of zij alleen last hebben van de spanningen tussen hun ouders of dat er ook sprake is (geweest) van kindermishandeling.
5.10.
De rechtbank stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht voor de duur van een jaar. De rechtbank is van oordeel dat dit nodig is gelet op de problematiek en de te verwachten duur van de hulpverlening.
5.11.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.12.
Tenslotte geeft de rechtbank de GI en ouders mee dat zij, als ze van mening zijn dat de Belgische rechter beter in staat is om de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te beoordelen, de rechtbank op grond van artikel 12 Brussel Pro II-ter kunnen vragen om deze zaak over te dragen aan de Belgische rechter.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 27 februari 2026 tot 27 februari 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, mr. Hopmans en mr. Hendriks, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026, in aanwezigheid van mr. Krocké als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.