ECLI:NL:RBZWB:2026:2314

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
29 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444479 / JE RK 26-159
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Zuijdweg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BW
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige tot meerderjarigheid

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige tot haar meerderjarigheid in 2027. De minderjarige verblijft momenteel in een netwerkpleeggezin bij haar oma vaderszijde, die ernstig ziek is. De GI stelt dat verlenging noodzakelijk is om de begeleiding en zorg te continueren, mede omdat de minderjarige niet naar school gaat en er geen passende dagbesteding is.

Tijdens de zitting gaf de minderjarige aan dat het redelijk goed met haar gaat, maar dat de situatie bij haar oma niet passend is gezien haar leeftijd en de ziekte van de oma. De minderjarige wil graag naar een reguliere school en begeleid wonen. De moeder staat achter het verzoek, de vader was niet aanwezig maar heeft zijn instemming aan de GI kenbaar gemaakt.

De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn vervuld. De ondertoezichtstelling wordt verlengd tot de meerderjarigheid van de minderjarige. De machtiging tot uithuisplaatsing in het netwerkpleeggezin wordt verlengd tot 10 maart 2026, waarna de machtiging voor plaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder wordt verleend tot de meerderjarigheid. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige worden verlengd tot haar meerderjarigheid.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/444479 / JE RK 26-159
Datum uitspraak: 26 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI.
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag 1] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M.C.M.E. Schijvenaars te Vlissingen,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI (via een Teams-verbinding).
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 19 maart 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 19 maart 2025 en tot 19 maart 2026. Tevens is een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 19 maart 2025 en tot
19 maart 2026.
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 11 december 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin verleend, te weten bij de oma vaderszijde (vz), en aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 11 december 2025 en tot 19 maart 2026. Tevens is bepaald dat de machtiging tot uithuisplaatsing in een netwerkpleeggezin, te weten bij de oma vz, vervalt met ingang van de datum dat de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder ten uitvoer wordt gelegd. Op grond van deze beschikking verblijft [minderjarige] op dit moment in een netwerkpleeggezin, namelijk bij de oma vaderszijde.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen tot aan de meerderjarigheid van [minderjarige] , te weten tot [geboortedag 1] 2027. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin, te weten bij oma vaderszijde, te verlengen tot aan de meerderjarigheid van [minderjarige] en aansluitend de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen tot aan de meerderjarigheid van [minderjarige] . De GI verzoekt tot slot de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
In het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] aangegeven dat het redelijk goed met haar gaat. Ze woont momenteel bij haar oma, met wie het minder goed gaat. Ze vindt het leuk om binnenkort naar de nieuwe groep te gaan. De uiteindelijke wens van [minderjarige] is om naar begeleid wonen te gaan en een eigen plekje te krijgen. Met haar ouders heeft [minderjarige] wisselend contact. Dat is moeilijk, maar ook normaal geworden. [minderjarige] geeft aan de voorkeur te hebben voor een reguliere school en opleiding. Graag zou ze de kans hiervoor krijgen. Haar schoolcoach, [persoon] , is vanwege verlof vervangen door een andere medewerker. [minderjarige] heeft moeite met deze nieuwe schoolcoach. [minderjarige] heeft daarentegen wel fijn kennis gemaakt met de nieuwe jeugdbeschermer.
4.2.
De GI handhaaft het verzoek en verwijst ter onderbouwing naar het verzoekschrift van 23 januari 2026. Vanaf 10 maart 2026 kan [minderjarige] terecht bij de nieuwe locatie van [accommodatie] in Middelburg. Op deze plek kan ook een verlenging van de jeugdwet plaatsvinden. [accommodatie] is een goede plek om toe te groeien naar een eigen plek, hetgeen [minderjarige] wil. De verlenging van de uithuisplaatsing is noodzakelijk om de plaatsing bij [accommodatie] te formaliseren. De verlenging van de ondertoezichtstelling is nodig om [minderjarige] de begeleiding te bieden die nodig is om haar een goede basis te geven voor na haar achttiende verjaardag. Het lukt [minderjarige] op dit moment niet om naar school te gaan. Daar heeft de GI zorgen over. Tot slot heeft de vader bij de GI aangegeven het eens te zijn met de verzoeken.
4.3.
Door en namens de moeder wordt aangevoerd dat de moeder achter de verzoeken staat. De moeder hoopt dat [minderjarige] de stappen gaat zetten die nodig zijn en dat ze ook tot na haar meerderjarigheid begeleid kan worden.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.4.
De kinderrechter ziet dat [minderjarige] positieve ontwikkelingen doormaakt. [minderjarige] laat inzicht zien in het eigen gedrag en benoemd geleerd te hebben van haar gedrag in het verleden. Ze geeft aan dit in de toekomst anders te willen doen en gemotiveerd te zijn om te werken naar zelfstandigheid.
5.5.
Tegelijkertijd is het de kinderrechter gebleken dat de zorgen nog niet zijn weggenomen. Op dit moment gaat [minderjarige] niet naar school en is er nog geen passende dagbesteding voor haar gevonden. Momenteel woont [minderjarige] bij haar oma. Haar oma is ernstig ziek en [minderjarige] verzorgt haar. Deze situatie is voor [minderjarige] , gezien haar leeftijd, niet passend. Het is immers van belang dat [minderjarige] toekomt aan haar eigen ontwikkelingstaken.
5.6.
De kinderrechter oordeelt daarnaast dat er op dit moment nog geen overdracht naar het vrijwillig kader kan plaatsvinden. Het gedwongen kader is nodig om de belangrijke aspecten rondom de meerderjarigheid van [minderjarige] , zoals school, dagbesteding en een vervolgplek, tot stand te laten komen. De GI kan deze processen de komende periode verder vormgeven en sturing geven aan de vervolgstappen die in het belang van [minderjarige] zijn. Op deze manier kan [minderjarige] zich ontwikkelen tot een zelfstandige volwassene.
5.7.
De ondertoezichtstelling is, gelet op het voorgaande, nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot aan meerderjarigheid, te weten tot [geboortedag 1] 2027.
5.8.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] De kinderrechter stelt dat de plaatsing bij de oma vaderszijde tijdelijk is en dat er gezocht dient te worden naar een passende vervolgplek. Gezien de gezondheid van de oma, is het voor [minderjarige] noodzakelijk dat er een andere plek wordt gevonden. Een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder zoals [accommodatie] is geschikt, omdat [minderjarige] hier de passende begeleiding kan krijgen. Een thuisplaatsing bij de ouders is niet mogelijk. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin, te weten bij oma vaderszijde, verlengen tot 10 maart 2026. Aansluitend zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlenen met ingang van 10 maart 2026 en tot aan meerderjarigheid, te weten tot [geboortedag 1] 2027.
5.9.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.10.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot aan haar meerderjarigheid, te weten tot [geboortedag 1] 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin, te weten bij oma vaderszijde, tot 10 maart 2026;
6.3.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 10 maart 2026 en tot aan de meerderjarigheid, te weten tot [geboortedag 1] 2027;
6.4.
wijst het meer of anders verzochte af;
6.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van Casant als griffier, en op schrift gesteld op 12 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.