ECLI:NL:RBZWB:2026:2306

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
29 maart 2026
Zaaknummer
C/02/429139 / FA RK 24-5530
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
Verwijzingen
1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herstelbeschikking provisionele voorziening zorgregeling minderjarige

In deze zaak heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 26 februari 2026 een herstelbeschikking gegeven ter verbetering van een eerdere beschikking van 24 januari 2025 betreffende een provisionele voorziening inzake de zorgregeling voor een minderjarige.

De rechtbank constateerde dat in het dictum van de eerdere beschikking ten onrechte was opgenomen dat de Raad voor de Kinderbescherming werd verzocht te rapporteren en adviseren, en dat verdere beslissingen werden aangehouden. Dit was niet de bedoeling; de Raad zou rapporteren ten behoeve van de bodemprocedure en het provisionele verzoek zou worden afgedaan met vaststelling van de voorlopige zorgregeling en afwijzing van het meer of anders verzochte.

Partijen, vertegenwoordigd door hun advocaten, stemden in met het opstellen van een herstelbeschikking waarin het dictum werd aangepast conform de bedoelingen. De rechtbank wijzigde het dictum zodanig dat de Raad wordt verzocht te rapporteren ten behoeve van de bodemprocedure en het meer of anders verzochte wordt afgewezen. Hiermee is de zaak afgedaan.

De uitspraak werd in het openbaar gedaan door rechter Dijkman in aanwezigheid van de griffier.

Uitkomst: Het dictum van de eerdere beschikking is hersteld en het meer of anders verzochte is afgewezen, waarmee de zaak is afgedaan.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/429139 / FA RK 24-5530
datum uitspraak: 26 februari 2026
herstelbeschikking ter verbetering van de beschikking betreffende een provisionele voorziening van 24 januari 2025
in de zaak van
[de vrouw],
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat: mr. P.C. van der Kuijl in Middelburg,
tegen
[de man],
hierna: de man,
wonende in [woonplaats 2],
advocaat: mr. R. Wouters in Middelburg,
over de minderjarige:
-
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2012, hierna: [minderjarige].
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- de beschikking van deze rechtbank van 24 januari 2025 en alle daarin genoemde stukken;
- het bericht van mr. Van der Kuijl van 2 december 2025;
- het op 22 december 2025 door mr. Wouters ingediende F9-formulier;
- het bericht van mr. Van der Kuijl van 20 januari 2026;
- het op 2 februari 2026 door mr. Wouters ingediende F9-formulier.

2.De beoordeling

2.1
De rechtbank heeft op 14 januari 2026 geconstateerd dat er in het dictum van de beschikking van 24 januari 2025 ten onrechte is opgenomen dat aan de Raad wordt verzocht te rapporteren en adviseren in deze zaak en dat iedere verdere beslissing op de verzoeken wordt aangehouden. Zoals ook op zitting destijds is besproken (en in de overwegingen van de beschikking ook is opgenomen), was het de bedoeling dat de Raad zou rapporteren ten behoeve van de bodemprocedure en zou het provisionele verzoek met de vaststelling van de overeengekomen voorlopige zorgregeling en het onderzoeksverzoek aan de Raad met afwijzing van het meer of anders verzochte worden afgedaan. Inmiddels heeft de Raad zijn onderzoek verricht en is dit onderzoek besproken tijdens de zitting ten behoeve van de bodemprocedure. De rechtbank heeft partijen verzocht of zij akkoord zijn met een herstelbeschikking waarin in het onderhavige provisionele verzoek het dictum wordt verbeterd in vorenvermelde zin en de zaak daarmee is afgedaan.
2.2
Op 20 januari 2026 heeft mr. Van der Kuijl de rechtbank namens de vrouw laten weten dat zij akkoord gaat met het opstellen van een herstelbeschikking in vorenvermelde zin.
2.3
Op 2 februari 2026 heeft ook mr. Wouters aan de rechtbank laten weten dat de man instemt met het opstellen van een herstelbeschikking zodat de zaak daarmee wordt afgedaan.
2.4
De rechtbank beslist dan ook als volgt.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1
verbetert voormelde beschikking in dier voege dat het dictum wordt gewijzigd van:
“5.1 bepaalt dat als
voorlopigezorgregeling geldt de zorgregeling zoals opgenomen in rechtsoverweging 4.9;
5.2
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3
verzoekt de Raad om onderzoek te doen naar de vragen vermeld onder rechtsoverweging 4.7 en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport uiterlijk twee weken voor de nadere mondelinge behandeling in juli 2025 bij de rechtbank dient te worden ingediend, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen;
5.4
houdt iedere verdere beslissing op de verzoeken aan tot een nader te bepalen zittingsdatum in
juli 2025.
naar
“5.1 bepaalt dat als
voorlopigezorgregeling geldt de zorgregeling zoals opgenomen in rechtsoverweging 4.9;
5.2
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3
verzoekt de Raad om ten behoeve van de bodemprocedure onderzoek te doen naar de vragen vermeld onder rechtsoverweging 4.7 en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport uiterlijk twee weken voor de nader te plannen mondelinge behandeling in juli 2025 bij de rechtbank dient te worden ingediend in de bodemprocedure, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen;
5.4
wijst het meer of anders verzochte af.”
Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026 in aanwezigheid van drs. Swint, griffier.