ECLI:NL:RBZWB:2026:2304

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
28 maart 2026
Zaaknummer
C/02/441227 / FA RK 25-5485
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Bogaert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanwijzing hulpverlening en aanhouding beslissing gezag minderjarigen na scheiding ouders

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek van de vrouw om het ouderlijk gezag over twee minderjarigen aan haar alleen toe te wijzen. De ouders zijn gescheiden en hebben gezamenlijk gezag. De vrouw trok tijdens de zitting enkele verzoeken in, waaronder toestemming voor aanmelding bij het Centrum voor Jeugd en Gezin en reizen met de kinderen.

Partijen ervaren communicatieproblemen, mede doordat de man in Portugal woont. De rechtbank constateert dat zij er samen niet in slagen de problemen op te lossen en verwijst hen en de minderjarigen naar een (jeugd)hulpverleningstraject via het Uniform Hulpaanbod. De resultaten van dit traject moeten inzicht geven in de gevolgen van de scheiding en de betrokkenheid van de ouders bij de kinderen verbeteren.

De rechtbank houdt de beslissing over het gezag aan voor zes maanden, met de mogelijkheid tot verlenging, en verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming om een onderzoek te verrichten indien het hulpverleningstraject niet leidt tot een positief resultaat. De rapportage van het traject moet uiterlijk 11 september 2026 worden ingediend. Partijen zijn geïnformeerd over privacyaspecten en hebben ingestemd met de verwijzing.

Uitkomst: De rechtbank wijst verzoeken tot wijziging gezag af en verwijst partijen naar een hulpverleningstraject, met aanhouding beslissing gezag voor zes maanden.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/441227 / FA RK 25-5485
datum uitspraak: 25 februari 2026
beschikking over gezag
in de zaak van
[de vrouw],
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. A.C.M. den Ridder-van der Meijden in Raamsdonksveer,
tegen
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [woonplaats 2] , Portugal,
advocaat: mr. A.C. van ‘t Hek in Dordrecht,
over de minderjarigen:
-
[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2011, hierna: [minderjarige 1] ,
-
[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2014, hierna: [minderjarige 2] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 24 oktober 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
- de op 28 oktober 2025 ontvangen afschriften uit het geboorteregister van de minderjarigen;
- het op 2 februari 2026 ontvangen verweerschrift met bijlagen;
- de op 5 februari 2026 van mr. Den Ridder-van der Meijden ontvangen stukken;
- de uittreksels uit het gezagsregister over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
1.2
Het verzoek is op zitting behandeld op 11 februari 2026. Bij die behandeling zijn gekomen partijen (de man via Teams), met hun advocaten. Ook was er een vertegenwoordigster aanwezig namens de Raad.
1.3
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat zij hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1
Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van 16 december 2014 is de echtscheiding uitgesproken en deze beschikking is op 18 december 2014 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand die daarvoor zijn bedoeld.
2.2
Tijdens het huwelijk van partijen zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.
2.3
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de vrouw.
2.3
Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
2.4
In het op 1 december 2014 ondertekende ouderschapsplan zijn partijen overeengekomen dat de minderjarigen:
- om het weekend van vrijdagavond tot zondagavond bij de man verblijven.
De vakanties worden als volgt onder de ouders verdeeld;
Herfstvakantie: bij de vrouw
Kerstvakantie: bij de man
Voorjaarsvakantie: bij de vrouw
Meivakantie: bij de vrouw
Zomervakantie: 3 weken bij de vrouw en 3 weken bij de man
Oud en Nieuw: in overleg
Pasen: bij de vrouw
Koningsdag: bij de vrouw
Hemelvaart: bij de vrouw
Pinksteren: bij de vrouw
Kerstmis: Eerste Kerstdag bij de vrouw/Tweede Kerstdag bij de man
Vaderdag: bij de man
Moederdag: bij de vrouw
Verjaardag kind: bij de vrouw/man
Verjaardag man/vrouw: bij degene wie jarig is.

3.Het verzoek en de standpunten

3.1
De vrouw verzoekt:
I. te bepalen dat het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan haar alleen toekomt en de gewijzigde gezagsvoorziening aan te tekenen in het gezagsregister;
II. vervangende toestemming te verlenen aan de vrouw voor de aanmelding van [minderjarige 2] bij het Centrum voor Jeugd en Gezin en de door het CJG noodzakelijk geachte behandeling;
III. vervangende toestemming te verlenen aan de vrouw om [minderjarige 2] aan te melden en in
te schrijven op het [school] in [woonplaats 1] ;
IV. vervangende toestemming te verlenen aan de vrouw in plaats van de man voor alle
uitstapjes naar het buitenland met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] én vakanties binnen en buiten
Europa tijdens de schoolvakanties van de kinderen in de komende drie jaren, waarbij
het verblijf gedurende vakanties nooit langer duurt dan drie weken en de moeder op
het eerste verzoek van de vader de verblijfsgegevens zal delen;
V. althans een zodanig beslissing te nemen als de rechtbank in het belang van [minderjarige 1] en
[minderjarige 2] wenselijk voorkomt.
De vrouw heeft haar verzoek tijdens de zitting in die zin gewijzigd, dat zij de verzoeken onder II., III., en IV. heeft ingetrokken omdat de man daarvoor inmiddels toestemming heeft verleend.
3.2
De vrouw heeft het verzoek ingediend, op het moment dat er geen communicatie meer was tussen partijen. Zij hoopt dat partijen in het kader van het Uniform Hulpaanbod kunnen gaan werken aan het weer samen ouders zijn voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zij beseft dat zij de minderjarigen meer los moet laten. De man zal op zijn beurt een meer actieve rol in het leven van de minderjarigen moeten gaan innemen. Volgens de vrouw staan de minderjarigen op dit moment te veel tussen partijen in. De vrouw heeft [minderjarige 2] met instemming van de man al aangemeld bij het CJG. Zij zal samen met de man ook [minderjarige 1] bij het CJG aanmelden voor hulpverlening. De vrouw staat achter de benoeming van een bijzondere curator maar is ook bang dat de minderjarigen hierdoor overvraagd zouden worden.
3.3
Net als de vrouw wil ook de man werken aan de oudercommunicatie. Hij heeft al toestemming verleend voor aanmelding van [minderjarige 2] bij het CJG, op het [school] en voor een reisje van de vrouw met de minderjarigen naar [plaats] . De man zou graag zien dat de vrouw hem meer betrekt bij de beslissingen die over de minderjarigen genomen moeten worden. Hij heeft er grote moeite mee, dat hij wordt gevraagd om een blanco instemmingsformulier te tekenen. De man wil graag duidelijkheid over waar hij precies mee instemt, al heeft hij wel vertrouwen in de beslissingen die de vrouw over de minderjarigen neemt. Hij vraagt alleen erkenning voor zijn rol als ouder van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ook wil de man graag duidelijkheid over wanneer de minderjarigen bij hem zijn in de schoolvakanties. Hij is bereid om de vluchtgegevens vooraf met de vrouw te delen. De man zou zich kunnen vinden in het benoemen van een bijzondere curator.
3.4
De Raad complimenteert partijen voor hun inzet om tot elkaar te komen. De Raad kan een traject via het Uniform Hulpaanbod alleen maar toejuichen. In dat kader kan aan de minderjarigen ook een kindbehartiger worden toegewezen. De Raad zou, gelet hierop, niet ook nog een bijzondere curator benoemen, opdat de minderjarigen niet te veel worden belast. De Raad adviseert partijen om ook [minderjarige 1] via het CJG aan te melden voor hulpverlening, zodat die alvast gaat lopen. De ervaring leert dat hulp vanuit het Uniform Hulpaanbod niet meteen beschikbaar is. De Raad adviseert om het verzoek van de vrouw onder 1. aan te houden. Dit is dan meteen de onderzoeksvraag voor de Raad, mocht het traject via het Uniform Hulpaanbod mislukken. De Raad geeft partijen mee om elkaar handreikingen te doen en elkaar bij de voornaam te blijven aanspreken. Hiermee wordt een verdere verwijdering tussen partijen voorkomen. De Raad adviseert partijen verder om in onderling overleg een verdeling van de vakanties af te spreken zodat daarover duidelijkheid is bij partijen en bij de minderjarigen.

4.De beoordeling

4.1
De rechtbank stelt vast dat de vrouw de verzoeken onder II., III. en IV. heeft ingetrokken. Haar belang bij een inhoudelijke beoordeling van die verzoeken is daarmee vervallen. De rechtbank wijst deze verzoeken dan ook af.
4.2
De problematiek van de partijen omvat het volgende: Partijen hebben moeite om met elkaar over de minderjarigen te communiceren. Dit wordt verder bemoeilijkt omdat de man in Portugal woont.
4.3
Het lukt partijen samen niet om de problemen tussen hen op te lossen. De rechtbank vindt het, net als de Raad, daarom nodig dat er voor deze partijen en hun minderjarige kinderen een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Partijen hebben tijdens de zitting ermee ingestemd dat de rechtbank hen en hun minderjarige kinderen voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. De verwijzing heeft op 11 februari 2026 plaatsgevonden met het versturen van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat partijen met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
4.4
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan partijen, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de partijen hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind; - het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
4.5
Gebleken is dat partijen daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de kinderrechter na overleg met de partijen besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de gezagdragende partijen zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van de kinderen; (keuze: lichte interventie);
- de kinderen en de gezagdragende partijen hebben onbelast contact met elkaar;
- de nieuwe gezinssituaties zorgen gezamenlijk voor een goede basis voor de ontwikkeling van de kinderen.
De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd (bijlage 1).
4.6
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA- rapportage uiterlijk op 11 september 2026 Pro Forma, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.
4.7
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een nadere zitting nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot het de minderjarigen.
4.8
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
4.9
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie maar op grond van de UHA-rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid om zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
4.1
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en om daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vraag:
Bestaat er, als de ouders samen het gezag houden, een onacceptabel risico dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erg klem komen te zitten tussen partijen en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd voldoende zal verbeteren of is het om een andere reden in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om af te wijken van het uitgangspunt in de wet dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?
4.11
Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of als dit niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
4.12
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid om op de rapportage van de Raad te reageren en om zich uit te laten over het verdere procesverloop.
4.13
Partijen zijn tijdens de zitting geïnformeerd over de privacy-aspecten van de doorverwijzing (bijlage 2). Zij hebben met het delen van de privacygegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt, ingestemd.
4.14
Omdat partijen en hun kinderen in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject beslist de rechtbank nu niet op het verzoek met betrekking tot het gezag maar houdt zij de beslissing daarover voor de duur van zes maanden aan. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1
wijst de verzoeken van de vrouw onder II., III. en IV. af;
5.2
verwijst partijen en de minderjarigen voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. Het loket zal partijen en de minderjarigen vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarigen verwijzen naar de zorgaanbieder;
5.3
verzoekt het loket om uiterlijk op 11 september 2026 Pro Forma, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA-rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
5.4
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
5.5
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA-rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
5.6
verzoekt de Raad, regio Zeeland, West- en Midden-Brabant, locatie Breda wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in r.o. 4.9 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
5.7
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;
5.8
houdt aan de beslissing op het verzoek met betrekking tot het gezag.
Deze beschikking is gegeven door mr. Bogaert, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026 in aanwezigheid van Joosen, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.