ECLI:NL:RBZWB:2026:2278

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
BRE 25/6516
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 9.5 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens niet betalen griffierecht bij belastingrente

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de belastingrente die in rekening is gebracht bij de voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2024. De rechtbank beoordeelt dit beroep op niet-ontvankelijkheid omdat het griffierecht van €53,- niet is betaald binnen de gestelde termijn.

De griffier heeft belanghebbende tweemaal schriftelijk gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht, met een termijn van vier weken. De tweede brief is aangetekend verzonden en door belanghebbende ontvangen. Desondanks is het griffierecht niet voldaan en is geen verontschuldiging voor het verzuim gegeven.

De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk en beoordeelt het niet inhoudelijk. Omdat het beroepschrift tevens een bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om herziening bevat, draagt de rechtbank de inspecteur op dit beroepschrift als bezwaar in behandeling te nemen. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht en het beroepschrift wordt als bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om herziening in behandeling genomen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/6516

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 27 november 2025. Het beroep ziet op de belastingrente die in rekening is gebracht bij de voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2024 met [aanslagnummer] H.40.03.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Voor zover belanghebbende opkomt tegen de beslissing van de inspecteur om de belastingrente niet te herzien, draagt de rechtbank de inspecteur op om het beroepschrift in behandeling te nemen als bezwaarschrift.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het griffierecht niet is betaald en het niet betalen niet verontschuldigbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Iemand die beroep instelt, moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41 van Pro de Awb. In een zaak als deze is het griffierecht € 53,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Het hele bedrag moet binnen die termijn zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dan zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. Dat betekent dat er een goede reden moet zijn waarom het griffierecht niet (tijdig) is betaald.
Heeft belanghebbende het griffierecht tijdig betaald?
4. De griffier heeft belanghebbende bij brief van 20 december 2025 gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en meegedeeld dat dit binnen vier weken moet zijn voldaan. De griffier heeft vervolgens bij aangetekend verzonden brief van 19 januari 2026 belanghebbende nogmaals in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen vier weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 21 januari 2026 om 11:07 uur is bezorgd en dat voor ontvangst is getekend.
5. Belanghebbende heeft het griffierecht niet op tijd betaald.
Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?
6. Belanghebbende heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
Beslissing op het verzoek om herziening
7. De rechtbank constateert dat de inspecteur in de uitspraak op bezwaar het verzoek van belanghebbende ook heeft aangemerkt als verzoek om herziening en dit verzoek heeft afgewezen. In dat geval staat tegen die afwijzing bezwaar open. [1] Aangezien de gronden van belanghebbende zien op de afwijzing van het verzoek om herziening, merkt de rechtbank het beroepschrift in zoverre aan als bezwaarschrift. De rechtbank zal de inspecteur opdragen om dit bezwaar te beoordelen. Omdat de inspecteur al over het beroepschrift beschikt, zal de rechtbank het beroepschrift niet nogmaals doorzenden.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. De rechtbank draagt de inspecteur op om het beroepschrift als bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om herziening in behandeling te nemen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- draagt de inspecteur op om het beroepschrift als bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om herziening in behandeling te nemen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
R.P.A.G. Dekkers, griffier, op 27 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 9.5, tweede lid, van de Wet IB 2001.