ECLI:NL:RBZWB:2026:2273

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
BRE 25/6461
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:5 AwbInvorderingswet 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet betalen griffierecht en onbevoegdheid rechtbank inzake kwijtscheldingsverzoek

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de aanslagen onroerende zaakbelastingen en rioolheffing over 2025 voor een onroerend goed. De rechtbank beoordeelt dit beroep zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb Pro.

De rechtbank stelt vast dat het griffierecht van €385,- niet tijdig is betaald, ondanks meerdere aanmaningen en een aangetekende brief die door belanghebbende is ontvangen. Er is geen verontschuldiging voor het niet betalen gegeven, waardoor het beroep tegen de aanslagen kennelijk niet-ontvankelijk is.

Daarnaast heeft belanghebbende een verzoek om kwijtschelding van de aanslagen gedaan. De rechtbank is echter onbevoegd om over dit verzoek te oordelen, omdat dit onder de Invorderingswet 1990 valt en niet onder het bestuursrecht.

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het ziet op de aanslagen en onbevoegd voor zover het ziet op het kwijtscheldingsverzoek. Het bestreden besluit blijft daarmee in stand. Partijen worden gewezen op de mogelijkheid tot verzet binnen zes weken na bekendmaking van deze uitspraak.

Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk wegens niet betalen van het griffierecht en de rechtbank is onbevoegd voor het kwijtscheldingsverzoek.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/6461

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2027 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende dat digitaal is ontvangen op 16 december 2025. Het beroep ziet op de aanslagen onroerende zaakbelastingen en rioolheffing over het jaar 2025 voor het object [adres] te [plaats] met [aanslagnummer] .
1.1.
Het beroep tegen de aanslagen is kennelijk niet-ontvankelijk en de rechtbank is kennelijk onbevoegd om te oordelen over het verzoek om kwijtschelding. Daarom doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep tegen de aanslagen kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het griffierecht niet is betaald en het niet betalen niet verontschuldigbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Iemand die beroep instelt, moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41 van Pro de Awb. In een zaak als deze is het griffierecht € 385,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Het hele bedrag moet binnen die termijn zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dan zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. Dat betekent dat er een goede reden moet zijn waarom het griffierecht niet (tijdig) is betaald.
Heeft belanghebbende het griffierecht tijdig betaald?
4. De griffier heeft belanghebbende bij brief van 18 december 2025 gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en meegedeeld dat dit binnen vier weken moet zijn voldaan. De griffier heeft vervolgens bij aangetekend verzonden brief van 16 januari 2026 belanghebbende nogmaals in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen vier weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 22 januari 2026 om 17:20 uur is afgehaald en dat voor ontvangst is getekend.
5. Belanghebbende heeft het griffierecht niet op tijd betaald.
Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?
6. Belanghebbende heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.
De rechtbank is onbevoegd te oordelen over het kwijtscheldingsverzoek
7. In het beroepschrift van belanghebbende is tevens verzocht om kwijtschelding van de aanslagen. De bestuursrechter is als uitgangspunt niet bevoegd te oordelen over beslissingen genomen op grond van de Invorderingswet 1990. [1] Voor zover het beroep ziet op het kwijtscheldingsverzoek verklaart de rechtbank zich in zoverre kennelijk onbevoegd.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk voor zover deze ziet op de aanslagen. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. De rechtbank is onbevoegd voor zover het beroep ziet op het verzoek om kwijtschelding. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het beroep ziet op de aanslagen onroerende zaakbelastingen en rioolheffing 2025;
  • verklaart zich onbevoegd voor zover het beroep ziet op het kwijtscheldingsverzoek.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
R.P.A.G. Dekkers, griffier, op 27 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:5 van Pro de Awb en artikel 1 van Pro de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak die behoort bij de Awb. In dat artikel 1 wordt Pro de Invorderingswet 1990 genoemd.