Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verloop van de procedure
2.De feiten
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2021 te [geboorteplaats] .
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2022 te [geboorteplaats] .
per zes weken onder begeleiding van een professionele instantie;
[minderjarige 2] en [minderjarige 1] en de vader in handen van de GI ligt.
3.De verzoeken
4.De standpunten
lijktvoor de minderjarigen. Er is echter nog steeds geen wetenschappelijk bewijs waaruit blijkt dat het gedrag dat de minderjarigen rondom de omgangsmomenten vertonen, wordt veroorzaakt door het contact met de ouders, en zo ja, welke. Volgens de vader kan daarom niet worden uitgesloten dat dit gedrag wordt veroorzaakt door een te lage frequentie in het contact. De afgelopen tijd is het contact tussen de vader en de minderjarigen steeds verder ingeperkt dan wel verminderd, en het gedrag van de minderjarigen is hierdoor niet verbeterd. Het contact tussen de vader en de minderjarigen verloopt bovendien erg goed, zoals de GI ook aangeeft, en de minderjarigen vertonen tijdens de omgang juist helemaal geen zorgelijk gedrag. Beide minderjarigen zijn daarnaast belast met hechtingsproblematiek, terwijl er niet wordt ingezet op het behoud en het versterken van de hechting tussen de minderjarigen en de ouders. Dit vindt de vader kwalijk, te meer nu hij tot nu toe de enige stabiele factor in het leven van de minderjarigen is geweest. Volgens de vader is het verder verlagen van de frequentie van het contact dan ook niet in het belang van de minderjarigen en juist schadelijk voor hen. Hij is ook bang dat de minderjarigen zich steeds verder van hem zullen vervreemden, zoals bij de opa en oma vaderszijde al gaande is. Daarom verzoekt hij de rechtbank bij wijze van voorwaardelijk zelfstandig verzoek de omgangsregeling te wijzigen, in die zin dat er voortaan eens per week contact plaatsvindt tussen de vader en de minderjarigen conform de beschikking van 14 augustus 2024. Aangezien de GI structureel te weinig prioriteit toekent aan het contact tussen de minderjarigen en de vader en het contact meermaals op het laatst moment heeft geannuleerd waardoor er inmiddels al elf weken geen contact is geweest, ziet de vader zich tevens genoodzaakt de rechtbank te verzoeken een dwangsom te verbinden aan de niet-nakoming van de omgangsregeling die het Hof heeft bepaald voor het geval de GI niet-ontvankelijk wordt verklaard in het verzoek of die de rechtbank zal vaststellen als de GI wel ontvankelijk wordt verklaard. Bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom dient rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat de GI een organisatie is en dat de dwangsom van dien aard dient te zijn dat de GI niet in de verleiding kan komen om de omgangsregeling opnieuw naast zich neer te leggen. De vader maakt zich tot slot veel zorgen over dat intensieve behandeling die de minderjarigen op dit moment krijgen, te zwaar en heftig voor hen is.
5.De beoordeling
6.De beslissing
- [minderjarige 2] en [minderjarige 1] en de vader recht hebben op begeleide omgang met elkaar eenmaal per acht weken onder begeleiding van een professionele instantie;
- de regie over een eventuele uitbreiding van de omgangsmomenten tussen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] en de vader in handen van de GI ligt.
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.