Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2244

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
26/931, 26/1019 en 26/1616
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:82 AwbArt. 8:41 AwbArt. 54 lid 4 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoeken voorlopige voorziening wegens niet betalen griffierecht

Verzoekers hebben drie verzoeken om voorlopige voorziening ingediend tegen besluiten van het dagelijks bestuur van Samenwerking De Bevelanden, waaronder het opschorten en intrekken van bijstandsuitkeringen. Zij vroegen tevens om vrijstelling van betaling van het griffierecht.

De voorzieningenrechter heeft verzoekers meerdere malen de gelegenheid gegeven om de benodigde stukken, waaronder bankafschriften, te overleggen om hun verzoek tot vrijstelling te onderbouwen. Uit de overgelegde stukken bleek dat verzoekers niet voldeden aan de inkomensvoorwaarden voor vrijstelling van het griffierecht.

Ondanks de waarschuwing om het griffierecht te betalen, is dit niet binnen de gestelde termijn gebeurd. Daarom verklaart de voorzieningenrechter de verzoeken niet-ontvankelijk, waardoor niet is toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling van de voorlopige voorzieningen.

De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter M. Snoeks op 26 maart 2026 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: De verzoeken om voorlopige voorziening worden niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 26/931, 26/1019 en 26/1616 PW

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 maart 2026 in de zaak tussen

de Zeeuwse Stichting voor Beheer en Bewindvoering in de hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van
[verzoeker] (verzoeker) en [verzoekster] (verzoekster), uit [plaats] , tezamen verzoekers
(gemachtigde: mr. C. Bozbiyik),
en
het dagelijks bestuur van Samenwerking De Bevelanden(De Bevelanden), verweerder.

Procesverloop

Verzoekers hebben op 13 februari 2026 bezwaar gemaakt tegen een brief van 27 januari 2026 waarin De Bevelanden hen heeft verzocht om voor 30 januari 2026 stukken te overleggen. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (geregistreerd onder zaaknummer 26/931 PW). Op 4 maart 2026 hebben verzoekers het verzoek ingetrokken, onder het gelijktijdige verzoek De Bevelanden te veroordelen in de proceskosten.
Verzoekers hebben op 18 februari 2026 bezwaar gemaakt tegen een besluit van 12 februari 2026 waarin de Bevelanden heeft besloten hun uitkering per 1 januari 2026 op te schorten. Ook in dat kader hebben zij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (geregistreerd onder zaaknummer 26/1019 PW).
Op 10 maart 2026 hebben verzoekers bezwaar gemaakt tegen een besluit van 4 maart 2026 waarin de Bevelanden hun recht op bijstand met ingang van 19 februari 2026 heeft ingetrokken op grond van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet. Ook in dit kader hebben zij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (geregistreerd onder zaaknummer 26/1616 PW).
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken geregistreerd onder de nummers 26/1019 en 26/1616 PW op 13 maart 2026 gelijktijdig op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekers en namens de Bevelanden [naam 1] en [naam 2] . Ter zitting is het onderzoek geschorst om verzoeker in de gelegenheid te stellen om aanvullende stukken te overleggen. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek op 24 maart 2026 gesloten.

Overwegingen

1. In de Awb [1] is de verplichting opgenomen tot betaling van het griffierecht. Dit vloeit voort uit artikel 8:82 van Pro de Awb, in samenhang met artikel 8:41 van Pro de Awb.
2. Verzoekers hebben in het kader van de verzoeken met zaaknummers 26/931 en 26/1019 PW op 25 februari 2026 een verzoek tot vrijstelling van betaling van het griffierecht ingediend. Hierna is het verzoek geregistreerd onder zaaknummer 26/1616 PW gevolgd. Het verzoek tot vrijstelling van betaling van het griffierecht geldt ook voor die zaak.
3. In een brief van 12 maart 2026 heeft de voorzieningenrechter het verzoek tot vrijstelling van betaling van het griffierecht voorlopig afgewezen, omdat de noodzakelijke stukken om de verzoeken te kunnen beoordelen niet zijn overgelegd. De bewindvoerder van verzoekers heeft diezelfde dag per e-mail laten weten dat verzoeker geen toegang meer heeft tot zijn bankrekeningen en dat de bewindvoerder zelf op korte termijn ook geen handelingen kan verrichten. Daarom heeft de voorzieningenrechter de zaken met zaaknummers 26/1019 en 26/1616 PW toch behandeld op de zitting van 13 maart 2026.
4. Ter zitting is afgesproken dat verzoekers een laatste termijn gegund wordt om een kopie van de laatste afschriften van hun bank- en spaarrekeningen te overleggen. Tevens heeft de voorzieningenrechter in overweging gegeven uiterlijk 20 maart 2026 griffierecht te betalen indien de gevraagde gegevens niet verstrekt kunnen worden dan wel indien verzoekers menen dat zij niet voldoen aan de voorwaarden voor vrijstelling van betaling van het griffierecht.
5. Op 16 en 17 maart 2026 hebben verzoekers een kopie van de laatste afschriften van hun bank- en spaarrekeningen overgelegd. De voorzieningenrechter stelt aan de hand van deze stukken vast dat verzoekers niet voldoen aan de voorwaarden voor vrijstelling van betaling van het griffierecht, zodat er geen reden is om terug te komen op de voorlopige afwijzing van dat verzoek. Uit deze stukken blijkt namelijk dat verzoekers op 23 januari 2026 hun bijstandsuitkering over de maand januari ter hoogte van € 1.729,32 hebben ontvangen. Ook hebben zij op 24 januari en 24 februari 2026 een bedrag van € 500,- bijgeschreven gekregen. De Bevelanden heeft op 5 maart 2026 de uitkering over de periode van 1 tot en met 18 februari 2026 ter hoogte van € 1.050,30 aan hen nabetaald. Vervolgens hebben verzoekers op 11 maart 2026 nogmaals € 500,- bijgeschreven gekregen. Hiermee is dan ook niet aangetoond dat hun netto-inkomen in de beoordelingsperiode niet meer bedroeg dan 95% van de alleenstaandennorm. De voorzieningenrechter constateert dat desondanks het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is ontvangen. De verzoeken zijn dan ook niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de verzoeken.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om De Bevelanden te veroordelen in de proceskosten en de verzoeken om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier, op 26 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.