Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2242

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
BRE 26/847
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:10aa Wet hersteloperatie toeslagenArt. 6:12 AwbArt. 7:10 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op bezwaar kinderopvangtoeslag

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2009 en 2011 tot en met 2014. Dit bezwaar is op 7 april 2021 ingediend en op 9 april 2021 ontvangen door verweerder, de Dienst Toeslagen. Verweerder had uiterlijk 2 juli 2021 moeten beslissen, maar heeft dit niet gedaan. Eiser stelde verweerder op 15 oktober 2025 in gebreke, waarna verweerder op 17 oktober 2025 de ingebrekestelling ontving.

De rechtbank sluit aan bij een recente lijn van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarbij een nadere beslistermijn van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn geldt. Omdat deze termijn inmiddels is verstreken, geldt nu een termijn van twee weken na verzending van deze uitspraak voor verweerder om alsnog te beslissen.

De rechtbank legt een dwangsom op van €250 per dag dat verweerder te laat is, met een maximum van €37.500. Daarnaast moet verweerder het griffierecht van €54 en proceskosten van €467 aan eiser vergoeden. Het beroep wordt gegrond verklaard en het niet tijdig nemen van een besluit wordt vernietigd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, legt een dwangsom op en bepaalt dat verweerder binnen twee weken alsnog moet beslissen op het bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/847

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M. van Tiel),
en

Dienst Toeslagen, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 7 april 2021 tegen de herbeoordeling van de situatie met betrekking tot de kinderopvangtoeslag over de jaren 2009 en 2011 tot en met 2014 van 26 februari 2021 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep kennelijk gegrond?
3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiser heeft het bezwaarschrift ingediend op
7 april 2021 en het is op 9 april 2021 door verweerder ontvangen. In dit geval geldt de volgende beslistermijn. [2] Verweerder moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf zes weken na de dag van verzending van het besluit
.Omdat er een adviescommissie is geldt er in dit geval een termijn van twaalf weken. Verweerder had dus in ieder geval uiterlijk op
2 juli 2021 moeten beslissen. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiser heeft verweerder op 15 oktober 2025 in gebreke gesteld en verweerder heeft de ingebrekestelling op 17 oktober 2025 ontvangen. Sindsdien zijn twee weken voorbijgegaan.
Welke beslistermijn wordt aan verweerder opgelegd?
4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.1.
In het verweerschrift verzoekt verweerder om bij het bepalen van de beslistermijn aan te sluiten bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 maart 2025. [3]
4.2.
De Afdeling heeft in de uitspraak van 26 maart 2025 een lijn uitgezet die geldt voor alle beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar door verweerder in het kader van de Wht. De rechtbank zal aansluiten bij die lijn. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze lijn naar de inhoud van die uitspraak. De nieuwe lijn komt erop neer dat in dergelijke beroepen voortaan een nadere beslistermijn wordt opgelegd van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op het bezwaar. Dit geldt ook in herhaalde beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar. Wanneer de termijn van 60 weken op het moment van verzending van de uitspraak over het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar is verstreken, dan sluit de rechtbank aan bij het wettelijke uitgangspunt. In dat geval geldt een nadere beslistermijn van twee weken na verzending van de uitspraak. Dit laatste is slechts anders als verweerder (in het verweerschrift) een zeer goede reden geeft en onderbouwt waarom een termijn van twee weken wegens bijzondere omstandigheden niet passend is.
4.3.
De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn op 2 juli 2021 is verstreken. De rechtbank stelt ook vast dat meer dan 60 weken zijn verstreken sinds het einde van de beslistermijn. Dit betekent dat verweerder binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak een besluit op bezwaar bekend moet maken. Er is geen aanleiding om in dit individuele geval een andere beslistermijn te bepalen.
Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 37.500,-.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, verweerder de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee verweerder de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,- ;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van
I. Ambachtsheer, griffier, op 26 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Dit staat in artikel 7:10 van Pro de Awb, en in geval van besluiten op of na 14 december 2024 in artikel 6:10aa van de Wet hersteloperatie toeslagen, en artikel 7:13 van Pro de Awb.