ECLI:NL:RBZWB:2026:2230

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444388 / KG ZA 26-36 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Van der Weide
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 36 lid 1 WmgArt. 1 onder 2 jo. artikel 2 lid 1 Wet op de economische delictenArtikel 4.1.1 PIFIArtikel 5.2.1 PIFI
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen tot verwijdering registraties in Incidenten- en Verwijzingsregister na fraudeonderzoek

CZ, een zorgverzekeraar, voerde een fraudeonderzoek uit naar zorgaanbieder [eiser] naar aanleiding van signalen over onrechtmatige declaraties en hoge betalingen. CZ registreerde [eiser] in het Interne en Externe Incidentenregister en Verwijzingsregister. [eiser] vorderde in kort geding verwijdering van deze registraties en stelde dat CZ onzorgvuldig en onrechtmatig handelde.

De voorzieningenrechter oordeelde dat [eiser] voldoende spoedeisend belang had omdat de registraties haar bedrijfsvoering belemmeren. De registratie is een verwerking van strafrechtelijke persoonsgegevens en moet voldoen aan de AVG en het PIFI-protocol. De rechter stelde vast dat er sprake is van gedragingen die een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld opleveren, mede door het ontbreken van administratie en het weigeren van medewerking aan het onderzoek.

De voorzieningenrechter verwierp het verweer van [eiser] dat het bewijsrecht van strafvorderlijke procedures van toepassing is en benadrukte het civielrechtelijke karakter van het kort geding. De belangenafweging wees uit dat de inbreuk op de belangen van [eiser] proportioneel en subsidiariteit in acht is genomen. Ook de overige registraties werden geacht rechtmatig te zijn.

De vorderingen werden afgewezen en [eiser] werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Het vonnis werd gewezen door mr. Van der Weide en uitgesproken op 25 maart 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen tot verwijdering van registraties af en veroordeelt [eiser] in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/444388 / KG ZA 26-36
Vonnis in kort geding van 25 maart 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. B.C. van Hees,
tegen
ONDERLINGE WAARBORGMAATSCHAPPIJ CZ GROEP U.A.,
te Tilburg,
gedaagde partij,
hierna te noemen: CZ,
advocaat: mr. B. van Mieghem.

1.De zaak in het kort

1.1.
CZ heeft naar aanleiding van een fraudeonderzoek de gegevens van [eiser] opgenomen in het Interne en Externe Incidentenregister en het Interne en Externe Verwijzingsregister. De vorderingen van [eiser] strekken ertoe om CZ te veroordelen deze registraties ongedaan te maken. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van [eiser] af. Deze beslissing wordt hierna toegelicht.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 10,
- de akte indiening producties 11 t/m 14 van de zijde van [eiser] ,
- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 18,
- de mondelinge behandeling van 11 maart 2026, waarvan door de griffier zittingsaantekeningen zijn gemaakt,
- de spreekaantekeningen van [eiser] ,
- de spreekaantekeningen van CZ.

3.De feiten

3.1.
CZ is een zorgverzekeraar.
3.2.
[eiser] is een zorgaanbieder. Zij is opgericht door de vennootschap naar Curaçaos recht [b.v.] en de stichting naar Curaçaos recht [stichting] . Beide entiteiten worden beheerd door een Curaçaose aanbieder van trustdiensten. [eiser] handelt ook onder de naam [handelsnaam] . [persoon] is bestuurder,enig aandeelhouder en de enige werkzame persoon van [eiser] .
3.3.
[eiser] biedt -middels [persoon] - zorg aan dhr. [naam] (hierna: [naam] ). [naam] heeft een zorgverzekering afgesloten bij CZ. Het betreft een zogenaamde restitutieverzekering, wat inhoudt dat [naam] vrij is in de keuze van zijn zorgverleners. [naam] kan de kosten die de zorgverlener bij hem in rekening brengt bij CZ declareren.
3.4.
Sinds 2016 heeft [naam] dagelijkse zorg nodig vanwege zijn medische situatie. [persoon] is bij [naam] gaan inwonen.
3.5.
[persoon] heeft op 6 maart 2024 bij haar arbeidsongeschiktheidsverzekeraar een arbeidsongeschiktheidsmelding gedaan. CZ heeft over de periode waarin [persoon] arbeidsongeschikt was, via haar verzekerde [naam] , declaraties voor door [eiser] geleverde zorg ontvangen.
3.6.
Op 16 juli 2024 heeft CZ een e-mail ontvangen van de gemeente Tilburg waarin melding werd gemaakt van een vermoeden van fraude door [eiser] . De gemeente heeft daarin bericht dat zij heeft geconstateerd dat er bij [eiser] zodanig hoge betalingen binnenkwamen dat het zeer onwaarschijnlijk is dat de zorgverlener al deze zorg alleen kan verlenen en dat de gemeente vermoedde dat de bestuurder ( [persoon] ) mogelijk onrechtmatig heeft gehandeld met zorggelden verstrekt door de gemeente Tilburg in het kader van de Wmo. De gemeente heeft van CZ informatie gevorderd over de omvang van de verleende zorg en de zorgverlener(s). Daarnaast heeft CZ via de Arbeidsinspectie een melding van de FIU (Financial Intelligence Unit Nederland) ontvangen over [eiser] . Uit deze melding bleek dat [eiser] grote bedragen heeft overgemaakt naar rekeningen op Curaçao (€ 166.000,00) en Zwitserland (€ 608.000,00)
3.7.
CZ heeft [persoon] op 30 juli 2024 bericht dat zij een fraudeonderzoek is gestart naar [handelsnaam] . Zij heeft daarbij aangegeven dat de aanleiding voor het onderzoek is dat er een signaal is binnengekomen dat er mogelijk onrechtmatige declaraties door haar zijn in-gediend en dat daarom door CZ een analyse is uitgevoerd naar de door [eiser] / [persoon] ingediende declaraties.
3.8.
CZ heeft [persoon] bij diverse keren uitgenodigd voor een persoonlijk gesprek in het kader van haar fraudeonderzoek. [persoon] heeft dat geweigerd. Op 20 augustus 2025 heeft (een medewerker van) CZ [persoon] via Teams gesproken. CZ heeft [persoon] de door haar gestelde vragen per mail toegestuurd. CZ heeft daarnaast ook aanvullende gegevens opgevraagd.
3.9.
Bij brief van 5 september 2024 heeft CZ aan [persoon] geschreven dat zij 28 vragen (inclusief meerdere subvragen) aan [persoon] heeft gesteld en dat veel vragen door haar niet zijn beantwoord en dat gevraagde informatie niet is aangeleverd. CZ heeft daarbij aangegeven dat het bij haar binnengekomen signaal waarin in de aankondigingsbrief van 30 juli 2024 wordt verwezen inhoudt dat de totaalsom aan uren zorg opvallend hoog is, wat de reden is dat zij vragen aan [persoon] stelt over onder andere het bedrijf [handelsnaam] , het aantal medewerkers, het aantal cliënten, de geleverde uren zorg en de inschrijving van [persoon] op het woonadres van [naam] . [persoon] is tot woensdag 11 september 2024 gelegenheid geboden om aan CZ de ontbrekende informatie te verschaffen en inhoudelijk op de brief te reageren.
3.10.
[persoon] heeft in reactie hierop te kennen gegeven, kort samengevat:
- dat zij alleen mee wil werken aan het fraudeonderzoek als dit via de mail plaatsvindt,
- dat zij zich afvraagt of het door CZ ontvangen signaal voldoende aanleiding was om over te mogen gaan tot een fraudeonderzoek en dat onduidelijk is wat het onderzoeks/controle-doel is,
- dat zij werkt met het Z+P+R,t-model en geen (uren)administratie heeft. De totaalsom van de zorg die wordt gefactureerd aan de CZ-verzekerde is 26,5 uur per week en alle eventuele zorguren die daarbuiten vallen zijn niet relevant voor het onderzoek omdat ze noch betrekking hebben op CZ, noch op de verzekerde en daardoor niet noodzakelijk en/of relevant zijn om te onderzoeken of de declaraties rechtmatig zijn.
- dat zij enkel verplicht is mee te werken aan het onderzoek voor zover dat betrekking heeft op de verzorging geleverd aan de verzekerde en dat de door CZ gestelde vragen veel verder gaan, zodat zij niet verplicht is die vragen -die buiten proportioneel en niet noodzakelijk zijn- te beantwoorden.
3.11.
CZ heeft in september 2024 de betaling van de door [naam] ingediende declaraties on hold gezet en zij heeft naar aanleiding van diens declaraties ook een fraudeonderzoek jegens [naam] gestart.
3.12.
CZ heeft [persoon] / [eiser] bij brief van 14 oktober 2024 geïnformeerd over haar bevindingen van het fraudeonderzoek waarin zij heeft toegelicht bepaalde informatie nodig te hebben. Zij heeft [persoon] in de gelegenheid heeft gesteld op de bevindingen te reageren. [persoon] heeft CZ hierop bij email van 28 oktober 2024 medegedeeld dat onrechtmatig informatie is gedeeld, dat zij niet langer bereid is mee te werken aan het onderzoek van CZ en dat zij niet zal reageren op aannames/bevindingen van CZ. Zij heeft CZ gesommeerd het onderzoek te beëindigen.
3.13.
Op 11 november 2024 heeft CZ [persoon] / [handelsnaam] op geïnformeerd over de uitkomst van het fraudeonderzoek. CZ heeft hierin zich daarin op het standpunt gesteld dat er sprake is van fraude. Zij heeft daarbij de volgende toelichting gegeven.
“Wij hebben vastgesteld dat [handelsnaam] valse declaraties heeft opgesteld. Sinds maart 2024 bent u volgens eigen zeggen volledig arbeidsongeschikt. Wij ontvingen via onze verzekerde declaraties oer de geleverde zorg, over de periode waarin u arbeidsongeschikt bent. Met deze declaraties schetst [handelsnaam] het beeld dat er zorg is geleverd. Gezien uw arbeidsongeschiktheid en onze onderzoeksbevindingen kan deze zorg niet geleverd zijn.
In onze brief van 24 oktober 2024 hebben wij u uitgebreid geïnformeerd over onze bevindingen. Wij hielden u o.a. voor dat u volgens onze informatie de enige zorgverlener bent, die namens [handelsnaam] zorg levert aan onze verzekerde. Wij stelden u in de gelegenheid om hierop te reageren. Wij vroegen u om uw reactie te onderbouwen met bewijs, als onze bevindingen onjuist zijn. wij ontvingen hierop uw reactie waarin u aangeeft niet te zullen meewerken aan het fraudeonderzoek, omdat volgens u door verschillende partijen onrechtmatig informatie is gedeeld. U hebt geen nieuwe informatie aangeleverd waaruit blijkt dat onze bevindingen onjuist zijn.
Bovenstaande reactie typeert uw houding tijdens het onderzoek. U hebt op geen enkele vraag over de geleverde zorg en uw bedrijfsvoering volledig antwoord gegeven. Van een professioneel zorgbedrijf mag dit wèl verwacht worden. de informatie die bij u is opgevraagd is bovendien feitelijk van aard en niet bedrijfs- of concurrentie-gevoelig. Ook daarin kan geen beperking worden gevonden tot het delen van informatie. Voor zover in uw optiek privacywetgeving in de weg staat om bepaalde vragen te beantwoorden of bepaalde informatie te delen, had u in de antwoorden respectievelijk in de informatie, deze privacygevoelige aspecten kunnen anonimiseren.
Omdat u niet hebt meegewerkt aan het onderzoek, hebben wij niet kunnen vaststellen dat de declaraties in de periode vóór uw arbeidsongeschiktheid wél rechtmatig zijn. Wij hebben meerdere fraudesignalen ontvangen die aanleiding geven om de rechtmatigheid in twijfel trekken. Wij behouden ons het recht voor om op een later moment het onderzoek naar deze periode te hervatten.
Met het opstellen van declaraties die niet overeenkomen met de werkelijkheid hebt u bewust wet- en regelgeving overtreden. U hebt met u handelen onrechtmatig financieel foordeel verkregen. Wij concluderen dat er sprake is van fraude.
CZ heeft daarbij onder meer aangegeven:
- dat zij de (persoons)gegevens van [persoon] en van de rechtspersoon heeft opgenomen in de Gebeurtenissenadministratie en het Interne verwijzingsregister tot 11 november 2032,
- dat zij de (persoons)gegevens van [persoon] en de rechtspersoon heeft opgenomen in het Interne Incidentenregister en het Externe Verwijzingsregister (EVR) tot 30 juli 2032
3.14.
Het Incidentenregister is een door CZ bijgehouden register waarin gegevens zijn vastgelegd om, kort samengevat, de veiligheid en de integriteit van de financiële sector te waarborgen. Aan het Incidentenregister is het EVR gekoppeld. Dit register wordt gehouden door financiële instellingen zoals banken en verzekeraars om elkaar te waarschuwen voor (rechts)personen waarvan een vermoeden bestaat dat deze betrokken zijn bij bank- of verzekeringsfraude. Het register is niet openbaar toegankelijk, maar enkel voor financiële instellingen die deelnemen aan het ‘Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen’ (hierna: het PIFI). Opname in het Incidentenregister en het EVR kan slechts plaatsvinden in overeenstemming met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en het PIFI.
3.15.
CZ verwijt [eiser] het (volledig) ontbreken van administratie, maar vooral het structureel in rekening (laten) brengen van professionele zorg die volgens haar (gelet op het onmogelijke hoge aantal gedeclareerde uren -gemiddelde werkdag van 14 uur gedurende een onafgebroken periode van 639 dagen terwijl [persoon] arbeidsongeschikt was) niet werkelijk verleend is/kan zijn. Dat kwalificeert volgens CZ als oplichting (artikel 326 Sr Pro.) en valsheid in geschrifte. CZ heeft tegen [eiser] strafrechtelijke aangifte gedaan van haar bevindingen.
3.16.
[eiser] en [persoon] hebben op 13 november 2024 een klacht/verzoek om heroverweging ingediend bij CZ. CZ heeft hierop gereageerd per brief van 31 maart 2025
waarin CZ haar standpunt dat er sprake van fraude heeft gehandhaafd en zij te kennen heeft gegeven dat de maatregelen waarover zij [persoon] bij brief van 11 november 2024 heeft geïnformeerd in stand blijven.
3.17.
Bij brief van 25 november 2025 heeft CZ [naam] meegedeeld dat het fraudeonderzoek naar hem is afgerond. Zij heeft onder meer de maatregel genomen om zijn persoonsgegevens op te nemen in de gebeurtenissenadministratie, het IVR en het Incidentenregister en het EVR. [naam] heeft het geschil voorgelegd aan de Geschillencommissie Zorgverzekeringen (hierna: SKGZ). SKGZ heeft een bindend advies uitgebracht op 23 april 2025. Daarin heeft het SKGZ onder meer beslist dat de opzet tot fraude door [naam] niet is komen vast te staan en dat CZ alle jegens hem getroffen maatregelen, waaronder opneming van zijn persoonsgegevens in de diverse registers, ongedaan moet maken.
3.18.
[eiser] heeft CZ op 17 juli 2025 aangeschreven en verzocht de registraties ongedaan
te maken. In haar schrijven heeft [eiser] onderbouwd waarom de genomen maatregelen door CZ jegens [eiser] respectievelijk [persoon] onrechtmatig en buitenproportioneel zijn en heeft daarbij (nogmaals) verzocht om de registraties te verwijderen. CZ heeft daar niet op gereageerd.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert als voorlopige voorziening, samengevat:
1. CZ te veroordelen om binnen één week na betekening van het in dezen te wijzen vonnis de jegens [eiser] genomen maatregelen, waaronder de registraties van CZ in
het interne en externe incidentenregister en/of de maatregelen in het interne en externe verwijzingsregister ongedaan te maken, zulks op straffe van een dwangsom
2. CZ te veroordelen tot betaling aan [eiser] van de buitengerechtelijke kosten,
3. CZ te veroordelen in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de nakosten, en wettelijke rente.
4.2.
[eiser] legt aan haar vordering ten grondslag dat dat CZ jegens haar onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig handelt door haar gegevens op te nemen in het IR en het EVR en deze opneming te handhaven.
4.3.
CZ heeft verweer gevoerd.
4.4.
De stellingen van partijen worden, voor zover van belang, hierna besproken.

5.De beoordeling

spoedeisend belang
5.1.
CZ stelt dat [eiser] geen spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen omdat zij niet heeft onderbouwd dat zij door de registraties ernstig wordt gehinderd in haar bedrijfsvoering.
5.2.
De voorzieningenrechter verwerpt dit verweer. [eiser] heeft gesteld dat de registraties van [eiser] van invloed zijn op de mogelijkheid voor [eiser] om zich te verzekeren en financiële producten af te nemen bij bankinstellingen. CZ heeft erkend dat de registers door verzekeraars en financiële instellingen worden geraadpleegd. Het feit dat verzekeraars en financiële instellingen bereikt worden met een dergelijke registratie die ten doel heeft de sector te waarschuwen maakt dat [eiser] voldoende spoedeisend belang heeft om te voorkomen dat zij ten onrechte in haar bedrijfsvoering wordt geraakt. Bovendien vloeit naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang voort uit de aard van de vordering.
de registraties in het Incidentenregister en het Extern Verwijzingsregister
5.3.
De registratie van persoonsgegevens in het Incidentenregister en het EVR is een verwerking van persoonsgegevens, zodat moet worden voldaan aan de eisen van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en de Uitvoeringswet op de AVG (UAVG). Opname in en raadpleging van deze registers is alleen toegestaan onder de voorwaarden van het door de Autoriteit Persoonsgegevens goedgekeurde Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (hierna: het PIFI).
Het PIFI bepaalt in welke gevallen (persoons)gegevens kunnen worden geregistreerd in het Incidentenregister en het EVR. In artikel 4.1.1. PIFI is bepaald dat registratie in het Incidentenregister tot doel heeft het ondersteunen van activiteiten gericht op het waarborgen van de veiligheid en de integriteit van de financiële sector. In artikel 5.2.1. PIFI is bepaald dat voor registratie in het EVR is vereist dat in voldoende mate is komen vast te staan dat de betreffende (rechts)persoon betrokken is bij gedragingen die een bedreiging vormen voor een financiële instelling of de continuïteit en/of integriteit van de financiële sector.
Als het gaat om een strafbaar feit, en dus om registratie van (persoons)gegevens van strafrechtelijke aard, is het niet noodzakelijk dat de betrokkene daarvoor strafrechtelijk is veroordeeld. Volgens vaste jurisprudentie moet worden beoordeeld of ten aanzien van de betreffende persoon sprake is van zodanige concrete feiten en omstandigheden dat zij een als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring – in de zin van artikel 350 Wetboek Pro van Strafvordering- kunnen dragen. Het moet daarbij gaan om vastgestelde gedragingen die een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld opleveren, in die zin dat de in het EVR te verwerken strafrechtelijke persoonsgegevens in voldoende mate vaststaan. Bij de verwerking van persoonsgegevens moet zowel op grond van de AVG als het PIFI een belangenafweging worden gemaakt waarbij alle bekende feiten en omstandigheden moeten worden betrokken. Bij elke verwerking van persoonsgegevens-registratie moet zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dit brengt mee dat de inbreuk op de belangen van de bij de verwerking van persoonsgegevens betrokkene niet onevenredig mag zijn in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel (proportionaliteitsbeginsel). Daarnaast moet het doel, waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt in redelijkheid niet op een andere voor de bij de verwerking van persoonsgegevens betrokkene minder nadelige wijze kunnen worden verwezenlijkt (subsidiariteitsbeginsel).
5.4.
De voorzieningenrechter stelt vast dat door de hiervoor onder 3.13 weergegeven opname van gegevens van [eiser] in het Incidentenregister en EVR sprake is van registratie van (strafrechtelijke) persoonsgegevens door CZ.
5.5.
In de kern gaat het in dit kort geding om de vraag of in voldoende mate is komen vast te staan of sprake is van gedragingen die een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld opleveren, zoals dat in de vaste jurisprudentie daarvoor als eis wordt gesteld. Die vraag beantwoordt de voorzieningenrechter bevestigend. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt.
5.6.
De voorzieningenrechter stelt vast dat [eiser] en haar bestuurder [persoon] nauwelijks inhoudelijke vragen van CZ hebben willen beantwoorden en dat zij geweigerd hebben met CZ een persoonlijk gesprek aan te gaan, ondanks de waarborgen die daarbij door CZ zijn aangeboden, zoals het vastleggen van het gesprek in een geluidsopname.
[eiser] en [persoon] stellen zich kennelijk op het standpunt dat de eis dat er sprake moet zijn van een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld in strafvorderlijke zin ook betekent dat het bewijsrecht in strafvorderlijke procedures van toepassing is. Dit is een miskenning van het civielrechtelijk karakter van dit kort geding, waarin ook op [eiser] de verplichting rust om feitelijk stelling te nemen, op stellingen van CZ in te gaan en haar eigen stellingen behoorlijk gedocumenteerd te onderbouwen, wat zij niet heeft gedaan.
5.7.
Door [eiser] is niet weersproken dat [persoon] de enige werkzame persoon is binnen [eiser] .
5.8.
CZ stelt dat zij op basis van informatie van de gemeente Tilburg, Menzis en Zilveren Kruis heeft berekend dat [persoon] gedurende een onafgebroken periode van 639 dagen gedurende gemiddeld 14 uur per dag feitelijk werkzaamheden zou hebben verricht. [persoon] heeft als verweer slechts aangevoerd dat CZ deze stelling niet voldoende heeft onderbouwd. [persoon] heeft echter naar aanleiding van vragen van CZ naar de administratie van [eiser] herhaaldelijk aangegeven dat er geen administratie is. [persoon] miskent daarmee dat zij als zorgverlener gehouden is haar werkzaamheden deugdelijk te administreren. Deze verplichting vloeit voort uit artikel 36 lid 1 van Pro de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) waarin is bepaald dat zorgaanbieders een administratie moeten voeren waaruit in ieder geval blijken de overeengekomen en geleverde prestaties, wanneer die zijn geleverd, aan welke cliënt en tegen welke tarieven. Volgens artikel 1 onder Pro 2 jo. artikel 2 lid 1 Wet Pro op de economische delicten levert het in strijd handelen met artikel 36 Wmg Pro een economisch delict op.
De omstandigheid dat [eiser] met toestemming van CZ het Z+P+R,t-model (Zorg=Planning=Realisatie, tenzij) gebruikt betekent niet dat zij geen administratie meer hoeft te voeren. Dit model is een manier om in de wijkverpleging de verleende zorg vast te leggen. De verpleegkundige registreert in dit model de tijd niet meer achteraf (zoals voorheen met de minutenregistratie) maar maakt vooraf in het zorgleefplan een haalbare planning van de planbare zorg. Het zorgleefplan moet actueel zijn, zodat de geplande tijd moet kloppen met hoe het in de praktijk gaat. Deze gemakkelijkere wijze van administreren mag worden toegepast als de realisatie gelijk is aan de planning.
5.9.
[persoon] stelt dat zij zich nooit volledig arbeidsongeschikt heeft gemeld voor de uitoefening van haar beroep als zorgverlener, dat zij louter beroepsarbeidsongeschikt was en dat zij haar werkzaamheden uitoefende onder toezicht van een derde. Hoewel [persoon] niet in staat was om op geheel zelfstandige wijze zorg te verlenen, stelt [eiser] wel degelijk zorg te hebben verleend aan [naam] . De arbeidsongeschiktheidsmelding kan volgens haar dus niet leiden tot de conclusie dat er sprake is van fraude.
5.10.
CZ heeft in dit kader onweersproken gesteld dat dit toezicht ziet op de aanwezigheid van de ouders van [naam] , die zelf ook hulpbehoevend zijn en die ook zorg ontvingen van [eiser] , opnieuw in de persoon van [persoon] . De voorzieningenrechter stelt vast dat [eiser] niets heeft gesteld omtrent de aard van haar arbeidsongeschiktheid, de wijze waarop die zou worden “opgeheven” door de aanwezigheid van anderen bij het verlenen van zorg aan [naam] en dat die derden daartoe ook gekwalificeerd zouden zijn.
5.11.
Ten slotte heeft de voorzieningenrechter geconstateerd dat [eiser] [naam] heeft gemachtigd ten aanzien van haar bankrekeningen.
5.12.
Deze objectief vaststaande feiten zijn, zowel afzonderlijk als in samenhang bezien, zo ongeloofwaardig dat [eiser] openheid van zaken moet geven, wat tot op heden is uitgebleven. De omstandigheid dat het SKGZ op 23 april 2025 een bindend advies heeft uitgebracht, waarin onder meer is beslist dat opzet tot fraude door [naam] niet is komen vast te staan, betekent niet dat [eiser] geen ook geen verantwoording meer hoeft af te leggen.
5.13.
De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat er sprake is van gedragingen die een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld aan (verzekerings)fraude opleveren. Daarmee is voldaan aan de criteria van artikel 4.1.1. en 5.2.1 PIFI. en is CZ dus terecht overgegaan tot registratie van de gegevens van [eiser] in het Incidentenregister en het EVR.
5.14.
Daarbij is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit (artikel 4.2.1. en 5.2.1. sub c PIFI). CZ heeft voldoende aangetoond dat de inbreuk op de belangen van [eiser] niet onevenredig is in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel. Zij heeft in dit verband gesteld dat om te beoordelen of het proportionaliteitsbeginsel in acht is genomen door zorgverzekeraars een checklist, wordt gehanteerd, waarin een aantal punten aan verschillende gedragingen worden toegekend, gerelateerd aan de ernst daarvan, dat bij meer dan 11 punten volgens de checklist een EVR-registratie is aangewezen en dat de score van [eiser] 28 punten bedroeg. [eiser] heeft dit niet weersproken. Het is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onder deze omstandigheden rechtmatig en terecht dat CZ andere financiële instellingen waarschuwt voor [eiser] middels de EVR-registratie. De ernst van de verdenkingen en de omvang en duur van de vermoedelijke fraude rechtvaardigt ook in het kader van een belangenafweging de registratie. [eiser] heeft ook geen belangen naar voren gebracht die zwaarder zouden moeten wegen dan de belangen die met het registreren zijn gediend. Gelet op wat hiervoor is overwogen over de ernst van de gedragingen van [eiser] is de termijn van acht jaar in dit geval gerechtvaardigd. Niet gebleken is dat het doel waarmee de gegevens van [eiser] zijn verwerkt op een andere, voor [eiser] minder nadelige wijze, kan worden verwezenlijkt.
5.15.
De voorzieningenrechter passeert de stelling van [eiser] dat het fraudeonderzoek geen rechtmatige basis heeft omdat het is voortgezet terwijl gemeente Tilburg in haar brief van 3 juli 2025 heeft erkend dat het gegevensverwerkende proces niet goed navolgbaar en toetsbaar is ingericht en geborgd. De brief is gericht aan [naam] en niet aan [eiser] . Het burgerlijk recht kent geen regeling omtrent onrechtmatig verkregen bewijs, noch is er vaste jurisprudentie daarover. Het enkele feit dat het onderzoek van CZ gebaseerd is op deze brief van de gemeente Tilburg, kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet ertoe leiden dat reeds om die reden ook het onderzoek van CZ ten opzichte van [eiser] als onrechtmatig worden aangemerkt en daardoor tot gevolg zou moeten hebben dat al hetgeen in het vervolgonderzoek is verkregen niet zou mogen meewerken als onderbouwing van de stellingen in dit kort geding. Ook hier lijkt [eiser] uit te gaan van strafvorderlijke uitgangspunten die overigens ook slechts bij hoge uitzondering tot
uitsluiting van bewijs leiden.
overige registraties
5.16.
De vorderingen van [eiser] ziet ook op de registraties in het Intern Verwijzings-register en de Gebeurtenissenadministratie. Deze registraties zijn gebaseerd op de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Financiële Instellingen. Niet gebleken is dat het gaat om een andere soort registratie dan de registratie die heeft plaatsgevonden in het Incidentenregister en het EVR. Ook deze registraties betreffen dus een registratie van persoonsgegevens van strafrechtelijke aard. Wat partijen hebben aangevoerd brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet mee dat ten aanzien van de registraties in het Intern Verwijzingsregister en de Gebeurtenissenadministratie een andere beslissing behoort te worden gegeven dan de beslissing voor de registraties in het Incidentenregister en het EVR.
conclusie
5.17.
Dit alles leidt tot de slotsom dat de conclusie dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.
proceskosten
5.18.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CZ worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
6.1.
wijst de vorderingen af,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet zij € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, als de proceskosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Weide en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.