Uitspraak
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
1.[eiseres] ,
[eiser],
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 18 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitnota van de zijde van eisers.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eisers en gedaagde zijn erfgenamen van een nalatenschap waarin een woning is begrepen. Gedaagde woont sinds 2015 met zijn gezin, waaronder minderjarige kinderen, in de woning. Eisers willen de woning verkopen om liquiditeit te verkrijgen, onder meer vanwege financiële beperkingen en een brief van de bank die stelt dat de hypotheek binnen twee jaar op naam van erfgenamen moet worden gezet of beëindigd.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het belang van gedaagde om met zijn gezin in de woning te blijven wonen zwaarder weegt dan het belang van eisers bij verkoop en verdeling. Er is sprake van een huurovereenkomst met huurbescherming, omdat gedaagde alle lasten draagt en het gebruik van de woning niet louter als mede-eigenaar is. Daarnaast is een beroep op artikel 3:178 BW Pro kansrijk, waardoor verdeling kan worden uitgesteld.
De brief van de bank leidt niet tot spoedeisende executoriale maatregelen. De vorderingen worden daarom afgewezen en partijen dragen ieder hun eigen kosten. De uitspraak is mondeling gedaan door de voorzieningenrechter op 18 maart 2026.
Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af omdat het belang van gedaagde en zijn minderjarige kinderen om in de woning te blijven wonen zwaarder weegt dan het belang van eisers bij verkoop.