ECLI:NL:RBZWB:2026:2210

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
11985721 \ CV EXPL 25-3923
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Ebben
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:233 BWArt. 6:265 BWArtikel 3 Richtlijn 93/13/EEGArtikel 2 Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming wegens langdurige huurachterstand

Stichting Alwel vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning wegens een huurachterstand van meer dan zeven maanden bij dagvaarden, oplopend tot ruim acht maanden tijdens de procedure. De huurder erkent de achterstand en geeft persoonlijke omstandigheden aan, waaronder zorg voor zijn moeder en schulden, maar kan de huur niet betalen.

De kantonrechter beoordeelt dat de algemene voorwaarden van Stichting Alwel onredelijke bedingen bevatten voor rente en buitengerechtelijke incassokosten, waardoor deze worden vernietigd. De huurachterstand is ernstig genoeg om ontbinding en ontruiming te rechtvaardigen, ondanks het belang van de minderjarige zoon van de huurder, die echter niet in een acute noodsituatie verkeert.

De kantonrechter wijst de vordering tot betaling van de huurachterstand en de gebruiksvergoeding toe, veroordeelt de huurder tot ontruiming binnen veertien dagen en tot betaling van proceskosten. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad en Stichting Alwel heeft toegezegd de ontruiming niet uit te voeren indien een passende oplossing wordt gevonden.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en de huurder wordt veroordeeld tot ontruiming en betaling van de huurachterstand en gebruiksvergoeding, terwijl rente en incassokosten worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11985721 \ CV EXPL 25-3923
Vonnis van 25 maart 2026
in de zaak van
STICHTING ALWEL,
te Roosendaal,
eisende partij,
hierna te noemen: Stichting Alwel,
gemachtigde: Rosmalen Gerechtsdeurwaarders B.V.,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
De zaak in het kort
Stichting Alwel vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde wegens een huurachterstand die op het moment van dagvaarden tenminste drie maanden bedroeg. De kantonrechter zal de vorderingen van Stichting Alwel toewijzen. De eveneens gevorderde rente en buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen, omdat er sprake is van een onredelijk rente- en kostenbeding. Hieronder legt de kantonrechter uit waarom.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 14 november met producties
- het extract audiëntieblad houdende de conclusie van antwoord van 3 december 2025
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 23 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de door Stichting Alwel op de mondelinge behandeling overgelegde specificatie van de huurachterstand.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
Stichting Alwel verhuurt met ingang van 17 juli 2024 aan [gedaagde] de woning aan het [adres] in [plaats] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt € 634,86 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.
2.2.
[gedaagde] heeft een huurachterstand laten ontstaan van meer dan zeven maanden ten tijde van de dagvaarding. Volgens de akte specificatie huurachterstand bedraagt de huurachterstand tot en met februari 2026 ruim acht maanden.
2.3.
Stichting Alwel heeft [gedaagde] aangemaand op 28 juli 2025 om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen.
2.4.
Stichting Alwel heeft [gedaagde] gemeld over het voornemen om hem aan te melden bij de gemeente Breda in het kader van het Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening. Stichting Alwel heeft geen reactie of bezwaar van [gedaagde] ontvangen, waarna [gedaagde] op 25 augustus 2025 is aangemeld bij de gemeente Breda.

3.Het geschil

3.1.
Stichting Alwel vordert bij dagvaarding – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde en betaling van € 4.829,30 aan huurachterstand met nevenvorderingen, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
Stichting Alwel legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] is in zijn verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet (volledig) aan zijn betalingsverplichting te voldoen. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt volgens Stichting Alwel de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
3.3.
[gedaagde] erkent dat er een huurachterstand bestaat zoals door Stichting Alwel aangegeven. Daarbij geeft hij aan dat de huurachterstand is ontstaan doordat hij naar Curaçao moest om zijn moeder te helpen. [gedaagde] geeft verder aan dat sprake is van meerdere schulden en hij graag in contact treedt met schuldhulpverlening. Tot slot voert hij aan in de woning te wonen met zijn zus en moeder. Ook verblijft zijn 4-jarige zoon elke twee weken een weekend in de woning bij hem, aldus [gedaagde] .
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Er staan oneerlijke bedingen in de algemene voorwaarden
4.1.
Stichting Alwel vordert naast de achterstallige huur ook betaling van buitengerechtelijke kosten en rente. De kantonrechter overweegt dat Stichting Alwel een professionele verhuurder is. [gedaagde] heeft als consument-huurder woonruimte van Stichting Alwel gehuurd. De kantonrechter moet ambtshalve beoordelen (dat wil zeggen; uit zichzelf, ook als de consument daar niet om vraagt) of op de overeenkomst met [gedaagde] algemene voorwaarden van toepassing zijn en zo ja, of daarin bedingen zijn opgenomen die oneerlijk zijn voor een consument, in de zin van artikel 3 van Pro de Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn). Dit artikel is in het Nederlandse recht tot uitdrukking gebracht in artikel 6:233 onder Pro a van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarin kort gezegd is bepaald dat een beding dat onredelijk bezwarend is, vernietigbaar is.
4.2.
De kantonrechter moet in dit verband beoordelen of bedingen, waaraan een consument gebonden is zonder dat daarover afzonderlijk is onderhandeld, in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoren. In dat geval moet de kantonrechter daar consequenties aan verbinden, met de bedoeling dat de consument erop kan vertrouwen dat de ‘kleine lettertjes’ niet oneerlijk voor hem uitpakken en dat hij wordt beschermd als hij zijn handtekening heeft gezet onder een overeenkomst waarin oneerlijke bedingen blijken te zijn opgenomen.
4.3.
Uit de door de eisende partij overgelegde huurovereenkomst blijkt dat daarop de ‘
Algemene Huurvoorwaarden woonruimte van juni 2018’ van toepassing zijn verklaard. Deze algemene voorwaarden heeft Stichting Alwel ook overgelegd. Verder heeft Stichting Alwel zich in de dagvaarding al uitgelaten over de Richtlijn in combinatie met de door haar gehanteerde algemene voorwaarden.
4.4.
De kantonrechter moet nu dus beoordelen of het beding met betrekking tot de buitengerechtelijke incassokosten (artikel 13.1 en 13.2 van de algemene voorwaarden) en het beding met betrekking tot rente (artikel 13.2 en 6.1 van de algemene voorwaarden) oneerlijk zijn tegenover [gedaagde] . De kantonrechter vernietigt de artikel(en) 6.1, 13.1 en 13.2 van de algemene voorwaarden. Deze bedingen zijn oneerlijk. De kantonrechter blijft namelijk bij wat in eerdere zaken van Stichting Alwel is overwogen over de oneerlijkheid van de incasso- en rentebedingen van de algemene voorwaarden (in combinatie met het boetebeding uit artikel 15 van Pro de algemene voorwaarden).
Er is sprake van een (opgelopen) huurachterstand
4.5.
[gedaagde] is verplicht om de huur op tijd te betalen en dat heeft hij niet gedaan (artikel 6:265 BW Pro). Stichting Alwel heeft bij de gemeente Breda melding gemaakt van de huurachterstand in het kader van de schuldhulpverlening. Hierdoor is voldaan aan artikel 2 van Pro het Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening.
4.6.
Stichting Alwel heeft op de mondelinge behandeling gesteld dat de huurachterstand is opgelopen. [gedaagde] heeft erkend dat er een huurachterstand is die tot en met februari 2026 berekend is op een bedrag van € 5.464,16. De kantonrechter zal de gevorderde betaling hiervan dan ook toewijzen.
4.7.
Een huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. [1] De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen. [2]
Belangen van minderjarige kinderen bij ontbinding van de huurovereenkomst
4.8.
Voorts overweegt de kantonrechter dat bij de beoordeling van het voorgaande op grond van artikel 3 van Pro het Verdrag inzake de rechten van het kind de belangen van kinderen een eerste overweging dienen te vormen. Dat betekent niet dat een huurovereenkomst met een huurder met een minderjarig kind niet mag worden ontbonden. De ouders van een minderjarig kind zijn in principe verantwoordelijk voor tekortkomingen die tot een ontbinding en daaropvolgende ontruiming kunnen leiden. Het ligt dan ook in de eerste plaats op de weg van de ouders zelf om de nadelige effecten van de ontbinding en ontruiming voor hun kind zoveel mogelijk te beperken. Er bestaat de mogelijkheid om, indien daarbij hulp nodig is, hulpverlenende instanties in te schakelen. Als er toch een noodsituatie dreigt, bijvoorbeeld omdat het kind letterlijk op straat komt te staan, dan kan dat - mede afhankelijk van de overige omstandigheden - een belemmering voor ontruiming zijn.
4.9.
Dat de zoon van [gedaagde] belang heeft bij het behoud van het gehuurde staat vast. Dit neemt echter niet weg dat het primair de verantwoordelijkheid van [gedaagde] is om voor een stabiele woonsituatie te zorgen en deze te behouden. [gedaagde] kan niet in het gehuurde blijven wonen zonder huur te betalen. Gelet op het verhandelde ter zitting is de kantonrechter van oordeel dat van een acute noodsituatie voor de minderjarige zoon van [gedaagde] bij ontruiming van het gehuurde geen sprake is. [gedaagde] heeft zelf aangegeven dat zijn zoon elke twee weken een weekend bij hem verblijft. Hierdoor is er geen sprake van een acute noodsituatie bij ontruiming van het gehuurde. Het belang van de minderjarige zoon van [gedaagde] staat de ontbinding van de huurovereenkomst daarom niet in de weg.
De huurovereenkomst wordt ontbonden en [gedaagde] dient het gehuurde te verlaten vanwege een huurachterstand
4.10.
Gelet op het voorgaande komen de door [gedaagde] aangevoerde persoonlijke omstandigheden, hoe vervelend ook, voor zijn rekening en risico en wegen deze niet op tegen het belang van Stichting Alwel bij ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. Op het moment van dagvaarden bedroeg de huurachterstand ruim zeven maanden. De huurachterstand is tijdens de procedure toegenomen en bedraagt inmiddels ruim acht maanden. De huidige huurachterstand rechtvaardigt de ontbinding van de huurovereenkomst. De aanwezigheid van de zoon acht de kantonrechter onvoldoende om af te zien van het uitspreken van de ontbinding van de huurovereenkomst. Daarom wordt de huurovereenkomst ontbonden. Als gevolg daarvan wordt de vordering tot ontruiming van het gehuurde ook toegewezen. Dit betekent dat [gedaagde] het gehuurde moet verlaten en leeg en netjes moet achterlaten.
Toezegging tot het aangaan van een gebruiksovereenkomst met voorwaarden
4.11.
Stichting Alwel heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat aan haar kant de bereidheid bestaat om, nadat onderhavig vonnis is gewezen, in onderling overleg met [gedaagde] de gevorderde ontruiming te voorkomen door naar een oplossing te zoeken. Stichting Alwel heeft toegezegd dat zij dit vonnis niet ten uitvoer zal leggen indien er een oplossing tot stand komt die naar genoegen van Stichting Alwel is en die door [gedaagde] ook wordt nageleefd. De kantonrechter gaat ervan uit dat Stichting Alwel zich aan deze toezegging zal houden.
Vervaltermijnen en toekomstige huurtermijnen
4.12.
Stichting Alwel wil ook dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag van € 634,86, te rekenen vanaf de maand 1 maart 2026 tot het moment dat [gedaagde] het gehuurde ontruimt. Dit is de huurprijs per maand en na het ontbinden van de huurovereenkomst is dit een gebruiksvergoeding voor de tijd dat [gedaagde] nog in het gehuurde verblijft. Ook deze vordering zal worden toegewezen.
Proceskosten
4.13.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Stichting Alwel worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
543,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.553,14
Uitvoerbaar bij voorraad
4.14.
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het [adres] in [plaats] ,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Stichting Alwel zijn, en de sleutels af te geven aan Stichting Alwel,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan Stichting Alwel:
- een bedrag van € 5.464,16 aan achterstallige huur tot en met februari 2026,
- een bedrag van € 634,86 per maand aan nog te vervallen huurpenningen vanaf
1. maart 2026, behoudens een huurverhoging, tot en met de datum van ontbinding van de huurovereenkomst, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de vervaldatum van desbetreffende huurtermijn tot de dag der algehele voldoening,
- een bedrag van € 634,86 per maand als gebruiksvergoeding, voor iedere maand of gedeelte daarvan dat [gedaagde] het gehuurde na ontbinding van de huurovereenkomst in gebruikt houdt, behoudens een huurverhoging, tot het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de vervaldatum van desbetreffende termijn tot de dag der algehele voldoening,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.553,14, te vermeerderen met de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,
5.5.
verklaart het vorenstaande uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Ebben en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.

Voetnoten

1.Artikel 6:265 BW Pro.
2.HR 28 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1810)