ECLI:NL:RBZWB:2026:2196

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
11859729 CV EXPL 25-4293 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Zander
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 ZorgverzekeringswetArt. 2.1.1 Wet langdurige zorgArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling premie zorgverzekeringsovereenkomst tussen DSW en gedaagde

In deze zaak staat centraal of tussen DSW en gedaagde een zorgverzekeringsovereenkomst tot stand is gekomen en of gedaagde op grond daarvan premie verschuldigd is. DSW heeft voldoende bewijs geleverd van het bestaan van de overeenkomst, waaronder toezending van polisbladen en aanmeldingsbrieven. Gedaagde heeft het bestaan van de overeenkomst onvoldoende gemotiveerd betwist.

Gedaagde voerde aan dat hij niet wist van de verzekering en dat hij al een andere zorgverzekering had, maar deze stellingen werden niet onderbouwd met bewijs. Ook het feit dat gedaagde geen zorgkosten bij DSW heeft gedeclareerd, sluit het bestaan van de verzekering niet uit. De kantonrechter acht het aannemelijk dat gedaagde de correspondentie heeft ontvangen, aangezien deze naar zijn toenmalige adres is gestuurd.

DSW vordert betaling van € 2.314,61 aan premieachterstand en wettelijke rente, alsmede vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter wijst deze vorderingen toe, inclusief een bedrag van € 48,40 aan incassokosten en proceskosten van € 1.073,64. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van openstaande zorgpremies, wettelijke rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11859729 \ CV EXPL 25-4293
Vonnis van 25 maart 2026
in de zaak van
ONDERLINGE WAARBORGMAATSCHAPPIJ DSW ZORGVERZEKERAAR U.A.,
te Schiedam,
eisende partij,
hierna te noemen: DSW,
gemachtigde: GGN Brabant,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 1],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
De zaak in het kort
Deze zaak gaat over de vraag of tussen partijen een zorgverzekeringsovereenkomst tot stand is gekomen en of [gedaagde] op grond daarvan premie verschuldigd is aan DSW. DSW heeft voldoende onderbouwd dat hiervan sprake is. [gedaagde] heeft het bestaan van de zorgverzekeringsovereenkomst onvoldoende gemotiveerd betwist. Hij moet daarom de nog verschuldigde premie betalen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 7 augustus 2025 met producties,
  • de conclusie van antwoord met producties,
  • de conclusie van repliek met producties,
  • de conclusie van dupliek met één productie,
  • de akte uitlating producties van DSW.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] heeft vanaf 18 maart 2019 ingeschreven gestaan in [plaats 2]. Per 16 januari 2025 heeft zijn adres in [plaats 2] in onderzoek gestaan. Vanaf 11 maart 2025 staat [gedaagde] ingeschreven op het huidige adres in [plaats 1].
2.2.
Op 1 januari 2023 heeft DSW een brief gestuurd aan het adres van [gedaagde] in [plaats 2] met de bevestiging van de aanmelding bij de zorgverzekering met aanvullende verzekering met ingang van 15 december 2022. Ook is het polisblad toegestuurd.
2.3.
DSW heeft verschillende betalingsherinneringen gestuurd naar [gedaagde].
2.4.
Op 22 juni 2023 heeft DSW in een brief aan het adres van [gedaagde] in [plaats 2] laten weten dat de aanvullende verzekering wordt beëindigd vanwege het niet betalen van de premie. Ook is een gewijzigd polisblad toegestuurd.
2.5.
Op 25 februari 2025 laat DSW in een brief aan het adres van [gedaagde] in [plaats 2] weten dat de basis zorgverzekering is beëindigd vanwege het vertrek van [gedaagde] naar het buitenland.

3.Het geschil

3.1.
DSW vordert - samengevat – [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 2.314,61, vermeerderd met de wettelijke rente over € 2.012,56, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. DSW legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn betalingsverplichting uit de zorgverzekeringsovereenkomst. Over de premieachterstand is [gedaagde] ook wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van DSW, met veroordeling van DSW in de kosten van deze procedure. [gedaagde] betwist – samengevat - dat hij een zorgverzekeringsovereenkomst met DSW is aangegaan.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Deze zaak gaat over de vraag of [gedaagde] premie verschuldigd is aan DSW op grond van een tussen partijen tot stand gekomen zorgverzekeringsovereenkomst.
Verzekeringsplicht
4.2.
De kantonrechter stelt voorop dat iedere ingezetene van Nederland verplicht is een zorgverzekering af te sluiten. [1] [gedaagde] heeft zich niet beroepen op een uitzondering hierop. Volgens DSW stond [gedaagde] in de periode waarover premies worden gevorderd in ieder geval ingeschreven in het BRP in Nederland, en dit heeft [gedaagde] onvoldoende weersproken. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat de verzekeringsplicht voor [gedaagde] geldt voor de periode waarover premies worden gevorderd.
Totstandkoming zorgverzekeringsovereenkomst
4.3.
Volgens DSW is tussen partijen met ingang van 15 december 2022 een zorgverzekeringsovereenkomst tot stand gekomen. Anders dan [gedaagde] stelt is de kantonrechter van oordeel dat DSW met het toezenden van polisbladen en de brief van aanmelding voldoende onderbouwd heeft dat er een zorgverzekeringsovereenkomst is gesloten. Een overeenkomst kan namelijk vormvrij tot stand komen. Dat betekent dat dit niet altijd met een schriftelijke instemming hoeft te gebeuren. [gedaagde] stelt dat hij niet wist dat er een zorgverzekering op zijn naam stond, omdat hij nooit eerder correspondentie over zijn polis of aanmaningen van DSW heeft ontvangen. DSW heeft dit gemotiveerd weersproken door overlegging van de door haar gestuurde brief van 1 januari 2023 met de bevestiging van de aanmelding, de brieven met polisbladen en de verschillende betalingsherinneringen. Gelet op de vele brieven die zijn verstuurd acht de kantonrechter het niet aannemelijk dat [gedaagde] deze niet heeft ontvangen, nu hij ook niet heeft weersproken dat hij in die periode woonachtig was op het adres in [plaats 2] waarnaar de brieven zijn gestuurd.
4.4.
[gedaagde] heeft ook aangevoerd dat hij al een andere zorgverzekering had. De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] hiermee wil zeggen dat er daarom geen sprake kan zijn van een zorgverzekering met DSW. Nu [gedaagde] deze stelling verder niet heeft onderbouwd met bijvoorbeeld de naam van die andere zorgverzekeraar of stukken waaruit dit blijkt, komt dit ook niet vast te staan. Verder heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij nooit zorg bij DSW heeft gedeclareerd of een andere vorm van dienstverlening heeft afgenomen, maar dat betekent nog niet dat er daarom geen sprake is van een zorgverzekeringsovereenkomst met DSW. Ook als er geen zorgkosten zijn geldt nog steeds de verplichting van het hebben van een zorgverzekering.
4.5.
[gedaagde] heeft ook nog het standpunt ingenomen dat hij de vordering vanaf aanvang duidelijk heeft betwist, door iedere incasso direct te storneren en onmiddellijk bezwaar te maken. Hoewel vast staat dat de automatische incasso’s vanuit DSW zijn teruggestort, is niet gebleken dat [gedaagde] hiertegen ook bezwaar heeft gemaakt. [gedaagde] heeft
e-mailcorrespondentie met GGN overgelegd waaruit blijkt dat hij de vordering van DSW betwist, maar dit zijn berichten uit 2025 en dat is ruim twee jaar na aanmelding bij de zorgverzekering van DSW. Bovendien rijmt zijn stelling dat er geen overeenkomst tot stand is gekomen en hij telkens bezwaar heeft gemaakt niet met de verschillende betalingsregelingen die [gedaagde] voor de premieachterstand is aangegaan. [gedaagde] heeft weliswaar aangevoerd dat GGN de vordering van DSW ten onrechte heeft toegevoegd aan bestaande betalingsregelingen, maar hij heeft niet weersproken dat hij op 18 juli 2023 zelf contact heeft opgenomen met GGN om een betalingsregeling te treffen voor de in geschil zijnde premieachterstand, zoals DSW heeft onderbouwd met een afschrift van een gespreksnotitie. Ook de betalingsregeling die in 2024 is overeengekomen met DSW voor de premies van november 2023 en januari 2024 en de verschillende betalingsregelingen die zijn getroffen na aanmelding bij het CAK heeft [gedaagde] niet meer weersproken.
[gedaagde] moet premies betalen
4.6.
Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat DSW voldoende onderbouwd heeft dat er een zorgverzekeringsovereenkomst is gesloten en dat [gedaagde] op grond daarvan verzekeringspremies moet betalen. [gedaagde] heeft het bestaan van die overeenkomst onvoldoende gemotiveerd betwist. Dit brengt mee dat [gedaagde] de nog openstaande zorgverzekeringspremies van in totaal € 2.012,56 aan DSW moet betalen.
4.7.
Vast staat dat de zorgverzekeringspremie telkens verschuldigd is voor aanvang van de periode waarover premie verschuldigd is, waarna het verzuim direct intreedt. Nu [gedaagde] te laat is met het betalen van de maandelijkse premies kan de hierover gevorderde rente – tot en met 7 augustus 2025 berekend op een bedrag van € 265,31 – ook worden toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.8.
DSW vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. DSW heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. DSW heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Omdat DSW geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Daarom zal een bedrag van € 48,40 worden toegewezen.
Proceskosten
4.9.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van DSW worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
385,00
- salaris gemachtigde
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.073,64

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan DSW te betalen een bedrag van € 2.277,87 aan premieachterstand en verschenen rente, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 2.012,56, met ingang van 7 augustus 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan DSW te betalen een bedrag van € 48,40 aan buitengerechtelijke kosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.073,64, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.

Voetnoten

1.Artikel 2 Zorgverzekeringswet Pro en artikel 2.1.1 Wet langdurige zorg.