ECLI:NL:RBZWB:2026:2195

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
BRE 25/6064 V
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens ontbreken ingebrekestelling ongegrond verklaard

Opposante heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van 29 januari 2026, waarin haar beroep tegen het niet tijdig beslissen van het college op haar handhavingsverzoek niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank heeft het verzet beoordeeld en geoordeeld dat het verzet ongegrond is.

De kern van het geschil betreft de vraag of opposante het college in gebreke had moeten stellen voordat zij beroep kon instellen wegens het niet tijdig beslissen. Opposante stelde dat haar tweede handhavingsverzoek voldoende was om aan te geven dat zij zich niet langer zou neerleggen bij het uitblijven van handhaving, en verwees naar een eerdere uitspraak van de rechtbank Limburg. De rechtbank oordeelde echter dat een formele ingebrekestelling vereist is, waarin duidelijk wordt gemaakt dat de beslistermijn is verstreken.

De rechtbank benadrukte dat het enkel kenbaar maken van de wil tot handhaving niet gelijkstaat aan een ingebrekestelling. De door opposante aangehaalde uitspraak was niet vergelijkbaar omdat daar wel een ingebrekestelling was gedaan. De rechtbank concludeerde dat opposante het college formeel in gebreke had moeten stellen en dat het verzet daarom ongegrond is. De uitspraak van 29 januari 2026 blijft daarmee in stand en er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard omdat opposante het college niet formeel in gebreke heeft gesteld, waardoor de niet-ontvankelijkverklaring van haar beroep in stand blijft.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/6064 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2026 op het verzet van

[opposante], uit [plaats] , opposante [1]
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 29 januari 2026 in het geding tussen
opposante
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hulst

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak van de rechtbank van 29 januari 2026 waarin de rechtbank het beroep van opposante, tegen het niet tijdig beslissen van het college op haar handhavingsverzoek van 29 september 2025, niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.1.
Opposante heeft in haar verzetschrift niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft daarvoor (toch) geen aanleiding gezien, zodat een zitting achterwege is gebleven.

Beoordeling door de rechtbank van het verzet

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak eerst of in de uitspraak van 29 januari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [2] is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De uitspraak van 19 januari 2026
4. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat opposante het college niet in gebreke heeft gesteld.
5. Opposante voert in haar verzetschrift aan dat er met het tweede handhavingsverzoek al kenbaar was gemaakt dat opposante zich niet langer zou neerleggen bij het niet handhaven door het college. De situatie is vergelijkbaar met een uitspraak van de rechtbank Limburg van 11 september 2017. [3] In die zaak kon er geen ingebrekestelling worden gevergd, omdat de betrokkene had aangekondigd een beroep op een dwangsom te doen bij termijnoverschrijding. Verder voert opposante aan dat artikel 6:12, derde lid, van de Awb van toepassing is, omdat een ingebrekestelling duidelijk niet is bedoeld om te hanteren als drempelverhogend voor de rechtsbescherming. Het versturen van een ingebrekestelling met voor het college al evidente inhoud zou neergekomen zijn op een herhaling van zetten, hetgeen in geen enkel opzicht meerwaarde kan bieden voor een goed besluitvormingsproces.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat er geen ingebrekestelling door opposante is verzonden en dat er alleen in geschil is of opposante verplicht is om (voor het indienen van een beroepschrift niet tijdig beslissen) het college in gebreke te stellen.
Heeft opposante het college in gebreke moeten stellen?
6. De verzetrechter overweegt dat voor het indienen van een beroepschrift niet tijdig beslissen het college in gebreke dient te zijn gesteld door opposante. Hoewel de Algemene wet bestuursrecht aan een ingebrekestelling, behalve de eis dat deze schriftelijk moet zijn, verder geen eisen stelt, moet hieruit op zijn minst blijken dat de opsteller het bestuursorgaan duidelijk heeft willen maken dat de beslistermijn verstreken is. De verzetrechter oordeelt dat het kenbaar maken van de wil om handhaving niet gelijk staat aan een formele ingebrekestelling waarin wordt aangegeven dat de beslistermijn op de aanvraag is verstreken. Opposante stelt dat artikel 6:12, tweede lid, van de Awb alleen bedoeld is om het bestuursorgaan ervan op de hoogte te brengen dat men zich niet neerlegt bij termijnoverschrijding, maar dat is precies de verplichting die opposante heeft verzuimd. De verzetrechter ziet ook geen aanleiding om te oordelen dat er in een zaak als deze geen ingebrekestelling wordt gevergd.
6.1.
De uitspraak die opposante in haar verzetschrift noemt is niet vergelijkbaar. In die zaak was verweerder wel in gebreke gesteld, maar bleef de daaruit voortvloeiende dwangsombeslissing uit. De rechtbank overwoog in die zaak dat een tweede ingebrekestelling voor het dwangsombesluit niet meer nodig was. Het verzetschrift slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. De verzetsrechter oordeelt dat opposante voor het indienen van het beroepschrift niet tijdig beslissen het college formeel in gebreke heeft moeten stellen. In wat opposante heeft aangevoerd ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om anders te oordelen dan in de uitspraak van 29 januari 2026. Het verzet is ongegrond. Dit betekent dat de uitspraak in stand blijft.
8. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van L.J. Sijtsma, griffier, op 25 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).