ECLI:NL:RBZWB:2026:2195
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens ontbreken ingebrekestelling ongegrond verklaard
Opposante heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van 29 januari 2026, waarin haar beroep tegen het niet tijdig beslissen van het college op haar handhavingsverzoek niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank heeft het verzet beoordeeld en geoordeeld dat het verzet ongegrond is.
De kern van het geschil betreft de vraag of opposante het college in gebreke had moeten stellen voordat zij beroep kon instellen wegens het niet tijdig beslissen. Opposante stelde dat haar tweede handhavingsverzoek voldoende was om aan te geven dat zij zich niet langer zou neerleggen bij het uitblijven van handhaving, en verwees naar een eerdere uitspraak van de rechtbank Limburg. De rechtbank oordeelde echter dat een formele ingebrekestelling vereist is, waarin duidelijk wordt gemaakt dat de beslistermijn is verstreken.
De rechtbank benadrukte dat het enkel kenbaar maken van de wil tot handhaving niet gelijkstaat aan een ingebrekestelling. De door opposante aangehaalde uitspraak was niet vergelijkbaar omdat daar wel een ingebrekestelling was gedaan. De rechtbank concludeerde dat opposante het college formeel in gebreke had moeten stellen en dat het verzet daarom ongegrond is. De uitspraak van 29 januari 2026 blijft daarmee in stand en er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard omdat opposante het college niet formeel in gebreke heeft gesteld, waardoor de niet-ontvankelijkverklaring van haar beroep in stand blijft.