ECLI:NL:RBZWB:2026:2194

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
BRE 25/5424
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55c AwbArt. 8:55d AwbArt. 2:2 AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

College moet alsnog beslissen op aanvraag bijzondere bijstand en dwangsom betalen

Eiser heeft op 11 augustus 2025 via zijn gemachtigde een aanvraag bijzondere bijstand ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis. Het college heeft niet tijdig op deze aanvraag beslist, ondanks een ingebrekestelling op 6 oktober 2025.

Het college stelde dat de aanvraag niet rechtsgeldig was vanwege betwiste volmachten en het niet verschijnen van eiser bij een intake, maar de rechtbank oordeelt dat de aanvraag van 11 augustus 2025 wel in behandeling moet worden genomen. De rechtbank stelt dat het college uiterlijk op 6 oktober 2025 had moeten beslissen, wat niet is gebeurd.

De rechtbank verklaart het beroep kennelijk gegrond, draagt het college op binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit te nemen en legt een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000. Tevens stelt de rechtbank de reeds verschuldigde dwangsom vast op €1.442 en veroordeelt het college tot vergoeding van het griffierecht aan eiser.

Uitkomst: Het college moet binnen twee weken alsnog beslissen op de aanvraag bijzondere bijstand en een dwangsom betalen van maximaal €15.000.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5424

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat het college volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag van 11 augustus 2025 om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (Pw).
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Procesverloop
3. De gemachtigde heeft namens eiser op 6 juli 2025 bijstand in de kosten van levensonderhoud op grond van de Pw aangevraagd.
3.1.
De aanvraag van 6 juli 2025 is op 6 augustus 2025 door het college afgewezen, omdat eiser niet persoonlijk is verschenen voor een intake afspraak en omdat het college het vermogen van eiser niet heeft kunnen vaststellen. Verder heeft het college de overgelegde volmachten van eiser aan de gemachtigde van eiser betwist. Het college heeft besloten dat aan de overgelegde volmachten geen rechten ontleend kunnen worden. De volmachten dienen persoonlijk door eiser voor akkoord bevestigd te worden en daarbij komend is de volmacht van 3 maart 2025 niet rechtsgeldig voor rechtshandelingen/zaken in de gemeente Sluis. De heer [gemachtigde] is niet gevolmachtigd om namens eiser te handelen.
3.2.
De gemachtigde heeft vervolgens namens eiser op 11 augustus 2025 een nieuwe aanvraag voor bijstand op grond van de Pw bij het college ingediend. De aanvraag ziet op bijzondere bijstand voor overbrugging, voorschieten van een schuld, [bedrijf] en CJIB zorgpremie. De gemachtigde van eiser heeft bij deze aanvraag een nieuwe volmacht overgelegd van 10 augustus 2025.
3.3.
Omdat de gemachtigde van eiser geen besluit op de aanvraag heeft ontvangen, heeft de gemachtigde van eiser het college op 6 oktober 2025 in gebreke gesteld.
3.4.
Naar aanleiding van een incident heeft eiser op 21 oktober 2025, onder begeleiding van het college, zelf een aanvraag levensonderhoud bij het college ingediend.
3.5.
De gemachtigde van eiser heeft op 21 oktober 2025 een beroep niet tijdig beslissen bij de rechtbank ingediend, omdat het college geen besluit heeft genomen op de aanvraag van 11 augustus 2025.
3.6.
Op 23 december 2025 heeft het college met een besluit de aanvraag van 21 oktober 2025 buiten behandeling gesteld, omdat eiser niet is verschenen bij de intakegesprekken en ook niet de gevraagde inlichtingen heeft verstrekt.
Moet de aanvraag van 11 augustus 2025 in behandeling worden genomen?
4. Het college geeft in het verweerschrift aan dat er nooit sprake is geweest van een rechtsgeldige aanvraag vóór 21 oktober 2025 en dat er derhalve geen sprake is van een termijnoverschrijding. Het college beargumenteert dat eerder in het besluit van 6 augustus 2025 de gemachtigde van eiser op grond van artikel 2:2 van Pro de Awb is geweigerd. Om die reden kon de melding van de gemachtigde van eiser van 11 augustus 2025 niet worden aangemerkt als een startpunt voor een zorgvuldige aanvraagprocedure voor een uitkering op grond van de Pw.
4.1.
De rechtbank oordeelt dat de aanvraag van 11 augustus 2025 wel in behandeling moet worden genomen. Uit het besluit van 6 augustus 2025 blijkt namelijk niet dat de gemachtigde van eiser op grond van artikel 2:2 van Pro de Awb is geweigerd. In het besluit is er enkel geoordeeld dat de volmachten, die de gemachtigde van eiser in die procedure heeft overgelegd, niet rechtsgeldig zijn. Het besluit van 6 augustus 2025 staat de gemachtigde van eiser dan ook niet in de weg om een nieuwe aanvraag met een nieuwe volmacht in te dienen.
Is het beroep kennelijk gegrond?
5. Het beroep is kennelijk gegrond. De gemachtigde van eiser heeft op 11 augustus 2025 een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend en het college heeft deze op dezelfde dag ontvangen. De Pw kent geen bepaling inzake de termijn waarbinnen op een aanvraag moet worden beslist, zodat als redelijke beslistermijn een periode van acht weken geldt. [2] Het college had dus uiterlijk op 6 oktober 2025 moeten beslissen. De termijn waarbinnen het college moet beslissen is inmiddels voorbij. Aangezien het college de ontvangst van de ingebrekestelling niet in het verweerschrift heeft betwist, gaat de rechtbank ervan uit dat de ingebrekestelling op 6 oktober 2025 door het college is ontvangen. Sindsdien zijn twee weken voorbijgegaan.
Welke beslistermijn wordt aan het college opgelegd?
6. Omdat het college nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het college dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het college dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak.
Welke dwangsom wordt aan het college opgelegd?
7. De rechtbank bepaalt dat het college een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het college. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
Stelt de rechtbank de bestuurlijke dwangsom vast?
8. Eiser heeft verzocht om de dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden. [3]
8.1.
Het college heeft de hoogte van de dwangsom niet vastgesteld. De rechtbank doet dit op grond van artikel 8:55c van de Awb nu alsnog. De rechtbank constateert dat de ingebrekestelling op 6 oktober 2025 is ontvangen en dat sinds twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling meer dan 42 dagen zijn verstreken. De rechtbank oordeelt dan ook dat de dwangsom het maximale bedrag van € 1.442,- bedraagt.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, het college de onder 6. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het college de onder 7. genoemde dwangsom wordt opgelegd. De rechtbank stelt ook de door het college al verschuldigde bestuurlijke dwangsom vast zoals onder 8.1. berekend.
10. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het college op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat het college aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
- stelt de door het college te betalen dwangsom vast op € 1.442,-;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van L.J. Sijtsma, griffier, op 25 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Dit staat in artikel 4:13 van Pro de Awb.
3.Dit staat in artikel 4:17 en Pro 4:18, eerste lid, van de Awb.