Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2173

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444842 / FA RK 26-675
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige zorgregeling vastgesteld na overeenstemming tussen ouders na echtscheiding

Partijen zijn gehuwd geweest en bij beschikking van 9 september 2022 is hun echtscheiding uitgesproken. Uit het huwelijk is een minderjarig kind geboren dat bij de moeder verblijft. Beide ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. Bij de echtscheidingsbeschikking is een ouderschapsplan aan de beschikking gehecht waarin een zorgregeling is opgenomen.

De vader heeft op 2 februari 2026 een bodemprocedure gestart tot wijziging van de zorgregeling. Tijdens de procedure hebben partijen een voorlopige regeling getroffen waarbij de vader minimaal tweemaal per week contact heeft met het kind, met afspraken over specifieke data en flexibiliteit in duur en aanwezigheid, aansluitend bij de wensen en draagkracht van het kind.

De rechtbank constateert dat partijen overeenstemming hebben bereikt en wijzigt de voorlopige zorgregeling overeenkomstig het verzoek. De zitting op 16 maart 2026 gaat hierdoor niet door. De voorlopige beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank stelt een voorlopige zorgregeling vast waarbij de vader minimaal tweemaal per week contact heeft met het kind en verklaart deze regeling uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/444842 / FA RK 26-675
datum uitspraak: 17 maart 2026
beschikking betreffende voorlopige zorgregeling
in de zaak van
[de man],
hierna te noemen de man,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. J.L.J. de Vos te Goes,
tegen
[de vrouw] ,
hierna te noemen de vrouw,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. I.H.T.J. Anthonise-Gieling te Goes.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1.Het procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 4 februari 2026 ontvangen provisionele verzoek met bijlagen;
- het F9-formulier van mr. De Vos d.d. 12 maart 2026 met bijlage;
- het F9-formulier van mr. Anthonise-Gieling d.d. 12 maart 2026.

2.De feiten

2.1
Partijen zijn gehuwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank d.d. 9 september 2022 is in het huwelijk van partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 30 september 2022 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.
2.2
Uit het huwelijk van partijen is het navolgende minderjarige kind geboren:
- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021.
2.3
[minderjarige] verblijft bij de vrouw.
2.4
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.5
Bij voornoemde beschikking van 9 september 2022 heeft de rechtbank het door partijen gesloten ouderschapsplan d.d. 30 maart 2022 aan de beschikking gehecht en bepaald dat dit plan deel uitmaakt van de beschikking. In het ouderschapsplan hebben partijen de volgende zorgregeling opgenomen:
2.6
Op 2 februari 2026 heeft de man een bodemprocedure aanhangig gemaakt (bekend onder zaak-/rekestnummer C/02/444840 / FA RK 26-673) strekkende tot wijziging van de zorgregeling.

3.Het verzoek en de beoordeling

3.1
De man verzoekt bij beschikking en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van deze procedure de volgende opbouwende zorgregeling vast te stellen, althans een zodanige regeling die de rechtbank in goede justitite juist acht:
  • tweemaal een contactmoment van 2 uur aaneengesloten;
  • tweemaal een contactmoment van 4 uur aaneengesloten;
  • tweemaal een contactmoment van 8 uur aaneengesloten;
  • tweemaal een contactmoment van één volledige dag met aansluitend één overnachting van zaterdagochtend tot zondagochtend;
  • tweemaal een contactmoment van één volledige dag met aansluitend één overnachting van zaterdagochtend tot zondagavond;
  • tweemaal een contactmoment met twee overnachtingen van vrijdagmiddag tot zondagavond;
  • aansluitend de reguliere zorgregeling zoals in de bodemprocedure is verzocht.
3.2
Bij brief van 12 maart 2026, gevoegd bij F9-formulier d.d. 12 maart 2026, bericht mr. De Vos dat partijen inmiddels een voorlopige regeling hebben getroffen, zodat de geplande zitting op 16 maart 2026 geen doorgang behoeft. Beide partijen onderschrijven het belang van het hervatten van het contact tussen de vader en [minderjarige] , temeer nu [minderjarige] zelf kenbaar heeft gemaakt hier behoefte aan te hebben. Partijen staan open voor omgangsbegeleiding en zijn hierover in overleg met [hulpverlening] . Het eerste contactmoment tussen de vader en [minderjarige] heeft op 10 maart jl. plaatsgevonden. In afwachting van de inzet van professionele omgangsbegeleiding zijn partijen de volgende regeling overeengekomen:
- tussen de vader en [minderjarige] geldt een tijdelijke zorgregeling waarbij minimaal tweemaal per week contact plaatsvindt van tenminste één uur;
- in ieder geval zal contact plaatsvinden op de volgende data: 13 maart, 18 maart, 26 maart, 1 april, 7 april en 14 april;
- de overige contactmomenten zullen in onderling overleg tussen partijen worden gepland;
- partijen bepalen in onderling overleg de exacte duur van de contactmomenten en of – en zo ja wie – daarbij aanwezig is, waarbij zij aansluiten bij de wensen en draagkracht van [minderjarige] .
Partijen verzoeken de rechtbank deze tijdelijke regeling in een beschikking vast te leggen. Ten aanzien van de bodemprocedure wordt verzocht deze in afwachting van het raadsonderzoek en de omgangsbegeleiding voor de duur van zes maanden aan te houden.
3.3
Bij F9-formulier d.d. 12 maart 2026 heeft mr. Anthonise-Gieling het voorgaande bevestigd. De zitting op 16 maart 2026 behoeft geen doorgang.
3.4
De rechtbank stelt vast dat partijen tot overeenstemming zijn gekomen. Gelet op de tussen partijen bereikte overeenstemming beschouwt de rechtbank het provisionele verzoek van de man overeenkomstig het vorenstaande gewijzigd. De rechtbank zal, gelet op de overeenstemming tussen partijen en nu het verzochte haar niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, overeenkomstig het verzoek van partijen beslissen. De geplande zitting op 16 maart 2026 zal dan ook geen doorgang vinden.
3.5
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1
bepaalt, onder wijziging van de beschikking van 9 september 2022 en het daaraan gehechte ouderschapsplan, dat de man in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
voorlopiggerechtigd is tot het hebben van contact met [minderjarige] conform de tussen partijen gemaakte afspraken en zoals deze zijn opgenomen onder r.o. 3.2 van deze beschikking;
4.2
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.3
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026 in tegenwoordigheid van Bakker-Maljers, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.