Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2172

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
C/02/445410 / JE RK 26-326
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Duinhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:260 BWArt. 1:265c BWArt. 1:265j BWBesluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en brede machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen en een machtiging tot uithuisplaatsing van een van hen. De kinderrechter heeft op 10 maart 2026 een zitting met gesloten deuren gehouden waarbij ouders, de GI, de grootvader en de Raad voor de Kinderbescherming aanwezig waren. De minderjarige die kon spreken, gaf aan het goed te hebben bij opa en geen contact met de vader te missen.

De feiten tonen aan dat de ondertoezichtstelling sinds april 2024 van kracht is en meerdere malen is verlengd. De machtiging tot uithuisplaatsing van de jongste minderjarige is ook meerdere keren verlengd en zij verblijft momenteel bij haar grootvader moederszijde. De GI verzoekt verlenging van de ondertoezichtstelling en een brede machtiging voor verblijf bij een jeugdhulpaanbieder en weekendopvang bij opa.

De moeder erkent de noodzaak van verlenging maar mist regie van de GI. De vader wil contact met de kinderen en is bereid samen te werken. De grootvader benadrukt de zorgbehoefte van de jongste minderjarige en het belang van goede informatievoorziening. De Raad adviseert toewijzing vanwege aanhoudende ontwikkelingsbedreigingen en zorgbehoeften.

De kinderrechter oordeelt dat verlenging noodzakelijk is vanwege de ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen en de noodzaak van professionele ondersteuning. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend voor verblijf bij de jeugdhulpaanbieder en weekendopvang bij opa. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en ingeschreven in het gezagsregister.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarigen wordt verlengd en een brede machtiging tot uithuisplaatsing van de jongste minderjarige wordt verleend.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/445410 / JE RK 26-326
Datum uitspraak: 10 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2017 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2014 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. M. Kalle te Middelburg,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
Als informant is in de procedure betrokken:
[de grootvader moederszijde] ,
hierna te noemen de grootvader moederszijde,
wonende te [woonplaats 3] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend en gehoord:
- de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Middelburg, hierna te noemen de Raad.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 25 februari 2026;
  • het bericht van de GI d.d. 5 maart 2026 met bijlage;
  • het e-mailbericht van de moeder d.d. 10 maart 2026 met bijlage.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
  • de moeder met haar advocaat;
  • een tweetal vertegenwoordigsters van de GI;
  • de grootvader moederszijde;
  • een vertegenwoordiger van de Raad.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken. [minderjarige 1] heeft hier geen gebruik van gemaakt. [minderjarige 2] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 2] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] .
2.2.
Bij beschikking van 12 april 2024 zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de
GI met ingang van 12 april 2024 en tot 12 april 2025. Ook is een machtiging verleend tot
uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een gezinsvervangende omgeving voor de duur van zes
maanden, met ingang van 12 april 2024 en tot 12 oktober 2024.
2.3.
Bij beschikking van 2 oktober 2024 heeft de kinderrechter de machtiging tot
uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening verlengd voor de duur van de
ondertoezichtstelling te weten tot 12 april 2025.
2.4.
Bij beschikking van 25 maart 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1]
verlengd met ingang van 12 april 2025 en tot 12 mei 2025. De machtiging tot
uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening is verlengd voor de duur van een
maand, te weten met ingang van 12 april 2025 en tot 12 mei 2025. Het restant van het
verzoek is aangehouden. Bij beschikking van 29 april 2025 is deze machtiging verlengd tot 12 april 2026.
2.5.
Bij beschikking van 1 juli 2025 heeft de kinderrechter een (spoed)machtiging tot
uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg, te weten binnen het netwerk bij
de opa, verleend, met ingang van 1 juli 2025 en tot 15 juli 2025. Het resterende deel van het
verzoek heeft de kinderrechter aangehouden.
2.6.
Bij beschikking van 8 juli 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij opa, verlengd met ingang van 15 juli 2025 en tot 12 april 2026.
2.7.
[minderjarige 2] verblijft op basis van de voornoemde machtiging in het netwerkpleeggezin van opa moederszijde.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de periode tot 20 april 2026 en in aansluiting hierop een machtiging te verlenen tot plaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot het einde van de ondertoezichtstelling (mits de ondertoezichtstelling wordt verlengd). De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Tijdens de zitting heeft de GI haar verzoek ten aanzien van de uithuisplaatsing gewijzigd, in die zin dat verzocht wordt een brede machtiging te verlenen ten behoeve van het verblijf van [minderjarige 2] bij [accommodatie] en in de weekenden bij opa.

4.De standpunten

4.1.
De GI vindt verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk. De ontwikkelingsbedreigingen zijn namelijk nog niet afdoende weggenomen. Met name ten aanzien van het contactherstel van de kinderen met de vader is sturing van de GI noodzakelijk. In de komende periode gaat [hulpverlening] de vader begeleiden om te kunnen beoordelen wat hij nodig heeft om toe te kunnen werken naar omgang met de kinderen. [hulpverlening] zal de uitvoering van het traject om tot contactherstel te komen op zich nemen, maar de GI blijft eindverantwoordelijk voor wat betreft de stappen die binnen dit traject genomen gaan worden. Er moet goed gekeken worden naar wat passend is voor de kinderen, met name omdat [minderjarige 2] duidelijk aangeeft haar vader niet te missen. Naast verlenging van de ondertoezichtstelling verzoekt de GI ook een nieuwe machtiging ten aanzien van de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] . Omdat het eerder met [minderjarige 2] niet goed ging in het gezinshuis, was opa bereid om [minderjarige 2] tijdelijk op te vangen. Gezien wordt dat [minderjarige 2] een grotere zorgbehoefte heeft dan opa haar kan bieden. [minderjarige 2] heeft professionele ondersteuning nodig. Inmiddels is er een passende plek voor haar gevonden bij [accommodatie] . Rond de meivakantie zal [minderjarige 2] hier beginnen met logeren. De GI staat er volledig achter dat [minderjarige 2] in het weekend bij opa verblijft en heeft ter zitting haar verzoek gewijzigd, in die zin dat de kinderrechter verzocht wordt om een brede machtiging te verlenen voor beide verblijfsituaties. Pleegzorg zal in dit kader betrokken blijven. Tot slot benoemt de GI dat zij aandacht zal hebben voor het gemis van de moeder aan voldoende regie vanuit de GI en zal hierover met de moeder in gesprek gaan.
4.2.
De moeder begrijpt dat de ondertoezichtstelling langer nodig is, mede ook in afwachting van het lopende raadsonderzoek naar het gezag. Zij vindt wel dat de GI meer regie moet voeren, want dit heeft zij in de afgelopen periode gemist en zijn het opa en de moeder geweest die de noodzakelijke stappen hebben gezet en niet de GI. Tijdens de vorige zitting zijn doelen gesteld, waar in de afgelopen periode niet aan gewerkt is. De moeder heeft het idee dat zij achter de feiten aan blijft lopen. Het heeft ook lang geduurd voordat het onderzoek bij de Raad naar een gezagsbeëindigende maatregel is aangevraagd. Dit had al veel eerder gekund. De moeder vindt de situatie met de vader lastig. Geprobeerd is om toe te werken naar omgang van de vader met de kinderen, maar hiervoor moet de vader eerst aan zichzelf werken. Hij stelt echter omgang als voorwaarde, terwijl de moeder vindt dat de vader eerst aan zichzelf moet werken alvorens er omgang kan zijn. De GI volgt de vader daarin en neemt beslissingen waar de moeder niet achter kan staan. Daarnaast stelt de moeder dat zij steeds meer tot het besef komt dat [minderjarige 2] meer nodig heeft dan zij en opa haar kunnen bieden. Het is de moeder die een passende plek voor [minderjarige 2] gevonden heeft bij [accommodatie] en zij kan zich dan ook vinden in een toewijzing van de hiertoe verzochte machtiging. De moeder staat er volledig achter als [minderjarige 2] in de weekenden bij opa verblijft.
4.3.
De vader benoemt dat hij niet op de hoogte is van de problemen die in het afgelopen jaar hebben gespeeld. Hij wordt vanuit de GI nauwelijks geïnformeerd. In de tijd dat [minderjarige 2] nog bij de vader thuis kwam, heeft hij nooit grote problemen met [minderjarige 2] ervaren. De vader vraagt al twee jaar lang om contact met zijn kinderen. Het is eerder gestopt, omdat de kinderen overprikkeld terugkwamen bij de moeder. Dit is volgens de vader een logische reactie als zij al een jaar lang hun vader niet hebben gezien. Inmiddels zijn we anderhalf jaar verder en zijn er nog geen nadere stappen gezet. De vader wil dus heel graag zo snel mogelijk het contact met zijn kinderen herstellen en is bereid hiervoor te doen wat nodig is. De vader wil graag weten wat van hem verwacht wordt. De vader is bereid om met de GI samen te werken en voert geen verweer tegen het verzoek om de ondertoezichtstelling te verlengen. Met de plaatsing van [minderjarige 2] bij [accommodatie] stemt de vader in, als dit het beste voor [minderjarige 2] is.
4.4.
De grootvader heeft het gevoel dat hij [minderjarige 2] te kort doet, omdat zij in haar behoefte meer nodig heeft dan hij haar kan bieden. [minderjarige 2] is kwetsbaar en beïnvloedbaar en heeft professionele ondersteuning nodig. Opa wil wel graag in de weekenden betrokken blijven. Tot slot benoemt opa het belangrijk te vinden dat ouders duidelijk geïnformeerd worden over de stappen die gezet worden. Hij is van mening dat er teveel achter de schermen gebeurt en begrijpt dan ook het gevoel van de vader dat hij informatie mist.
4.5.
De Raad is op grond van artikel 1:265j BW verzocht om een advies te geven over de verzoeken van de GI. Omdat dit niet eerder is gelukt, heeft de Raad dit ter zitting gedaan. De Raad kan zich vinden in de onderbouwing van de verzoeken van de GI en adviseert de kinderrechter deze toe te wijzen. De Raad constateert dat de zorgen over de kinderen blijven voortduren. De behandeling van [minderjarige 1] is gestagneerd, zij kent lichamelijke klachten en gaat minder naar school. Daarnaast wordt er bij [minderjarige 1] behoefte gezien aan een levensverhaal en moet er in de tussentijd gewerkt worden aan een vorm van contactherstel met de vader. [minderjarige 2] zal vanuit opa gaan verhuizen naar [accommodatie] . Omdat dit voor haar een verlieservaring gaat zijn, is het belangrijk dat zij hiervoor ontschuldigd wordt. Haar zorgvraag is zo groot dat de moeder en opa haar dit niet kunnen bieden. Zij heeft professionele begeleiding nodig. De Raad vindt de sturing van de GI noodzakelijk in afwachting van de bevindingen die voortkomen uit het raadonderzoek naar het gezag. Daarbij benoemt de Raad dat het contactherstel met de vader zorgvuldige aandacht vergt, want de wijze waarop dit traject zal worden aangevlogen is bepalend.
4.6.
[minderjarige 2] heeft met de kinderrechter gesproken over het contact met haar moeder en partner, haar zus [minderjarige 1] , de school en wat zij later wil worden. Het liefst wil zij juf worden, net als de vriendin van haar neef. Daarnaast geeft [minderjarige 2] aan dat zij het goed heeft bij opa. Zij heeft geen contact met vader en mist hem niet.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd, omdat beide kinderen veel zorg nodig hebben en het de ouders tot op heden niet lukt om aan die zorgbehoefte tegemoet te komen. Naar het oordeel van de kinderrechter is het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de GI langer betrokken blijft om ouders te sturen en regie te voeren over hetgeen in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig is. De kinderrechter bemerkt wel in de afgelopen periode een positieve verandering, nu de samenwerking tussen ouders en de GI lijkt te verbeteren. Er is bij de ouders en bij de opa een besef ontstaan dat [minderjarige 2] meer nodig heeft dan zij haar kunnen bieden en dat zij niet thuis kan wonen. Dit besef geeft een eerste basis om stappen te kunnen maken. De kinderrechter realiseert zich dat ouders er nog lang niet zijn en dat er nog gewerkt moet worden aan de doelen die zijn geformuleerd, waaronder het contactherstel van de kinderen met de vader. De kinderrechter voegt daaraan toe dat van de GI wordt verlangd dat zij inzichtelijk maakt wat de regie inhoudt en welke stappen er worden genomen. Daarbij is belangrijk dat de ouders gaan komen tot een collegiale samenwerking met begrip voor de positie van de ander en dat zij er alles aan zullen doen om de kinderen tot ontwikkeling te laten komen. De kinderrechter zal, mede in afwachting van de bevindingen die voortkomen uit het raadsonderzoek naar het gezag, de ondertoezichtstelling verlengen voor de duur van een jaar.
5.3.
Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding. [2] Nadat de eerdere plaatsing in het gezinshuis niet goed is verlopen, is [minderjarige 2] met een daartoe strekkende machtiging bij opa gaan wonen. In de afgelopen periode is steeds meer duidelijk geworden dat [minderjarige 2] een meer dan gemiddelde opvoedbehoefte kent en professionele ondersteuning nodig heeft. Inmiddels is er een plek voor [minderjarige 2] gevonden die aansluit bij die behoefte. [minderjarige 2] kan rond de meivakantie terecht bij [accommodatie] . Daarbij is het de bedoeling dat zij in de weekenden bij opa zal verblijven op een door de GI nog nader (schriftelijk) vast te stellen frequentie. De kinderrechter zal naar aanleiding van het ter zitting gewijzigde verzoek van de GI een brede machtiging verlenen ten behoeve van de plaatsing van [minderjarige 2] bij [accommodatie] en de weekenden bij opa.
5.4.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [3]
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter acht namelijk in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de door de GI geboden ondersteuning en hulp zonder onderbreking zal doorlopen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 12 april 2026 en tot 12 april 2027;
6.2.
verleent een brede machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] , zodat zij zal kunnen verblijven in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder alsmede in een voorziening voor pleegzorg, te weten tijdens de weekenden bij de grootvader moederszijde op een nader door de GI vast te stellen frequentie, met ingang van 12 april 2026 en tot 12 april 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van Bakker-Maljers als griffier, en op schrift gesteld op 24 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
3.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.