Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
2.De feiten
- In de voorjaarsvakantie verblijft [minderjarige] bij de vrouw, waarbij de weekendregeling wordt aangehouden;
- In de meivakantie vindt de regeling in overleg plaats. Mocht dit niet mogelijk zijn, dan wordt de vakantie bij helfte verdeeld. Daar waar [minderjarige] in het weekend verblijft gaat de vakantie van start, waarbij de wisseling plaatsvindt op vrijdag 17:00 uur;
- In de zomervakantie verblijft [minderjarige] in de 2e en 3e week bij de ene partij en in de 4e en 5e week bij de andere partij in overleg te bepalen, waarbij de wisseling plaatsvindt op vrijdag 17:00 uur;
- In de herfstvakantie verblijft [minderjarige] bij de man, waarbij de weekendregeling wordt aangehouden;
- In de kerstvakantie blijft de weekendregeling van kracht, waarbij deze opgesplitst wordt op basis van 50%-50%, zodat ieder der partijen met vakantie kan gaan met [minderjarige] . Gaan zij niet met vakantie, dan geldt de volgende regeling:
- Kerstavond en kerstdagen in overleg bij helfte te verdelen;
- Oudejaarsavond en opvolgende nacht in het oneven jaar bij de vrouw en het even jaar bij de man.
3.Het geschil in conventie en reconventie
4.De beoordeling in conventie en in reconventie
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; (keuze: lichte / zware/systeemgerichte interventie);
- het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar;
- de nieuwe gezinssituaties zorgen gezamenlijk voor een goede basis voor de ontwikkeling van het kind.
De resultaten zijn ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is aan dit vonnis gehecht (bijlage 1).
-welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn
UHA in KG met zaaknummer C/02/443907 / KG ZA 26-11 d.d. 13 maart 2026;
5.De beslissing
15 september 2026 PRO FORMA, of zoveel eerder als mogelijk is, in de nog aanhangig te maken bodemprocedure de rapportage over het verloop en het resultaat van het (jeugd)hulpverleningstraject ter griffie in te dienen;
UHA in KG met zaaknummer C/02/443907 / KG ZA 26-11 d.d. 13 maart 2026”;