Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verloop van de procedure
2.Wat vaststaat
3.Het verzoek
4.De standpunten
5.De beoordeling
6.De beslissing
uiterlijk op 13 maart 2026;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 20 februari 2026 een rekestprocedure betreffende een zorgmachtiging voor betrokkene, geboren in 1995. De officier van justitie verzocht om verlenging van de zorgmachtiging voor twaalf maanden. Betrokkene gaf aan het goed te hebben, maar had nog geen gesprek gehad met een onafhankelijk psychiater en wenste dit alsnog.
Tijdens de zitting verklaarde een verpleegkundige dat betrokkene het goed maakt, maar zich verzet tegen depotmedicatie en zonder zorgmachtiging geen medicatie wil innemen. De advocaat van betrokkene verzocht primair afwijzing van het verzoek tot verlenging, subsidiair om een second opinion vanwege het ontbreken van een gesprek met een onafhankelijk psychiater.
De rechtbank oordeelde dat onvoldoende informatie beschikbaar was om te beslissen over het verzoek tot verlenging, omdat het onduidelijk was of betrokkene vrijwillig behandeld kon worden. Daarom werd het verzoek om een second opinion toegewezen. De rechtbank bepaalde dat een onafhankelijk psychiater binnen drie weken met betrokkene moet spreken en een nieuwe medische verklaring moet opstellen, waarna een nieuwe zitting zal plaatsvinden.
De beslissing werd mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken door rechter De Beer, met griffier Willemsen aanwezig. Tegen deze beschikking staat cassatie open.
Uitkomst: Verzoek om second opinion wordt toegewezen en beslissing op verlenging zorgmachtiging wordt aangehouden.