ECLI:NL:RBZWB:2026:2095

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444240 / JE RK 26-118
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265g BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging zorgregeling: opschorting fysiek contact vader met minderjarigen

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot wijziging van de zorgregeling voor twee minderjarigen, waarbij het fysieke contact met de vader volledig wordt opgeschort. De minderjarigen wonen bij de moeder en zijn sinds juni 2021 onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling, met verlengingen tot 2026.

De vader heeft een contact- en gebiedsverbod opgelegd gekregen vanwege zijn problematisch gedrag, waaronder dreigingen en moeite met emotieregulatie. De minderjarigen hebben aangegeven geen contact met de vader te willen zolang het verbod geldt. De moeder en de gecertificeerde instelling ondersteunen het verzoek tot opschorting van het contact, terwijl de vader verweer voert over het ontbreken van contactherstel en zijn wens om de kinderen te blijven zien.

De kinderrechter oordeelt dat het in het belang van de minderjarigen is het fysieke contact op te schorten om hen rust en duidelijkheid te bieden. De vader wordt aangemoedigd hulpverlening te accepteren en aan zijn emotieregulatie te werken. Indirect contact, zoals het sturen van kaartjes, blijft mogelijk. De beschikking is direct uitvoerbaar en hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden.

Uitkomst: De kinderrechter wijzigt de zorgregeling en schort het fysieke contact tussen vader en minderjarigen voor onbepaalde tijd op in het belang van de kinderen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/444240 / JE RK 26-118
Datum uitspraak: 20 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F.C.M. Maat-Oldenhof te ’s-Heer-Arendskerke,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van 20 januari 2026, ontvangen op 20 januari 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader;
  • een tweetal vertegenwoordigsters van het LET jeugdbescherming (hierna: LET);
  • een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.
Gelet op het contact- en gebiedsverbod dat aan de vader is opgelegd, heeft de kinderrechter de vader en de moeder afzonderlijk van elkaar gehoord. Bij de mondelinge behandeling van de moeder zijn de twee vertegenwoordigsters van de GI verschenen, bij de mondelinge behandeling van de vader zijn de twee vertegenwoordigsters van het LET verschenen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een telefonisch gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.
2.3.
Bij beschikking van 18 juni 2021 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 18 juni 2021 en tot 18 juni 2022. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, laatstelijk tot 18 juni 2026.
2.4.
Bij beschikking van 21 maart 2024 is de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, zoals bepaald in de beschikking van 26 juni 2023, (opnieuw) gewijzigd, in die zin dat de volgende regeling zal gelden:
  • [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zijn in de even weken in het weekend bij de moeder;
  • [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zijn in de oneven weken in het weekend bij de vader van vrijdagavond 18:30 uur tot zondagavond 18:30 uur, waarbij de overdracht plaatsvindt bij het pannenkoekenhuis in [woonplaats] . Daarbij geldt dat de ene ouder de kinderen naar deze locatie brengt en de andere ouder de kinderen daar ophaalt. Beide ouders komen alleen;
De verdeling voor de vakanties in 2024 zal als volgt gelden:
Goede vrijdag en Pasen 28 maart t/m 1 april 2024
  • donderdag 28 maart t/m zondag 31 maart 2024 18.30 uur bij de vader;
  • vanaf 31 maart 2024 18.30 uur bij de moeder;
Meivakantie 22 april t/m 3 mei 2024
  • vrijdag 19 t/m vrijdag 26 april 2024 18.30 uur bij de moeder;
  • vrijdag 26 april t/m vrijdag 3 mei 2024 18.30 uur bij de vader;
  • vanaf 3 mei 18.30 uur bij moeder
Zomervakantie 8 juli t/m 18 augustus 2024
  • vrijdag 5 t/m 19 juli 2024 18.30 uur bij de moeder;
  • vrijdag 19 juli t/m vrijdag 9 augustus 2024 18.30 uur bij de vader;
  • vrijdag 9 augustus t/m vrijdag 16 augustus 2024 18.30 uur bij de moeder;
  • vrijdag 16 t/m zondag 18 augustus 2024 bij de vader;
Herfstvakantie 21 t/m 27 oktober 2024
  • vrijdag 18 t/m woensdag 23 oktober 2024 18.30 uur bij de moeder;
  • woensdag 23 t/m zondag 27 oktober 2024 18.30 uur bij de vader;
Kerstvakantie 23 december 2024 t/m 5 januari 2025
  • vrijdag 20 t/m zaterdag 28 december 2024 18.30 uur bij de vader;
  • zaterdag 28 december 2024 t/m zondag 5 januari 2025 18.30 uur bij de moeder.
2.5.
Bij vonnis in kort geding van 25 april 2024 is door de voorzieningenrechter bepaald dat de zorgregeling, zoals die bij beschikking van 21 maart 2024 is vastgesteld,
voorlopigwordt gewijzigd en beperkt in die zin dat de vader de zorg voor de minderjarigen alleen kan hebben onder begeleiding van een hulpverlener, zulks totdat de GI, in overleg met de hulpverlening, vaststelt dat dit weer anders kan.
2.6.
Aan de vader is bij vonnis van de politierechter van 6 augustus 2024 een contact- en gebiedsverbod opgelegd voor de duur van twee jaar. Hiervan kan worden afgeweken (ten behoeve van het maken van afspraken in het kader van hulpverlening) na nadrukkelijke schriftelijke toestemming door (een medewerker van) op dat moment in het gezin actieve regievoering/hulpverlening. Het contact vindt in dat geval enkel plaats:
  • onder begeleiding dan wel regie van (een medewerker van) op dat moment in het gezin actieve regievoering/hulpverlening;
  • op een door van (een medewerker van) op dat moment in het gezin actieve regievoering/hulpverlening bepaalde locatie;
  • voor een door (een medewerker van) op dat moment in het gezin actieve regievoering/hulpverlening bepaalde duur.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de zorgregeling, zoals die bij beschikking van 21 maart 2024 is vastgesteld, te wijzigen en te bepalen dat de fysieke omgang tussen de minderjarigen en de vader volledig wordt opgeschort voor onbepaalde tijd. Tot slot verzoekt de GI de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] vertellen in het gesprek met de kinderrechter dat ze voor nu geen contact met de vader willen. Als het contact- en gebiedsverbod is afgelopen, willen zij er opnieuw over nadenken.
4.2.
De GI handhaaft het verzoek en licht toe dat het belangrijk is dat er duidelijkheid en rust komt voor de minderjarigen met betrekking tot het contact met de vader. Het LET vult aan dat de vader inmiddels informatie van de moeder krijgt over de minderjarigen. Hij heeft zich daarnaast aangemeld bij Emergis en er is sprake van reclasseringstoezicht. Het is van belang dat de vader de komende periode aan de slag gaat met zijn problematiek, zodat hij daarna een meer ontspannen en vrij contact met de minderjarigen kan hebben. In de tussentijd kan de vader de minderjarigen af en toe een kaartje sturen.
4.3.
Door en namens de moeder wordt geen verweer gevoerd. Sinds [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geen contact meer hebben met de vader, is er meer rust ontstaan. Als de vader echter op een bepaalde manier weer in beeld komt, wordt het weer onrustiger voor de minderjarigen. De vader is altijd heel boos en zoekt steeds weer verschillende manieren om onrust te veroorzaken. Het is van belang dat de vader een geestelijke behandeling ondergaat.
4.4.
De vader voert verweer tegen het verzoek. Er heeft geen contactherstel plaatsgevonden, ondanks dat de rechtbank deze opdracht wel heeft gegeven. De vader vermoedt dat de minderjarigen worden gemanipuleerd door de moeder. Hij heeft al lang geen contact meer met de minderjarigen en kan dus ook niet boos op hen zijn geweest. Hij heeft tevens het gevoel dat hij, ondanks dat hij ook het gezag heeft, wordt buitengesloten. Hij voelt zich zeer machteloos. De vader wil graag de minderjarigen blijven zien.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op basis van het bepaalde in artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling voor de duur van de ondertoezichtstelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen, voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
5.2.
De kinderrechter kan op grond van lid 2 de hiervoor genoemde zorgregeling wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De kinderrechter stelt vast dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden, nu de minderjarigen geen (fysiek) contact met de vader willen en de vader nog geen persoonlijke hulpverlening heeft gehad voor zijn emotieregulatie. De kinderrechter komt daarmee toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter stelt op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling vast dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] meerdere ingrijpende gebeurtenissen hebben meegemaakt, zoals dreigingen vanuit de vader en een langdurige blootstelling aan spanningen tussen de ouders. Daarnaast is gebleken dat de minderjarigen al een langere tijd geen contact meer met de vader hebben. Zij staan hier momenteel ook niet voor open. Er is daarbij sprake van een contact- en locatieverbod, hetgeen maakt dat er nu geen contact mogelijk is. Voorts is het de kinderrechter gebleken dat de vader moeite heeft met het reguleren van zijn emoties en zich regelmatig dreigend, eisend en grensoverschrijdend uit. De kinderrechter stelt op grond van het voorgaande vast dat het momenteel niet in het belang van de minderjarigen is dat zij fysiek contact hebben met de vader. De kinderrechter wijzigt daarom de zorgregeling, zoals die bij de beschikking van 21 maart 2024 is vastgesteld, en bepaalt dat de fysieke omgang tussen de vader en minderjarigen voor onbepaalde tijd wordt opgeschort. Het is noodzakelijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] rust en duidelijkheid gaan ervaren omtrent het contact met de vader, zodat zij het verleden kunnen verwerken en toe kunnen komen aan hun eigen ontwikkelingstaken. Verder is het de kinderrechter gebleken dat de vader zich heeft aangemeld bij Emergis voor persoonlijke hulpverlening, hetgeen een positieve ontwikkeling is. Het is van belang dat de vader deze hulpverlening (blijvend) accepteert en aan de slag gaat met zijn emotieregulatie, zodat in de toekomst kan worden onderzocht of en op welke wijze een contactherstel, op geleide van de minderjarigen, mogelijk is. De kinderrechter overweegt tot slot dat het van belang is dat de vader in de tussentijd de mogelijkheid heeft tot indirect contact, bijvoorbeeld door een kaartje te sturen naar de minderjarigen, zodat zij positieve ervaringen kunnen opdoen in het contact met de vader.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.5.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
6.
De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
wijzigt de zorgregeling, zoals die bij de beschikking van 21 maart 2024 is vastgesteld, en bepaalt dat de fysieke omgang tussen de vader en minderjarigen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats] en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats] , volledig wordt opgeschort voor onbepaalde tijd;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven door mr. De Beer, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2026 in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier.
Deze
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.