ECLI:NL:RBZWB:2026:2092

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
22 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444946 / JE RK 26-244
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Gessel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:247 lid 2 BWArt. 1:255 lid 1 BWArt. 1:257 lid 1 BWArt. 1:265b lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige bij grootouders

De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht om een voorlopige ondertoezichtstelling van de minderjarige voor drie maanden en een machtiging tot uithuisplaatsing bij grootouders. De kinderrechter had reeds op 10 februari 2026 een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing voor twee weken toegewezen. De Raad handhaaft het verzoek vanwege langdurige problematiek en acute zorgen over hygiëne, schoolbezoek en voeding.

De moeder erkent de noodzaak van hulpverlening en stemt voorlopig in met de uithuisplaatsing, terwijl de grootvader en vader kritiek uiten op de wijze van uithuisplaatsing en de stopzetting van hulpverlening. De gecertificeerde instelling wil met de moeder in gesprek om een plan te maken voor terugkeer van de minderjarige.

De kinderrechter oordeelt dat aan de wettelijke voorwaarden voor voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing is voldaan, gezien de ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling, waarbij rust en passende hulpverlening centraal staan. Tevens wordt aandacht gevraagd voor het contact tussen de minderjarige en haar vader.

De beslissing wordt genomen voor de periode van 24 februari 2026 tot 10 mei 2026, met uitvoerbaarheid bij voorraad. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na uitspraak of betekening.

Uitkomst: De kinderrechter wijst de voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing toe voor de duur van 24 februari 2026 tot 10 mei 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444946 / JE RK 26-244
Datum uitspraak: 19 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
Zeeland–West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. I.D. van Wijnen uit Assen,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
zonder bekende woon- of verblijfplaats;
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
locatie Etten-Leur, hierna te noemen de GI.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de opa],
Hierna te noemen opa moederszijde/pleegouder

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de in deze zaak gegeven beschikking van 10 februari 2026 en alle daarin genoemde stukken.
1.2.
Op 19 februari 2026 heeft de kinderrechter de behandeling van de zaak ter zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
  • de moeder met haar advocaat;
  • opa moederszijde;
- twee vertegenwoordigers van de Raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft sinds voornoemde beschikking bij opa en oma moederszijde.
2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 10 februari 2026 heeft de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 10 februari 2026 tot 24 februari 2026. Daarbij heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (zijnde opa en oma moederszijde) verleend met ingang van 10 februari 2026 tot 24 februari 2026 en het resterende verzoek aangehouden.

3.Het resterend verzoek

3.1.
De Raad heeft verzocht om [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de
duur van drie maanden. Ook heeft de Raad verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing
van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van de
voorlopige ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Na de beschikking van 10 februari 2026, waarbij zowel de voorlopige ondertoezichtstelling als de machtiging uithuisplaatsing zijn toegewezen voor de duur van twee weken, resteert thans
nog een periode van 2,5 maand.

4.De standpunten

4.1.
Namens de Raad is naar voren gebracht dat er al langere tijd sprake is van problematiek. Er is al 8 jaar hulpverlening betrokken. Er is veel ingezet maar uiteindelijk moet de Raad concluderen dat er - plat gezegd - te lang is aangemodderd en dat dit een negatief effect heeft gehad op de minderjarigen en de betrokkenen. Er zijn onder meer zorgen over de hygiëne, het op tijd op school komen en het meenemen van voldoende eten naar school. Deze acute zorgen rechtvaardigen wat de Raad betreft de verzochte maatregelen. Het is fijn dat [minderjarige] bij opa en oma moederszijde kan verblijven. De Raad spreekt de hoop uit dat de moeder in gesprek gaat met de GI om een plan op te stellen om [minderjarige] (en [persoon 1] en [persoon 2] ) zo snel mogelijk weer thuis te krijgen. De Raad handhaaft het verzoek.
4.2.
Door en namens de moeder is aangevoerd dat zij al jaren vraagt om passende hulpverlening maar deze niet krijgt. De moeder vindt het niet terecht dat zij hierin enige vorm van schuld krijgt met alle gevolgen van dien. De moeder wil hulp en heeft dan ook geen bezwaar tegen een voorlopige ondertoezichtstelling. De moeder probeert al jaren alle ballen hoog te houden. Zij is overbelast geraakt door alle verkeerde hulpverlening, niet door de zorg voor de minderjarigen. Een heel blik aan hulpverleners is dan ook niet wat zij nu op dit moment nodig heeft, maar wel hulp die passend is zodat zij stappen kan zetten. De moeder heeft nu vooral rust nodig, zodat zij weer een stabiele en veilige omgeving voor de minderjarigen kan creëren. Om die reden kan zij voorlopig instemmen met een machtiging uithuisplaatsing.
4.3.
De grootvader moederszijde heeft verklaard dat de moeder goed is voor de minderjarigen. De kinderen zijn gek op haar. De grootvader heeft geen goed woord over voor de wijze waarop de minderjarigen uit huis zijn gehaald. Dat is onmenselijk en hartverscheurend. Zo ga je niet met kinderen om en dit zal ze hoe dan ook een trauma bezorgen, aldus de grootvader. De moeder vraagt om passende hulp. Tot nu toe is er niet passende hulpverlening aan haar opgedrongen. [minderjarige] (en haar halfzus [persoon 1] ) kunnen bij de grootouders blijven zolang als dat nodig is.
4.4.
De vader heeft verklaard dat hij onderschrijft wat de moeder en opa hebben aangegeven. De uithuisplaatsing vindt de vader kwalijk gegaan. De vader merkt verder op dat hij [persoon 2] nog ziet op de voetbal, maar dat hij [minderjarige] (en [persoon 1] ) al vier weken niet heeft gezien omdat het CJG de hulp heeft gestopt. De vader betreurt dat ten zeerste. De vader wil meewerken aan gezinsbegeleiding en wil de moeder ondersteunen.
4.5.
Namens de GI is naar voren gebracht dat zij graag met de moeder en de hulpverlening in gesprek gaat, zodat duidelijk kan worden wat er voor nodig is om moeder weer zelfstandig de zorg voor de minderjarigen te laten dragen. De GI stemt in met het verzoek van de Raad.

5.De nadere beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:257 BW Pro, eerste lid, kan de kinderrechter de minderjarige
voorlopig onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien een ernstig
vermoeden bestaat dat de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid BW, is vervuld en de
maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te
nemen.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige
onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig
opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de
minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of
onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen
binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te
achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel
1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de
uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige
gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de
verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of
lichamelijke gesteldheid.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is naar het oordeel van
de kinderrechter gebleken dat er wordt voldaan aan de voorwaarden voor een voorlopige
ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing.
Er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] . Deze ontwikkelingsbedreiging is reeds uiteengezet in de in deze zaak gegeven beschikking van 10 februari 2026. Deze zorgen zijn nog altijd actueel. Het is belangrijk dat er nu rust komt en dat er vanuit die situatie verder wordt opgebouwd. Er zal passende hulpverlening ingezet moeten worden, iets waar de moeder al langere tijd om vraagt. De kinderrechter vraagt aan alle betrokkenen om goed met elkaar in gesprek te gaan over het verdere traject zodat [minderjarige] zo snel als mogelijk weer thuis kan gaan wonen. Naast passende hulpverlening zal er ook aandacht moeten zijn voor contact tussen [minderjarige] en haar vader, aangezien zij elkaar al een maand niet hebben gezien. Daar moet snel verandering in komen. De kinderrechter vraagt de GI om dat met voorrang op te pakken.
5.3.
Uit voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 BW Pro. De kinderrechter zal daarom [minderjarige] voorlopig onder toezicht stellen voor de gevraagde, resterende duur.
5.4.
De kinderrechter is tevens van oordeel dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en de opvoeding, zoals genoemd in artikel 1:265b BW. De kinderrechter zal een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg (te weten bij grootouders moederszijde) verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 24 februari 2026 tot 10 mei 2026;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, te weten opa en oma moederszijde met ingang van 24 februari 2026 tot 10 mei 2026;
6.3.
wijst de verzoeken voor het overige af;
6.4.
verklaart de beslissing onder 6.2 uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026 door mr Van Gessel, kinderrechter, in aanwezigheid van Rozendaal als griffier, en op schrift gesteld op 13 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.