ECLI:NL:RBZWB:2026:2089

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
22 maart 2026
Zaaknummer
C/02/443418 / JE RK 25-2304
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:247 lid 2 BWArt. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling van vier minderjarigen wegens kwetsbaarheid gezinssituatie

De gecertificeerde instelling (GI) verzoekt verlenging van de ondertoezichtstelling van vier minderjarigen voor een jaar, waarvan zes maanden verlenging en zes maanden aanhouding. Tijdens de zitting op 19 februari 2026 bevestigen de ouders en de GI dat de situatie binnen het gezin is verbeterd, met meer rust en stabiliteit. De kinderen functioneren beter, maar er is nog kwetsbaarheid door wisselwerking met de omgeving en eerdere traumatische ervaringen die onderzocht worden.

De kinderrechter heeft met de jongste minderjarige gesproken en concludeert dat het gezin warm en stabiel is, met positieve ontwikkelingen in schoolgang en dagstructuur. Toch is de ontwikkelingsbedreiging niet volledig weggenomen; er zijn nog achterstanden en een hoge behoefte aan externe structuur. De ouders zijn nog niet in staat zonder regie van de GI de noodzakelijke afstemming met hulpverlening en onderwijs zelfstandig te regelen.

De kinderrechter acht verlenging met zes maanden noodzakelijk om diagnostiek af te ronden, systeemzicht te verkrijgen en de positieve lijn te bestendigen. De maatregel is gericht op afronding en het overdragen van verantwoordelijkheid aan de ouders. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het resterende deel van het verzoek wordt afgewezen.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van vier minderjarigen wordt verlengd met zes maanden om de positieve ontwikkeling te bestendigen en diagnostiek af te ronden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/443418 / JE RK 25-2304
Datum uitspraak: 19 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2022 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2020 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2018 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 3] ,
[minderjarige 4], geboren op [geboortedag 4] 2017 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 4] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 december 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder, bijgestaan door een tolk, mevrouw [persoon 1]
  • de vader, bijgestaan door een tolk, mevrouw [persoon 1] ,
  • een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 4] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 4] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 4] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] .
2.2.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] wonen bij hun ouders.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] te verlengen voor de duur van een jaar, waarvan zes maanden verlenging en zes maanden aanhouding.
3.2.
De GI verzoekt ook de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft tijdens de zitting het verzoek voor de duur van zes maanden en is van mening dat de situatie binnen het gezin het afgelopen jaar duidelijk is verbeterd. De GI ziet dat de ouders hard hebben gewerkt en dat er thuis rust en stabiliteit is ontstaan. De kinderen functioneren beter en er zijn de afgelopen maanden vooral positieve signalen binnengekomen. Volgens de GI ligt de huidige kwetsbaarheid niet zozeer binnen het gezin zelf maar vooral in de wisselwerking met de omgeving en eerdere negatieve ervaringen die zowel de ouders als de kinderen hebben meegemaakt. De GI maakt zich nog zorgen over de angst en spanning die bij de kinderen zichtbaar wordt wanneer zij buiten zijn. Dit gedrag wordt op dit moment onderzocht door [hulpverlening] waarbij wordt gekeken naar mogelijke oorzaken zoals hechting, eerdere traumatische ervaringen en de invloed van reacties uit de omgeving. De GI acht het belangrijk om deze fase zorgvuldig af te ronden en ruimte te geven aan dit onderzoek. Daarom vindt de GI een verlenging van de ondertoezichtstelling met zes maanden nodig. Niet omdat de ouders tekortschieten maar om te waarborgen dat de ingezette positieve lijn behouden blijft, dat de kinderen verder kunnen herstellen en dat er bescherming blijft tegen mogelijke nieuwe onrust vanuit de omgeving. De GI merkt tot slot nog op dat de komende periode een afrondende periode moet worden met als doel de ondertoezichtstelling daarna te beëindigen en de zaak over te dragen naar een casusregisseur.
4.2.
[minderjarige 4] vertelt dat het goed met hem gaat. Hij woont in een groot en gezellig gezin met veel familie om zich heen. Hij speelt vaak met zijn broertjes, neefjes en nichtjes en ziet zijn opa en oma regelmatig. Dat vindt hij fijn en gezellig. Buiten spelen en voetballen zijn belangrijk voor [minderjarige 4] . Hij zit bij een voetbalclub en gaat graag naar trainingen. Soms vindt hij het spannend om te laten zien hoe goed hij is maar hij vindt het vooral leuk en zeker als zijn familie komt kijken. Ook doet hij graag leuke dingen met zijn vader zoals naar het zwembad gaan. Volgens [minderjarige 4] gaat het goed op school. Hij vindt lezen, rekenen, taal en leren klokkijken leuk. Hij helpt zijn juf graag met opruimen en andere klusjes en doet dat met plezier. Hij vindt zijn juf aardig en speelt graag met andere kinderen. [minderjarige 4] praat met [persoon 2] over hoe het met hem gaat. [minderjarige 4] geeft aan dat hij niets wil veranderen en dat voor hem het leven nu goed is zoals het is.
4.3.
De moeder geeft tijdens de zitting aan dat zij akkoord is met het verzoek van de GI. Zij hoopt wel dat de ondertoezichtstelling naar een afrondende fase zal gaan zodat deze na zes maanden zal worden beëindigd. Volgens de moeder gaat het goed binnen het gezin. Zij ervaart dat er thuis rust is en dat de kinderen zich positief ontwikkelen. Tegelijkertijd geeft zij aan dat de jarenlange betrokkenheid van hulpverlening sinds 2018 haar en haar gezin veel energie heeft gekost. Zij voelt zich uitgeput door de langdurige druk en het gebrek aan echte rustmomenten, waaronder het jarenlang niet op vakantie kunnen gaan en het gemis van haar familie. De moeder vindt wel dat de huidige situatie met mindere en passende ondersteuning voldoende is en passend.
4.4.
De vader geeft tijdens de zitting aan dat het goed gaat met de ouders en ook met de kinderen. Hij ervaart geen problemen thuis, op school of in de opvoeding. De afgelopen periode is er volgens hem veel rust gekomen. Dit komt door de steun van de jeugdbeschermer en de begeleider van [stichting] . De vader is blij met de inzet van de GI. De vader benadrukt dat er inmiddels al lange tijd geen klachten meer zijn vanuit de omgeving en dat het gezin goed functioneert binnen het dorp. Hij ziet dat zijn kinderen zich prettig voelen, dat zij zich ontwikkelen en dat er een warm en hecht gezinsleven is met betrokken familieleden in de directe omgeving. De vader heeft geen bezwaar tegen een verlenging van de ondertoezichtstelling met zes maanden. Hij begrijpt dat deze verlenging bedoeld is om de huidige stabiliteit te behouden en om te voorkomen dat externe factoren opnieuw onrust veroorzaken. Hij staat open voor deze afrondende periode en gaat er van uit dat de ondertoezichtstelling daarna kan worden beëindigd.

5.De beoordeling

Het wettelijk kader
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)
kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde
instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig
wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de
minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of
onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen
binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te
achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel
1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.2.
Op grond van artikel 1:260 BW Pro kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld
in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen
met ten hoogste een jaar.
De beoordeling
5.3.
Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat het verzoek van de GI dient te worden toegewezen nu voldaan wordt aan de wettelijke criteria zoals hierboven vermeld. Dit betekent dat het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling zal worden toegewezen voor de duur van zes maanden. Het resterende deel van het verzoek zal worden afgewezen. De kinderrechter zal deze beslissing hierna toelichten.
5.4.
De kinderrechter stelt vast dat er sinds de ondertoezichtstelling positieve ontwikkelingen bij de ouders en het gezin zijn geweest. Het is de kinderrechter gebleken dat de thuissituatie van de ouders warm, liefdevol en stabiel is. De ouders werken goed samen met de hulpverlening, tonen leerbaarheid en hebben stappen gezet in het aanbrengen van meer structuur en voorspelbaarheid. Ook de kinderen laten vooruitgang zien met name waar het gaat om dagstructuur, schoolgang en vermindering van vermoeidheid. [minderjarige 2] functioneert inmiddels stabiel binnen het regulier onderwijs, [minderjarige 4] is passend geplaatst binnen het speciaal onderwijs en [minderjarige 3] wordt begeleid binnen een maatwerkconstructie richting onderwijs. Deze ontwikkelingen laten zien dat ouders zich inzetten en dat de ingezette ondersteuning effect heeft.
5.5.
Tegelijkertijd constateert de kinderrechter dat deze positieve lijn nog kwetsbaar is. De ontwikkelingsbedreiging is nog niet volledig weggenomen. Bij meerdere kinderen is er sprake van forse achterstanden, een hoge behoefte aan externe structuur en begeleiding en een duidelijk verschil tussen het functioneren thuis en buitenshuis. De diagnostiek en systeemgerichte observaties door [hulpverlening] lopen nog en zijn nog niet afgerond. Ook blijkt dat de ouders ondanks hun inzet en goede intenties op dit moment nog niet in staat zijn om zonder regie en sturing van de GI de noodzakelijke afstemming met hulpverlening, onderwijs en gemeente zelfstandig te regelen en vast te houden. De kinderrechter acht het risico reëel dat bij het wegvallen van de GI op dit moment het opgebouwde vertrouwen en de continuïteit van de hulpverlening verloren gaan. Dit kan een terugval in de ontwikkelingen veroorzaken. De GI is verder nog belangrijk om de omgeving van het gezin mee aan te sturen want daar is de afgelopen periode de meeste stress door ontstaan. Het gezin wil niet verhuizen, zeker niet omdat er meer familie is komen wonen.
5.6.
Voor de komende periode acht de kinderrechter het noodzakelijk dat onder regie van de GI nog een aantal stappen wordt gezet. Het gaat daarbij om het afronden van de diagnostiek en het verkrijgen van voldoende systeemzicht zodat duidelijk wordt welke factoren het functioneren van de kinderen beïnvloeden en welke ondersteuning structureel nodig is. Daarnaast dient de schoolgang van alle kinderen verder te worden geborgd, waaronder de start van [minderjarige 1] in het onderwijs en het bestendigen van passende onderwijs- en begeleidingsarrangementen voor [minderjarige 4] en [minderjarige 3] . Verder vindt de kinderrechter het van belang dat de ouders blijvend ondersteund worden in het bieden van structuur, begrenzing en het stimuleren van zelfstandigheid en sociale ontwikkeling van de kinderen. Ook blijft voorlopig regie nodig in het contact met de omgeving en instanties om te voorkomen dat externe spanningen opnieuw een negatieve invloed krijgen op het gezin.
5.7.
De kinderrechter is van oordeel dat in de komende zes maanden naar een afronding van de ondertoezichtstelling kan worden toegewerkt zodat de ouders deze verantwoordelijkheden zelfstandig kunnen dragen. De maatregel is daarbij niet langer gericht op het herstellen van acute onveiligheid maar op het bestendigen van de ingezette positieve ontwikkeling en het zorgvuldig afronden van noodzakelijke hulpverlening met als doel de ondertoezichtstelling daarna te beëindigen.
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.9.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] voor de duur van zes maanden, te weten met ingang van 28 februari 2026 en tot 28 augustus 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dijke als griffier, en op schrift gesteld op 5 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.