ECLI:NL:RBZWB:2026:2088

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
22 maart 2026
Zaaknummer
C/02/443841
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen in pleegzorg

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen, geboren in 2018 en 2023, die reeds onder toezicht zijn gesteld en uit huis geplaatst in pleegzorg sinds augustus 2025.

Tijdens de zitting, waarbij de ouders, pleegmoeder en vertegenwoordiger van de GI aanwezig waren, is vastgesteld dat de ouders hard werken aan hun problematiek maar nog meer tijd en rust nodig hebben. De kinderen hebben verschillende behoeften en zijn gebaat bij rust, stabiliteit en veiligheid die de pleeggezinnen bieden. De moeder en vader stemmen in met de verlenging.

De kinderrechter overweegt dat de voorwaarden voor verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing zijn vervuld, mede gelet op de noodzaak van verdere hulpverlening, observaties en het belang van de kinderen. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de ouders worden aangemoedigd open te communiceren met de GI. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van beide minderjarigen wordt verlengd tot 25 augustus 2026 en de beschikking is direct uitvoerbaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/443841 / JE RK 26-37
Datum uitspraak: 19 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2018 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2023 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. T. Möller uit Tilburg,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[de pleegmoeder van minderjarige],
hierna te noemen: de pleegmoeder van [minderjarige 1] (tevens oma moederszijde)
wonende in [woonplaats 1] ,
[pleegouders],
hierna te noemen: de pleegouders van [minderjarige 2] ,
wonende in [woonplaats 3] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 9 januari 2026;
  • het stelbericht van mr. T. Möller van 4 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 februari 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de vader;
  • de moeder met haar advocaat;
  • de pleegmoeder van [minderjarige 1] ;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
Hoewel daartoe correct opgeroepen zijn de pleegouders van [minderjarige 2] niet bij de zitting verschenen. De kinderrechter besluit de zitting voort te zetten bij hun afwezigheid. De overige betrokkenen hebben hiertegen geen bezwaar.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .
2.2.
De moeder heeft van rechtswege eenhoofdig gezag over [minderjarige 2] .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 augustus 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 25 augustus 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 augustus 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing verleend om [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een netwerkpleeggezin, te weten bij de oma (mz), met ingang van 25 augustus 2025 tot 25 februari 2026.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 augustus 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing verleend om [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een pleeggezin van Sterk Huis met ingang van 25 augustus 2025 tot 25 februari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
3.2.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn heel andere kinderen en hebben andere behoeften en mogelijkheden. De gezinsmanager onderzoekt wat haalbaar is in de omgang tussen de kinderen en beide ouders en hoe dit kan worden opgebouwd. De ouders doen heel erg hun best. Er moet nog perspectiefonderzoek naar beide ouders worden gedaan. Ook wordt er een observatie gepland om te kijken hoe het contact kan worden versterkt. De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is noodzakelijk voor dit traject.
4.2.
Er is ondersteuning in de klas ingezet zodat [minderjarige 1] zich beter kan concentreren. Vanaf december krijgt de GI signalen dat [minderjarige 1] last heeft van een vol hoofd. Hij kan zich slecht concentreren en komt moeilijk tot ontwikkeling. De GI onderzoekt of ander onderwijs mogelijk beter aansluit bij [minderjarige 1] . Ook is [minderjarige 1] aangemeld voor traumabehandeling. Dat is nog niet gestart omdat Sterk Huis eerst wil kijken of er sprake is van trauma’s.
4.3.
De GI ziet dat de driewekelijkse omgang op dit moment voor [minderjarige 2] het hoogst haalbare is. Deze omgang houdt in dat [minderjarige 2] in de eerste week de moeder ziet, in de tweede week de vader en in de derde week rust heeft. [minderjarige 2] heeft veel voorspelbaarheid nodig, een vaste structuur en iemand die hem kan begrenzen.

5.De standpunten van belanghebbenden

5.1.
Door en namens de moeder is, samengevat, naar voren gebracht dat zij het eens is met het verzoek. De moeder heeft baat bij de hulp en ervaart rust en overzicht sinds de GI de regie voert. De communicatie tussen haar en de gezinsvoogd verloopt goed. De moeder vindt het belangrijk dat er veiligheid en stabiliteit voor de kinderen is. De moeder geeft aan dat er meer tijd nodig is om aan zichzelf te werken, maar dat zij hard bezig is. De moeder staat op de wachtlijst bij [ggz accommodatie] . De verwachting is dat het acht maanden zal duren voordat zij aan de beurt is en haar behandeling kan starten. Er is wel al andere begeleiding betrokken en de moeder gaat sporten bij [lifecoach] . De moeder krijgt medicatie voor ADHD. Zij is zelfstandig aan het afkicken. Dat gaat goed. De moeder vindt de omgang de ene keer moeilijker dan de andere keer. Zij heeft er vooral moeite mee als [minderjarige 2] gaat huilen om zijn zin te krijgen. Zij wil haar kinderen niet verder beschadigen.
5.2.
Door de vader is, samengevat, naar voren gebracht dat hij zich kan vinden in het verzoek. De vader wil dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zo stabiel en veilig mogelijk kunnen opgroeien. Hij vindt het wel moeilijk dat de kinderen nog langer bij hem weg zijn. De begeleiding van de omgang verloopt goed. Hij heeft op dinsdagen vrij van werk om daar tijd aan te besteden. De vader vindt het lastig om de GI erop te wijzen als hij het ergens niet mee eens is. Hij is bang het verkeerde te zeggen en vindt dat het belang van de kinderen voor zijn eigen mening en belang moet gaan. Bij de CoVa-training leert de vader hiermee om te gaan. De omgang met de vader en [minderjarige 1] verloopt goed. De vader doet geen onhandige uitspraken meer. De vader is bij de omgang met [minderjarige 2] af en toe zoekende naar wat het beste is.

6.Het standpunt van informant

6.1.
Door de pleegmoeder van [minderjarige 1] is, samengevat, naar voren gebracht dat het wisselend gaat met [minderjarige 1] . De pleegmoeder geeft grenzen aan, omdat [minderjarige 1] anders in het oude stramien terugvalt waarbij hij sarcastisch doet af anderen zeer doet. Dat gaat steeds beter. [minderjarige 1] is gebaat bij structuur. Volgens de pleegmoeder is [minderjarige 1] slim genoeg voor school, maar laat hij het achterste van zijn tong niet zien, waardoor hij onderschat wordt. De pleegmoeder vindt dat eerst moet worden onderzocht wat voor school passend is voor [minderjarige 1] voordat hij wordt overgeplaatst. [minderjarige 1] heeft een trauma en staat op de wachtlijst bij [hulpverlening] . De moeder past wekelijks op [minderjarige 1] als de pleegmoeder naar het koor is. Dat gaat goed. Er verblijft nog een ander kind van ongeveer [minderjarige 1] zijn leeftijd bij de pleegmoeder. Zij kunnen goed met elkaar overweg. [minderjarige 1] kan voorlopig bij de pleegmoeder blijven.

7.De beoordeling

Wettelijk kader
7.1.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
7.2.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
7.3.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter dat er wordt voldaan aan de voorwaarden voor de verlenging van de uithuisplaatsing. Er bestaan nog steeds zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] mede omdat beide ouders nog aan hun eigen problematiek moeten werken. Hoewel de moeder en de vader de afgelopen periode al hard gewerkt hebben aan hun problematiek, hebben de ouders daar nog meer rust en ruimte voor nodig. De ouders zijn zich daarvan bewust en dit getuigt van zelfinzicht. De kinderrechter vindt het knap dat de ouders inzien dat ze daarmee handelen in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] zijn gebaat bij rust, stabiliteit en veiligheid. De pleegmoeder van [minderjarige 1] en de pleegouders van [minderjarige 2] bieden deze rust, stabiliteit en veiligheid. De uithuisplaatsing is daarom noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zowel de moeder als de vader kunnen zich vinden in een verlenging van de uithuisplaatsing. De kinderrechter zal het (onweersproken) verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] toewijzen.
7.4.
De kinderrechter geeft de vader mee dat het belangrijk is dat de vader open en eerlijk is tegen de GI en dat hij moet zeggen wat hij zelf vindt. Alleen daardoor weet de GI wat er in de vader omgaat en krijgt de GI een beter beeld van hem.
7.5.
Tot slot merkt de kinderrechter op dat de Gezinsmanager de mogelijkheden van de omgang onderzoekt en dat er een observatie wordt ingepland om zicht te krijgen op hoe de omgang verloopt en wat er nog nodig is. De kinderrechter acht het van belang dat hier goed zicht op wordt gehouden waarbij rekening moet worden gehouden met het feit dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hele andere kinderen zijn en andere behoeften hebben. Ook dient goed gelet te worden op de pleegmoeder van [minderjarige 1] (oma mz). Voor haar kan het lastig zijn dat zij verschillende petten op heeft. Zij is immers niet alleen de pleegmoeder van [minderjarige 1] , maar ook zijn oma en is zelf ook moeder.
Uitvoerbaar bij voorraad
7.6.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7.7.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

8.De beslissing

De kinderrechter:
8.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg (oma moederszijde) met ingang van 25 februari 2026 tot 25 augustus 2026;
8.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg (pleeggezin) met ingang van 25 februari 2026 tot 25 augustus 2026;
8.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 5 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.