ECLI:NL:RBZWB:2026:2070

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
21 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444914 / JE RK 26-233
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Duinhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onder toezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank Zeeland-West-Brabant om ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen, geboren in 2008 en 2011, wegens ernstige bedreiging van hun ontwikkeling. De kinderen woonden bij de vader, die door fysieke en emotionele beperkingen onvoldoende beschikbaar was voor hun opvoeding. De moeder en vader stonden achter de ondertoezichtstelling, maar de vader verzette zich tegen de uithuisplaatsing van de jongste.

De kinderrechter constateerde dat de kinderen meerdere ingrijpende gebeurtenissen hadden meegemaakt, waaronder huiselijk geweld en het uit elkaar gaan van de ouders. De kinderen hadden geen contact met de moeder, en de thuissituatie bij de vader was onveilig en vervuild. De kinderen vertoonden problematisch gedrag en hadden specifieke opvoedbehoeften die niet werden vervuld. Hulpverlening in het vrijwillige kader had onvoldoende resultaat opgeleverd.

De kinderrechter oordeelde dat aan de wettelijke voorwaarden voor ondertoezichtstelling was voldaan en dat uithuisplaatsing noodzakelijk was in het belang van de verzorging en opvoeding. [Minderjarige 1] werd onder toezicht gesteld tot meerderjarigheid en [minderjarige 2] voor een jaar. Machtigingen tot uithuisplaatsing werden verleend voor respectievelijk een netwerkpleeggezin of zelfstandige kamerbewoning en een netwerkpleeggezin, gezinsgerichte voorziening of jeugdhulpaccommodatie. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De kinderrechter wijst het verzoek tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van beide minderjarigen toe en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/444914 / JE RK 26-233
Datum uitspraak: 18 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2008 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat M. Kalle te Middelburg,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat R. Wouters te Middelburg.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Eindhoven.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 6 februari 2026;
  • het bericht van de Raad met bijlagen, ontvangen op 17 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • een vertegenwoordigster van de Raad;
  • een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd door hen uit te nodigen voor een gesprek en in de gelegenheid te stellen een brief te sturen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hier geen gebruik van gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de vader.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] onder toezicht te stellen tot aan meerderjarigheid, te weten tot [geboortedag 1] 2026, en verzoekt [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een netwerkpleeggezin, danwel in een voorziening voor zelfstandige kamerbewoning, tot aan meerderjarigheid, te weten tot [geboortedag 1] 2026. De Raad verzoekt tevens een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een netwerkpleeggezin, danwel in een gezinsgerichte voorziening, danwel in een accommodatie jeugdhulpaanbieder, voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt tot slot de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het verzoek en verwijst ter onderbouwing daarvan naar de overgelegde stukken. Er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij de kinderen.
De kinderen hebben al meerdere ingrijpende levensgebeurtenissen meegemaakt. Ze groeien al een lange periode op in een onvoorspelbare en onveilige omgeving. De vader is onvoldoende fysiek en emotioneel beschikbaar voor de kinderen, onder andere vanwege zijn fysieke beperkingen. Het is voor hem lastig om te voldoen aan de specifieke opvoedbehoeften van de kinderen. Daarnaast zijn er zorgen over het gedrag van de kinderen. [minderjarige 1] is overbelast en laat signalen van parentificatie zien. [minderjarige 2] wordt problematisch risicogedrag gesignaleerd. Een andere zorg is het contactverlies met de moeder. Ook is er sprake van een vervuilde thuissituatie. Er zijn hulpverleners betrokken, maar deze zijn handelingsverlegen. De Raad begrijpt de wens van de vader om [minderjarige 2] thuis te houden, maar ziet niet hoe de situatie in dat geval gekeerd kan worden. Tot slot licht de Raad toe dat een uithuisplaatsing van [minderjarige 1] binnen het netwerk de voorkeur heeft, maar het is van belang dat eerst de mogelijkheden worden onderzocht. [minderjarige 1] wil zelf graag begeleid wonen.
4.2.
Door en namens de vader wordt verklaard dat de vader achter een ondertoezichtstelling voor beide kinderen staat. De vader begrijpt de door de Raad gestelde doelen. Voor wat betreft het verzoek tot de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] refereert de vader zich aan het oordeel van de kinderrechter. De vader voert wel verweer tegen het verzoek tot de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] . Voordat een juiste afweging over de uithuisplaatsing kan worden gemaakt, moet er eerst gekeken worden hoe de thuissituatie verbeterd kan worden. Er moet onderzocht worden welke hulpverlening ingezet kan worden en welke opties er binnen het netwerk zijn. Op dit moment is een uithuisplaatsing te vroeg. De vader is ervan overtuigd dat de kinderen bij hem thuis kunnen opgroeien als hij de juiste hulp krijgt. De vader staat dan ook open voor hulpverlening, zowel voor in het huishouden als voor de opvoeding. [minderjarige 2] geeft zelf ook aan dat hij bij de vader wil blijven wonen. Mocht een uithuisplaatsing alsnog noodzakelijk worden bevonden als er eenmaal hulp bij de vader is betrokken, dan heeft de vader de voorkeur voor een netwerkplaatsing bij de voormalige partner van de moeder. Als de moeder daar niet voor openstaat, dan is een gezinshuis nog een optie.
4.3.
Door en namens de moeder wordt verklaard dat de moeder het eens is met de ondertoezichtstelling voor beide kinderen. Ook de uithuisplaatsing van beide kinderen lijkt op basis van het rapport voldoende onderbouwd. Een terugplaatsing bij de moeder is geen geschikt alternatief. De verstandhouding tussen [minderjarige 1] en de moeder is moeilijk. Daarnaast kan de moeder niet de zorg en rust bieden die [minderjarige 2] nodig heeft. Voor [minderjarige 1] lijkt een kamerbewoning een goede stap. Wat betreft [minderjarige 2] geeft de moeder de voorkeur aan een plaatsing binnen een gezinshuis. Een gezinshuis biedt hem structuur en een liefdevolle omgeving. Het is belangrijk dat [minderjarige 2] snel uit huis gaat en dat er een einde komt aan de huidige situatie. Een uithuisplaatsing bij [persoon] is geen goede plek voor [minderjarige 2] , aangezien de band tussen [persoon] en [minderjarige 2] al te vriendschappelijk is. De stiefvader heeft bovendien een volledige baan zodat voldoende toezicht op [minderjarige 2] niet gegeven is. De moeder wil het beste voor haar kinderen. Het contact met de kinderen kan via een traject hersteld worden, maar eerst moeten de kinderen geholpen worden en rust krijgen.
4.4.
De GI geeft aan dat begeleid wonen voor [minderjarige 1] de beste optie is. Dit wil ze zelf ook. Voor [minderjarige 2] heeft een netwerkpleeggezin de voorkeur. Een andere optie is een plaatsing in een gezinshuis. De GI is verder voornemens om hulpverlening in te zetten, zoals traumabehandeling, en op termijn te werken aan het contactherstel met de moeder. De uithuisplaatsing van de kinderen valt te realiseren binnen drie maanden. Hoewel de GI in dit geval de urgentie ziet, is het moeilijk om de uithuisplaatsing direct uit te voeren. De GI heeft zes weken de tijd nodig om zorgvuldig een plan aanpak te maken en een netwerkonderzoek uit te voeren. Er zijn wel direct vaste jeugdbeschermers beschikbaar. De GI volgt tot slot de doelen van de Raad.

5.De beoordeling

Wettelijke beoordeling
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige.
5.2.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op het verzoek van de Raad machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Hij zal daarom het onweersproken verzoek toewijzen. Hij legt hieronder uit waarom.
5.4.
De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Zij hebben al veel ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt. Zo waren zij getuige van huiselijk geweld en hebben zij een wisseling van opvoedomgeving en het uit elkaar gaan van de ouders meegemaakt. De kinderen hebben daarnaast geen contact meer met de moeder. Dit kan schadelijk zijn voor hun sociaal-emotionele ontwikkeling. Verder is de vader, vanwege zijn fysieke en mentale beperkingen, verminderd fysiek en emotioneel beschikbaar. Hierdoor ontstaat een onvoorspelbare en instabiele opvoedomgeving voor de kinderen. Het lukt de vader niet om de kinderen sturing en grenzen te bieden. Ook is de woning van de vader vervuild. Bovendien stelt de kinderrechter vast dat de kinderen kampen met kindeigen problematiek. Hierdoor hebben zij juist meer dan gemiddeld behoefte aan veiligheid, structuur, regelmaat en continuïteit. [minderjarige 1] laat kenmerken van parentificatie zien doordat zij structureel emotionele en fysieke zorgtaken op zich neemt. Zij geeft aan de ene kant aan dat ze bij de vader thuis wil blijven voor [minderjarige 2] , maar onttrekt zich aan de andere kant wel aan deze thuissituatie. Dat zijn zeer tegenstrijdige en zorgelijke signalen. [minderjarige 2] laat daarentegen problematisch en risicovol gedrag zien, zoals schoolverzuim, middelengebruik en agressie. Ook dit vind de kinderrechter buitengewoon zorgelijk.
5.5.
Deze ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met hulpverlening in het vrijwillige kader, omdat dit tot dusver onvoldoende resultaat heeft opgeleverd. De zorgen bestaan immers al een langere tijd en zijn zelfs erger geworden. Het is van belang dat onder leiding van de GI de juiste hulpverlening wordt ingezet om de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen weg te nemen. De GI zorgt ervoor dat de hulpverleningstrajecten doorgang blijven vinden en stelt het belang van de kinderen voorop. Het is daarbij goed om te zien dat de ouders het met dit verzoek eens zijn, dat verdient een compliment.
5.6.
De ondertoezichtstelling van de kinderen is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige 1] onder toezicht tot aan meerderjarigheid, te weten tot [geboortedag 1] 2026, en stelt [minderjarige 2] onder toezicht voor de duur van een jaar, namelijk tot 18 februari 2027.
5.7.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] De kinderen hebben, zoals hiervoor beschreven, zeer ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt. Hierdoor hebben zij specifieke opvoedbehoeften, zoals behoefte aan veiligheid, structuur en regelmaat. Het lukt de vader onvoldoende om aan deze specifieke opvoedbehoeften te voldoen. Zo heeft de vader moeite met het bieden van sturing en het stellen van grenzen. Met name [minderjarige 2] heeft meer nodig dan de vader op dit moment in de thuissituatie kan bieden. Een plaatsing bij de moeder is ook niet mogelijk, aangezien de kinderen geen contact hebben met de moeder. Het is belangrijk dat de kinderen zo snel mogelijk op een veilige plek kunnen opgroeien. De kinderrechter geeft de GI mee dat de situatie van de kinderen een voortvarend ingrijpen rechtvaardigt. Het is niet in hun belang dat er eerst nog langdurige trajecten worden doorlopen.
5.8.
De kinderrechter verleent, gelet op het voorgaande, een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een netwerkpleeggezin of in een voorziening voor zelfstandige kamerbewoning tot aan meerderjarigheid, te weten tot [geboortedag 1] 2026. Ook verleent de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een netwerkpleeggezin, een gezinsgerichte voorziening of een accommodatie jeugdhulpaanbieder voor de duur van 6 maanden, te weten tot 18 augustus 2026.
5.9.
De kinderrechter sluit zich aan bij de door de Raad opgestelde doelen in het raadsrapport en geeft aan de GI de opdracht mee om aan de volgende doelen uitvoering te geven:
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben helderheid waar zij zullen opgroeien en verblijven in een veilige opvoedomgeving met voorspelbaarheid, rust en stabiliteit, er wordt in hun (specifieke) opvoedbehoeften voorzien en zij kunnen zich richten op de ontwikkelingstaken die bij hun leeftijd passen;
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen rekenen op emotioneel beschikbare ouders en de ouders passen sensitief-responsief ouderschap toe in het contact met de kinderen. Hiervoor wordt passende hulpverlening voor de ouders ingezet;
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] krijgen een screening op hechtings- en traumaproblematiek, waaruit naar voren komt of en welke vorm van hulpverlening passend voor hen is;
  • [minderjarige 1] zijn geen kenmerken van parentificatie aanwezig en zij voelt zich niet langer overbelast, [minderjarige 2] toont zich minder zelfbepalend en gaat weer naar school;
  • De ouders stellen zich begeleidbaar op en houden zich aan de gemaakte afspraken.
5.10.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.11.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] onder toezicht van Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 18 februari 2026 en tot [geboortedag 1] 2026;
6.2.
stelt [minderjarige 2] onder toezicht van Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 18 februari 2026 en tot 18 februari 2027;
6.3.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een netwerkpleeggezin, danwel in een voorziening voor zelfstandige kamerbewoning met ingang van 18 februari 2026 en tot [geboortedag 1] 2026;
6.4.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een netwerkpleeggezin danwel in een gezinsgerichte voorziening danwel in een accommodatie jeugdhulpaanbieder met ingang van 18 februari 2026 en 18 augustus 2026;
6.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van Den Boer, griffier, en op schrift gesteld op 2 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, BW.