ECLI:NL:RBZWB:2026:2063

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
21 maart 2026
Zaaknummer
C/02/445197 / JE RK 26-284
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • mr. Bogaert
  • mr. Van Gessel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 800 lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens verstoorde opvoedingssituatie

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot spoedmachtiging voor uithuisplaatsing van een minderjarige met een autismespectrumstoornis en wisselend intelligentieprofiel. De minderjarige woont bij zijn moeder, die hem te beschermend opvoedt, wat leidt tot onderstimulatie en stagnatie in zijn ontwikkeling. De situatie is ernstig doordat de moeder en minderjarige geïsoleerd zijn, de minderjarige niet naar school gaat en er sprake is van een verstoord dag- en nachtritme.

Ondanks eerdere hulpverlening, zowel vrijwillig als gedwongen, is het niet gelukt de situatie te verbeteren. De GI heeft langdurig geprobeerd een uithuisplaatsing te voorkomen, maar ziet geen minder ingrijpende alternatieven meer. De moeder laat hulpverlening niet toe en is niet bereikbaar, waardoor er geen zicht is op hun situatie. De kinderrechter oordeelt dat het spoedverzoek niet kan worden uitgesteld zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige.

De kinderrechter verleent daarom met onmiddellijke ingang een machtiging tot uithuisplaatsing voor vier weken, verklaart deze uitvoerbaar bij voorraad en stelt een zitting in voor verdere behandeling van het verzoek. De minderjarige krijgt een aparte oproep voor een kindgesprek. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na uitspraak of betekening.

Uitkomst: De kinderrechter verleent een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige met onmiddellijke ingang wegens onmiddellijk en ernstig gevaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445197 / JE RK 26-284
Datum uitspraak: 18 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over de minderjarige:
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
In het procesdossier zit het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 18 februari 2026.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] is onder toezicht gesteld van de GI. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 20 november 2025 is deze maatregel voor het laatst verlengd tot 27 november 2026.
2.3.
[minderjarige] woont bij de moeder.

3.De verzoeken

3.1.
De GI verzoekt om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van vier weken, om deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en om deze beslissing onverwijld te nemen, oftewel zonder de belanghebbenden daaraan voorafgaand in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord.
3.2.
De GI verzoekt daarnaast om [minderjarige] (aansluitend) uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling, in dit geval tot 27 november 2026.

4.De beoordeling

4.1.
Op grond van artikel 1:265b, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
4.2.
Op grond van artikel 800, derde lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking over een uithuisplaatsing van een minderjarige aanstonds worden afgegeven, te weten zonder daaraan voorafgaand horen van partijen, indien de mondelinge behandeling van het verzoek niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de jeugdige.
4.3.
Uit de overlegde stukken blijkt, samengevat, onder meer het volgende. [minderjarige] kampt met kindeigen problematiek, waaronder een autismespectrumstoornis, en hij heeft een wisselend intelligentieprofiel. Gezien wordt dat de moeder, ondanks de kindeigen problematiek van [minderjarige] , hem te beschermend opvoedt en dat er sprake is van onderstimulatie, met als gevolg dat hij stagneert in zijn ontwikkeling. Op dit moment is er sprake van een situatie waarin de moeder en [minderjarige] volledig zijn geïsoleerd van de buitenwereld. [minderjarige] gaat momenteel niet naar school en hij komt niet meer buiten om te spelen met andere kinderen. Er zijn zorgen over een verstoord dag- en nachtritme en over ongezonde gewoontes en patronen bij [minderjarige] en de moeder. Ondanks dat er in de afgelopen jaren verschillende vormen van hulpverlening zijn ingezet, dan wel dat is geprobeerd om deze hulpverlening in te zetten, zowel in het vrijwillig als in het gedwongen kader, lukt het niet om de bestaande patronen te doorbreken en om de situatie positief te veranderen. Aangezien er tussen de moeder en [minderjarige] een symbiotische relatie wordt gezien en een uithuisplaatsing mogelijk impact zal hebben op hun gehechtheidsrelatie, heeft de GI een zeer lange tijd geprobeerd om een uithuisplaatsing van [minderjarige] te voorkomen. Echter worden er geen alternatieve (minder ingrijpende) mogelijkheden meer gezien. Doordat de moeder de hulpverlening niet binnenlaat en zij deze niet accepteert, en de GI op geen enkele manier meer in contact is met de moeder, is er al een langere tijd geen zicht op hoe het met de moeder en [minderjarige] gaat.
4.4.
[minderjarige] betekent alles voor de moeder. Tegelijkertijd wordt er een grote onvoorspelbaarheid gezien bij de moeder. Gelet hierop bestaat bij de GI de verwachting dat de aankondiging dat [minderjarige] mogelijk uit huis wordt geplaatst met als gevolg dat de moeder [minderjarige] in haar ogen dreigt te verliezen, een enorme impact op haar zal hebben. Onduidelijk is wat de moeder vanuit wanhoop zal gaan doen. De GI kan in dat geval niet instaan voor wat dit betekent voor de veiligheid van [minderjarige] . Bovendien heeft geen enkele partij zicht op hen, waardoor er niet kan worden gemonitord wat er gebeurt als deze aankondiging wordt gedaan. Gelet hierop is de kinderrechter van oordeel dat er nu sprake is van een situatie waarin de mondelinge behandeling van het spoedverzoek niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] . De kinderrechter zal daarom, zonder de belanghebbenden daaraan voorafgaand in de gelegenheid te stellen om daarover te worden gehoord, op het spoedverzoek beslissen.
4.5.
De kinderrechter is bovendien, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het dringend en onverwijld noodzakelijk dat [minderjarige] met spoed uit huis wordt geplaatst nu dit noodzakelijk wordt geacht in het belang van zijn verzorging en opvoeding. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder zal daarom worden verleend met onmiddellijke ingang en tot 4 maart 2026.
4.6.
De kinderrechter zal de beslissing, gelet op het kinderbeschermende karakter daarvan, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dit betekent dat die beslissing per direct uitvoerbaar is en dat een eventueel hoger beroep die beslissing niet schorst.
4.7.
Verdere beslissingen op de resterende verzoeken zal de kinderrechter pas nemen nadat de zitting heeft plaatsgevonden en partijen in de gelegenheid zijn gesteld om hun mening daarover te geven. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, met ingang van 18 februari 2026 tot 4 maart 2026;
5.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
houdt de behandeling van het resterende deel van het spoedverzoek alsmede het verzoek om een aansluitende machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen aan tot de zitting op
[datum] 2026 om [uur], bij mr. Toekoen als kinderrechter, in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, aan de Stationslaan 10, 4815 GW;
5.4.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor de moeder, de vader en de GI;
5.5.
bepaalt dat [minderjarige] , omdat hij vanwege zijn leeftijd het recht heeft om zijn mening in deze zaak te geven, een afzonderlijke brief zal krijgen met daarin een oproeping voor een kindgesprek dat op een ander moment zal plaatsvinden;
5.6.
behoudt zich iedere (verdere) beslissing voor.
Deze beslissing is mondeling gegeven op 18 februari 2026 door mr. Bogaert, kinderrechter. Vanwege de afwezigheid van mr. Bogaert is de schriftelijke uitwerking van deze beslissing op 19 februari 2026 vastgesteld en ondertekend door mr. Van Gessel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.