ECLI:NL:RBZWB:2026:2058

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
21 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444475 / JE RK 26-158
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Duinhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:250 BWArt. 1:265b BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige in belang van verzorging en opvoeding

De zaak betreft een verzoek van de Stichting Jeugdbescherming West Zeeland tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij de vader, die het gezag deelt met de moeder. De minderjarige verblijft momenteel bij de vader, terwijl zij staat ingeschreven bij de moeder. De kinderrechter heeft de minderjarige gehoord, die aangaf zelf te willen bepalen wanneer zij bij haar ouders is en toe wil werken naar een 50%-50% verblijfsregeling.

De Stichting Jeugdbescherming stelt dat verlenging noodzakelijk is vanwege de positieve ontwikkeling van de minderjarige bij de vader, de stabiliteit die zij daar ervaart en de ondersteuning via MST-CAN. De moeder toont onvoldoende medewerking aan hulpverlening en kan mogelijk niet voorzien in de basale zorg vanwege financiële problemen. De vader stemt in met verlenging, de moeder voert geen verweer en stelt de wens van de minderjarige voorop.

De kinderrechter oordeelt dat verlenging van de machtiging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De situatie bij de moeder is onvoldoende stabiel en de moeder werkt niet mee aan hulpverlening. De wens van de minderjarige wordt erkend, maar zij kan momenteel niet volledig bij de moeder wonen. De kinderrechter prijst de minderjarige voor haar realistische houding en benadrukt dat de machtiging wordt verlengd tot het einde van de ondertoezichtstelling op 14 mei 2026. De beschikking is direct uitvoerbaar, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de vader wordt verlengd tot 14 mei 2026 en de beschikking is direct uitvoerbaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/444475 / JE RK 26-158
Datum uitspraak: 18 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. S.X. Scholten te Vlissingen,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 28 januari 2026;
  • de brief van mr. Scholten van 13 februari 2026;
  • de brief van de GI van 13 februari 2026 met bijlagen.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2.
De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 26 februari 2025 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van drie maanden, met ingang van 26 februari 2025 en tot 26 mei 2025.
2.3.
Bij beschikking van 14 mei 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, met ingang van 14 mei 2025 en tot 14 mei 2026.
2.4.
Bij beschikking van 1 september 2025 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, verleend voor de duur van twee weken, met ingang van 1 september 2025 en tot 15 september 2025. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
2.5.
Bij beschikking van 11 september 2025 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, verlengd met ingang van 15 september 2025 en tot 1 maart 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter het zelfstandig verzoek van de moeder, te weten te bepalen dat een bijzondere curator wordt benoemd op grond van artikel 1:250 van Pro het Burgerlijk Wetboek, afgewezen.
2.6.
[minderjarige] staat ingeschreven bij het adres van de moeder, maar op grond van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] bij de vader.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag te verlengen voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
In haar gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] aangegeven dat zij niet wil dat de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd. Zij wil zelf kunnen bepalen wanneer zij bij de vader en wanneer zij bij de moeder is. Zij wil beginnen met logeren of weekenden bij de moeder en toewerken naar een 50%-50% regeling. Ze is van mening dat ze zowel bij de vader als bij de moeder prima kan wonen en vanuit beide locaties ook goed naar school kan gaan. [minderjarige] is blij met de inzet van MST-CAN. Ze zou willen dat de moeder ook aan deze hulpverlening mee gaat doen, omdat de moeder daar ook een rol in heeft. [minderjarige] is er beter geworden in vertellen tegen de moeder dat zij niet alle dingen, bijvoorbeeld over financiële zaken, tegen [minderjarige] hoeft te zeggen.
4.2.
De GI stelt dat het noodzakelijk is dat de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd tot het einde van de ondertoezichtstelling. [minderjarige] ontwikkelt zich positief bij de vader. Er is een duidelijke samenwerking met de vader, de school en de jeugdbeschermer, waardoor [minderjarige] steeds meer tot rust komt. Zij ervaart meer stabiliteit en kan zich focussen op school. MST-CAN ondersteunt [minderjarige] en de vader bij het omgaan met trauma-gerelateerde signalen, het reguleren van emoties en het beschermen van [minderjarige] tegen conflicten.
De zorgen bij de moeder zijn eerder versterkt dan verminderd. Een terugplaatsing naar moeder brengt een aanzienlijk risico op hernieuwde stressklachten, instabiliteit en verlies van contact met de vader. Daarnaast zijn er signalen dat moeder onvoldoende kan voorzien in [minderjarige] ’s basale zorg vanwege aanhoudende, financiële problemen. Het is daarom noodzakelijk dat [minderjarige] in haar huidige, veilige omgeving blijft en het traject met
MST‑CAN kan afronden, zodat zij verder kan herstellen en groeien.
4.3.
De vader stemt in met het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing.
4.4.
Namens en door de moeder wordt aangegeven dat de moeder geen verweer tegen het verzoek van de GI voert. Voor haar staat de wens van wat [minderjarige] zelf wil voorop.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.2.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. Het verzoek voldoet aan de daaraan gestelde wettelijke vereisten. De kinderrechter legt hieronder uit waarom zhij tot dit oordeel is gekomen.
5.4.
Omdat er sprake is van een ondertoezichtstelling en [minderjarige] verblijft bij de ouder waarbij niet haar hoofdverblijf is, is een machtiging tot uithuisplaatsing nodig om het verblijf bij de vader te kunnen voortzetten. De noodzaak van het verlengen van de machtiging tot uithuisplaatsing staat nog steeds vast. De opstelling en omstandigheden van de moeder vormen nog steeds een ontoereikende basis voor een passende opvoedomgeving. De wens van [minderjarige] om zelf te kunnen bepalen wanneer zij bij de vader of bij de moeder verblijft, is belangrijk maar wordt ook door haarzelf genuanceerd. Op dit moment kan [minderjarige] niet volledig bij de moeder wonen. Er zal met [minderjarige] gekeken moeten gaan worden naar welke mogelijkheden er wel zijn en hoe de contacten met de moeder op het tempo van [minderjarige] uitgebreid kunnen worden. De kinderrechter geeft [minderjarige] een groot compliment voor haar opstelling. Zij laat zien wat ze het liefste zou willen, maar laat ook zien dat zij om kan gaan met de problemen die aan haar wensen in de weg staan.
5.5.
De kinderrechter vraagt zich af of er voor betrokkenen aanleiding kan zijn om naar een mogelijke wijziging van het hoofdverblijf te kijken. Daarnaast is het de vraag of de moeder voldoende uitvoering geeft aan haar ouderlijk gezag en of de moeder die rol in het leven van [minderjarige] wel kan blijven vervullen. De kinderrechter heeft daar twijfels over gelet op de zorgelijke opstelling van de moeder en haar onwilligheid om deel te nemen aan hulpverlening die voor [minderjarige] en/of haarzelf nuttig kan zijn. De vader aanvaardt wel hulpverlening. Hij heeft MST-CAN goed opgepakt en de vader en [minderjarige] profiteren van deze hulpverlening. Deze systemische hulpverlening is eigenlijk ook bedoeld voor de moeder. Zij is samen met de vader en [minderjarige] onderdeel van het opvoedsysteem. Het ontbreekt de moeder echter aan intrinsieke motivatie om de huidige situatie vanuit haar kant te verbeteren. De moeder legt alle zorgen buiten zichzelf en vindt onder meer dat ‘het rechtssysteem’ haar kind tot haar 18de jaar gevangen houdt. Deze stellingname is zorgelijk en contraproductief in het leven van [minderjarige] .
5.6.
De kinderrechter is van oordeel dat de GI zich in deze casus juist opstelt. De GI doet precies wat nodig is. Maar het is juist de moeder die de samenwerking met de GI niet aangaat of niet aan kan gaan. Door de strijd aan te gaan met de GI en niet mee te werken aan bijvoorbeeld MST-CAN kan de situatie voor [minderjarige] aan de zijde van de moeder niet verbeterd worden. De kinderrechter ziet in de brief van de moeder een moeder die haar kind voorop wil stellen en vermoedelijk heel veel van haar kind houdt. Tegelijk handelt de moeder op dit moment niet in het belang van [minderjarige] .
5.7.
De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengen voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 14 mei 2026.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, met ingang van 1 maart 2026 en tot 14 mei 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Bont, griffier, en op schrift gesteld op 19 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.