ECLI:NL:RBZWB:2026:2054

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
21 maart 2026
Zaaknummer
C/02/421659 / FA RK 24-1937
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Triest
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253n BWArt. 1:251a BWArt. 1:253a BWArt. 1:377e BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouding beoordeling verzoek wijziging gezag en zorgregeling minderjarige na huiselijk geweld

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het verzoek van de moeder om het gezag over de minderjarige met uitsluiting van de vader toe te wijzen en de zorgregeling te wijzigen vanwege ernstige zorgen over huiselijk geweld en de veiligheid van het kind.

De feiten tonen een verstoorde verstandhouding tussen ouders, waarbij de vader strafrechtelijk wordt vervolgd voor mishandeling van de moeder en het kind getuige is geweest van geweld. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde de ondertoezichtstelling van het kind en het aanhouden van het verzoek tot wijziging van het gezag en de zorgregeling.

De rechtbank constateert dat het kind klem zit tussen de ouders en dat er sprake is van een bedreigde ontwikkeling. De ondertoezichtstelling is ingesteld om veiligheid en ondersteuning te bieden. Gezien de lopende hulpverlening en het advies van de Raad wordt het verzoek tot wijziging van het gezag en de zorgregeling voor de duur van een jaar aangehouden, waarbij de gecertificeerde instelling de regie krijgt over de zorg- en contactregeling.

De rechtbank benadrukt het belang van een veilige en stabiele opvoedsituatie en verwacht dat de GI en Raad de ontwikkelingen monitoren en hierover rapporteren, waarna verdere besluitvorming volgt.

Uitkomst: Verzoek tot wijziging gezag en zorgregeling aangehouden voor een jaar in afwachting van hulpverlening en advies Raad en GI.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/421659 / FA RK 24-1937
datum uitspraak: 18 februari 2026
beschikking over gezag en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
[de vrouw],
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. L. van Baaren in Rotterdam,
tegen
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. T. Möller in Tilburg,
waargenomen door mr. I.A.C. Cools in Tilburg.
over de minderjarige:
-
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] , hierna [minderjarige] .
Als informant in deze zaak wordt gezien:
de Stichting Jeugdbescherming Brabant, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI), locatie Tilburg,
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 17 april 2024 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het op 12 mei 2025 van het zorgloket ontvangen negatieve terugmelding UHA;
- de op 30 mei 2025 van de Raad ontvangen brief;
- het op 2 december 2025 ontvangen rapport van de Raad;
- de vonnissen van de voorzieningenrechters in deze rechtbank van 12 juni 2024 en 23 mei 2025;
- het uittreksel uit het gezagsregister over [minderjarige] ;
- het op 2 februari 2026 van mr. Möller ontvangen verweerschrift met bijlagen;
- de op 3 februari 2026 van mr. Van Baaren ontvangen producties.
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op 5 februari 2026. Bij die behandeling zijn gekomen partijen, met hun advocaten. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad en een vertegenwoordigster namens de GI.
1.3
Gelet op de nauwe samenhang van het onderhavige verzoek met het door de Raad ingediende verzoek met kenmerk C/02/442475 / JE RK 25-2116, zijn deze verzoeken ter zitting gezamenlijk behandeld. Op het verzoek in de zaak met kenmerk C/02/442475 / JE RK 25-2116 zal bij afzonderlijke beschikking worden beslist.

2.De feiten

2.1
[minderjarige] is geboren uit de relatie tussen de man en de vrouw. [minderjarige] is erkend door de man.
2.2
De man en de vrouw zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.3
[minderjarige] woont bij de vrouw.
2.4
Op 14 november 2022 hebben partijen onder begeleiding van De Gezinsmanager afspraken vastgelegd omtrent de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . De afspraken over de zorgregeling luiden als volgt:
[minderjarige] verblijft in even weken bij moeder en in de oneven weken bij vader. Het wisselmoment vindt op maandag plaats; de ouder waar [minderjarige] op maandagochtend verblijft brengt [minderjarige] naar het kinderdagverblijf/school en de andere ouder haalt hier [minderjarige] in de middag weer op. Wanneer het wisselmoment niet op school/kinderdagverblijf kan plaatsvinden dan zal het wisselmoment plaatsvinden op een neutrale plaats, eventueel door een derde.
2.5
Op 12 juni 2024 heeft de voorzieningenrechter het volgende bepaald:
- [minderjarige] zal als volgt bij vader verblijven:
o gedurende een opbouwfase vanaf 5 juni 2024:
- de eerste twee achtereenvolgende weken woensdag uit het kinderdagverblijf tot donderdag 17:00 uur, waarbij vader [minderjarige] terugbrengt naar moeder;
- de twee daaropvolgende oneven weken van maandag uit het kinderdagverblijf tot vrijdagochtend naar het kinderdagverblijf;
o na afloop van de opbouwfase de zorgregeling zoals door ouders vastgelegd op 14 november 2022, inhoudende:
- in de oneven weken verblijft [minderjarige] bij vader en in de even weken bij moeder, waarbij het wisselmoment plaatsvindt op maandag en de ouder waar [minderjarige] op maandagochtend verblijft hem naar het kinderdagverblijf/ school brengt en de andere ouder [minderjarige] hem daar in de middag weer ophaalt;
- wanneer het wisselmoment niet op school/kinderdagverblijf kan plaatsvinden dan zal het wisselmoment plaatsvinden op een neutrale plaats, eventueel door een derde;
- verwijst ouders en [minderjarige] voor een (jeugd)hulptraject naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant;
- verzoekt de Raad wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, onderzoek in te stellen ter beantwoording van de door de voorzieningenrechter gestelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren.
2.6
Op 23 mei 2025 heeft de voorzieningenrechter het volgende bepaald:
- dat [minderjarige] weer bij de man zal gaan verblijven vanaf 28 mei 2025 als volgt:
- op woensdag 28 mei 2025 en op woensdag 4 juni 2025 na school tot donderdag (29 mei en 5 juni) 17.00 uur, waarbij de man of diens partner [minderjarige] terugbrengt naar de vrouw;
- op woensdag 11 juni na school tot vrijdag aanvang school;
- vanaf 16 juni 2025 (week 25) zal de zorgregeling, zoals deze door partijen is vastgelegd op 14 november 2022, weer in volle omvang worden hervat, te weten als volgt:
- in de oneven weken verblijft [minderjarige] bij de man en in de even weken bij de vrouw, waarbij het wisselmoment plaatsvindt op de maandag en waarbij de ouder bij wie [minderjarige] op maandagochtend verblijft hem naar het kinderdagverblijf/de school brengt en waarbij de andere ouder [minderjarige] daar in de middag weer ophaalt. Wanneer het wisselmoment niet op de school/het kinderdagverblijf kan plaatsvinden dan zal het wisselmoment plaatsvinden op een neutrale plaats, eventueel uitgevoerd door een derde;
- dat de vrouw voor iedere keer dat zij weigert mee te werken aan de regeling zoals deze hiervoor bepaald, aan de man een dwangsom verbeurt van € 250,- met een maximum van € 5.000,-.
- uitvoerbaar bij voorraad.
2.7
De Raad heeft bij rapportage van 28 november 2025 geadviseerd om [minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI voor een periode van een jaar. Daarnaast heeft de Raad geadviseerd om de verzoeken van de vrouw voor de duur van een jaar aan te houden, in afwachting van de resultaten van de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling.
2.8
Bij (mondelinge) beschikking van 5 februari 2026 heeft de kinderrechter [minderjarige] voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld van de GI.
2.9
De vader is gedagvaard om op 10 februari 2026 bij de politierechter te verschijnen, omdat hij wordt verdacht van een poging tot zware mishandeling op 3 maart 2025. De vrouw is in het kader van deze procedure geregistreerd als slachtoffer.

3.Het verzoek

3.1
De vrouw verzoekt:
- het gezag over [minderjarige] met uitsluiting van de man aan de vrouw toe te wijzen;
- de ten aanzien van [minderjarige] geldende zorgregeling te wijzigen en te bepalen dat er contact zal zijn tussen de man en [minderjarige] op een wijze zoals door de Raad na onderzoek geadviseerd zal worden, subsidiair dat er begeleide omgang zal zijn in het kader van een traject bij het omgangshuis.
3.2
De vrouw baseert haar verzoek op het volgende. Volgens de vrouw is er sprake van een uitzonderlijke situatie, waarin afgeweken moet worden van het uitgangspunt van de wetgever dat het gezag over een minderjarige door de ouders gezamenlijk wordt uitgeoefend. De vrouw maakt zich ernstige zorgen over de veiligheid van [minderjarige] als hij bij de man is. [minderjarige] laat afwijkend gedrag zien en hij vertelt dat hij door de man hard wordt geslagen. Van de buren van de man heeft de vrouw gehoord dat de politie meerdere keren aan de deur van de man is verschenen, ook toen [minderjarige] bij hem was. De buren melden ook dat er uit de woning van de man veel geschreeuw te horen is en dat [minderjarige] hard en veel huilt. De vrouw acht een onderzoek door de Raad dan ook van belang. Zij vindt voorts dat de contacten tussen de man en [minderjarige] voortaan deskundig begeleid moeten worden. Volgens de vrouw is het in het belang van [minderjarige] dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd. De vrouw stelt dat er een onaanvaardbaar risico is dat [minderjarige] klem en verloren raakt tussen partijen en dat niet te verwachten is dat hier binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt. De vrouw wijst hierbij op de zeer verstoorde verstandhouding tussen partijen en de onmogelijkheid van partijen om met elkaar over [minderjarige] te overleggen.
3.3
De vrouw is het niet eens met het advies van de Raad, om de verzoeken van de vrouw voor de duur van een jaar aan te houden. Volgens de vrouw is er geen sprake van gelijkwaardige gezagsuitoefening. De vrouw is immers bang voor de man en er is een straat- en contactverbod, waardoor partijen niet met elkaar kunnen en mogen overleggen. De aanleiding voor het verzoek van de vrouw is juist gelegen in het aanhoudende huiselijk geweld door de man. Op 3 maart 2025 is de vrouw nog het slachtoffer geworden van fysieke mishandeling door de man, waaraan zij blijvend letsel heeft overgehouden. De man wordt hiervoor strafrechtelijk vervolgd. Daar komt bij dat [minderjarige] in de thuissituatie bij de man wordt blootgesteld aan verbaal en fysiek geweld tussen de man en zijn huidige partner. [minderjarige] vertelt dat hij ook zelf door de man hardhandig wordt aangepakt. De vrouw is niet in staat om zich tegen de man te weren. Zij is uit angst genoodzaakt om in de belangrijke beslissingen over [minderjarige] steeds zijn wil te volgen. De vrouw zou graag zien dat [minderjarige] een fijn contact heeft met zijn vader, maar daar is geenszins sprake van. [minderjarige] vertelt dat hij veel last heeft van het contact met de man en dit blijkt ook uit zijn gedrag. Hij reageert sneller boos, schreeuwt, duwt en slaat, verdraagt correcties moeilijk en heeft moeite met het reguleren van emoties. Daarnaast vertoont hij regressief gedrag, zoals het niet meer zindelijk zijn, slaapproblemen en angstige reacties/nachtmerries. De vrouw handhaaft dan ook haar verzoeken.
3.4
De man is het niet eens met de verzoeken van de vrouw en verzoekt deze verzoeken af te wijzen dan wel aan te houden voor de duur van twaalf maanden, in afwachting van de resultaten van de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling, althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.
3.5
De man voert aan dat hij inmiddels twee keer een kort geding heeft moeten starten, om de vrouw tot nakoming van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te bewegen. In beide gevallen heeft de voorzieningenrechter beslist dat de co-ouderschapsregeling hervat moest worden. Het verzoek van de vrouw is aangehouden in afwachting van het verloop van het hulpverleningstraject in het kader van het Uniform Hulpaanbod. De vrouw heeft hier niet aan mee willen werken. De man sluit zich aan bij het advies van de Raad om de onderhavige verzoeken aan te houden in afwachting van de resultaten van de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling. Met de Raad is de man van mening dat er eerst meer zicht moet komen op de mogelijkheden van partijen om weer met elkaar in contact te komen voor de afstemming over de zorg en opvoeding van [minderjarige] . Volgens de man is het nodig dat er meer rust komt tussen partijen en dat de vrouw vertrouwen krijgt in de bedoeling en de mogelijkheden van de man in relatie tot [minderjarige] en specifiek zijn veiligheid. Volgens de man moet de co-ouderschapsregeling voortgezet worden. Een wijziging van deze regeling acht hij niet in het belang van [minderjarige] . Evenmin acht de man een wijziging van het gezag noodzakelijk of gewenst.
3.6
De Raad geeft aan dat de verstandhouding tussen partijen volledig verstoord en vastgelopen is. Door het contact- en straatverbod kunnen partijen niet rechtstreeks met elkaar spreken. Bovendien ontbreekt bij partijen iedere bereidheid tot samenwerking. Partijen staan in de opvoeding van [minderjarige] lijnrecht tegenover elkaar, beschuldigen elkaar en tonen weinig inzicht in het eigen aandeel in de problematiek. Het risico dat [minderjarige] klem raakt tussen partijen is aanzienlijk. Hij wordt geconfronteerd met loyaliteitsdruk en beweegt mee met ieder van zijn ouders, om maar om te kunnen gaan met de spanningen. Zijn wens om niet meer naar de man te willen gaan en de zichtbare stress- en traumasignalen duiden er op dat hij deze druk sterkt ervaart en dat hij moeite heeft met het omgaan met de voortdurend wisselende verwachtingen en emoties waaraan hij wordt blootgesteld. Volgens de Raad zal de man aantoonbaar moeten leren omgaan met agressie, impulsiviteit en relationele spanningen. Het stoppen van de ruzies en grensoverschrijdend gedrag in zijn thuissituatie is een urgente voorwaarde voor de veiligheid van [minderjarige] .
Ten aanzien van de vrouw moet duidelijk worden hoe het gesteld is met haar psychische kwetsbaarheid, traumaverwerking en het aanbrengen van structuur in haar opvoedsituatie. Volgens de Raad moet in het kader van de ondertoezichtstelling duidelijk worden of partijen met intensieve ondersteuning kunnen toewerken naar een vorm van parallel solo ouderschap. Ook moet zicht ontstaan op de veiligheid binnen beide opvoedsituaties en de mate waarin partijen in staat zijn om te werken aan hun persoonlijke problematiek. De Raad adviseert dan ook om de verzoeken van de vrouw aan te houden voor de duur van een jaar, in afwachting van de resultaten van de hulpverlening binnen het kader van de ondertoezichtstelling. In deze periode moet duidelijk worden of partijen in staat zijn tot voldoende verbetering en of gezamenlijk gezag houdbaar is binnen een veilige en stabiele opvoedsituatie voor [minderjarige] . De Raad is bereid om te zijner tijd opnieuw te adviseren over het gezag over [minderjarige] , zodra de GI voldoende zicht heeft gekregen op de opvoedsituaties en de ontwikkeling binnen het systeem. Ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken merkt de Raad op dat de uitvoering van de co-ouderschap in de praktijk voor [minderjarige] en partijen een aanzienlijke emotionele belasting met zich brengt. Het is volgens de Raad pas verantwoord om hierin wijziging te brengen na onderzoek naar welke vorm hem daadwerkelijk meer rust, veiligheid en stabiliteit zal bieden. Totdat de noodzakelijk geachte hulpverleningstrajecten in gang zijn gezet en de effecten daarvan zichtbaar worden, kan de Raad niet verantwoord bepalen welke zorgregeling het meest passend is. Ook ten aanzien van dit verzoek adviseert de Raad de beoordeling daarvan voor de duur van een jaar aan te houden, in afwachting van de ontwikkelingen in het kader van de ondertoezichtstelling.
3.6
De GI heeft de stukken gelezen en heeft de casus op basis daarvan prioriteit categorie Rood gegeven. Er zijn zorgelijke signalen over huiselijk geweld en fysieke correcties in de opvoedsituatie bij de vader. Het is belangrijk dat daar zicht op komt. Binnen vijf dagen zal de GI de zaak oppakken en met [minderjarige] spreken. Vervolgens zal er binnen zes weken een plan van aanpak gemaakt worden. Er zal in ieder geval een veiligheidsinschatting moeten worden gemaakt voor beide opvoedsituaties. Ook moet er zo spoedig mogelijk intensieve hulpverlening bij beide ouders ingezet worden. De GI zal hiervoor een goede zorgaanbieder benaderen. In de opstartfase zal het Landelijk Expertise Team worden meegenomen. Gelet op de zorgen die er zijn, zou de GI graag de regie willen krijgen over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, zodat deze daar waar nodig aangepast kan worden.
3.7
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om de verzoeken te beoordelen, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

Gezag
4.1.
In artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter op verzoek van de ouders die niet met elkaar zijn getrouwd of een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen. Dan kan als de omstandigheden zijn veranderd sinds de ouders samen het gezag hebben gekregen of als de rechtbank van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan toen hij het gezamenlijk gezag heeft vastgesteld. In dat geval beslist de rechtbank wie van de ouders voortaan alleen het gezag over [minderjarige] krijgt. In artikel 1:253n lid 1 BW staat dat artikel 1:251a lid 1 BW van toepassing is. In dat artikel staat dat de rechter kan beslissen dat het gezag over een kind naar één ouder gaat, als er een onacceptabel risico is dat, als allebei de ouders het gezag houden, dit kind erg klem komt te zitten tussen die ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd verbetert of als een verandering van het gezag op een andere manier in het belang van het kind noodzakelijk is.
Geschil in gezamenlijke gezagsuitoefening
4.2
In artikel 1:253a lid 1 BW staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt.
4.3
In deze zaak zijn de artikelen 1:253a en 1:377e BW van toepassing.
4.4
In artikel 1:377e BW staat dat de rechtbank op verzoek van de ouders een bestaande zorgregeling kan veranderen als de omstandigheden zijn veranderd of als de rechtbank die regeling heeft vastgesteld op grond van onjuiste of onvolledige gegevens.
Gewijzigde omstandigheden
4.5
De rechtbank stelt allereerst vast dat, sinds de vaststelling van de tussen partijen overeengekomen verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, er sprake is van gewijzigde omstandigheden. De rechtbank leidt deze gewijzigde omstandigheden vast uit de vastgestelde bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] en dat hij door de kinderrechter onder toezicht is gesteld van de GI. Op grond van deze gewijzigde omstandigheden kan de vrouw in haar verzoeken ontvangen worden.
Inhoudelijke beoordeling
4.6
De rechtbank heeft kennis genomen van de inhoud van de stukken en van hetgeen door partijen, de Raad en de GI tijdens de zitting naar voren is gebracht. De rechtbank concludeert hieruit dat er sprake is van een situatie waarin [minderjarige] enorm klem zit tussen partijen. [minderjarige] is nog maar vijf jaar oud. Tijdens het onderzoek door de Raad heeft hij gesproken met een raadsonderzoeker. In dit gesprek vertelt [minderjarige] dat zijn vader vaak stout is. Hij legt uit dat de vader zijn moeder geslagen heeft en van de trap geduwd heeft. Ook benoemt hij dat zijn moeder de politie heeft gebeld. Volgens [minderjarige] heeft hij dit hele incident gezien en gehoord. [minderjarige] vertelt verder dat zijn vader ook zijn huidige partner slaat. Volgens [minderjarige] heeft hij de partner van de vader geholpen door tegen de vader te schreeuwen en te zeggen dat hij moet stoppen. Zijn vader is soms lief, maar soms schreeuwt hij tegen [minderjarige] en trekt hij aan zijn oren. [minderjarige] wil dan ook liever niet meer naar zijn vader gaan.
4.7
De rechtbank vindt het heel zorgelijk dat een kind van deze leeftijd zo praat over een van zijn ouders. Het is bovendien zorgelijk dat hij getuige is geweest of zegt dat hij getuige is geweest van geweld vanuit zijn vader richting zijn moeder en richting de huidige partner van de man. In de stukken zijn meerdere aanwijzingen te vinden, dat de man grote moeite heeft met het beheersen van zijn agressie. Zo is de hulp vanuit De Gezinsmanager in 2022 gestopt, omdat de man op het kantoor een deur kapot gemaakt heeft. In mei 2025 heeft de man een voorwaardelijke veroordeling gekregen vanwege de mishandeling van zijn toenmalige buurman op 20 oktober 2024. En op 3 maart 2025 heeft zich een geweldsincident voorgedaan tussen de man en de vrouw, waarvoor de man strafrechtelijk vervolgd wordt en waaraan de vrouw, blijkens de door haar overgelegde stukken van de huisarts en de neuroloog, blijvend letsel heeft overgehouden. Ook tijdens het onderzoek van de Raad is de man boos geworden, heeft hij met stemverheffing gesproken en is hij uit het gesprek met de raadsonderzoeker weggelopen. De rechtbank vindt het dan ook zeer kwalijk dat de man en zijn advocaat deze gebeurtenissen afdoen door te stellen dat er in het verleden dingen “niet goed” zijn gegaan. De eenvoudige ontkenning of minimalisering van de geweldsincidenten doet geen recht aan hetgeen uit het rapport van de Raad is gebleken.
4.8
Anderzijds is ook uit het rapport van de Raad gebleken dat er zicht moet komen op de opvoedsituatie bij de vrouw. Hierin wordt gezien dat zij moeite heeft met het bieden van een consistente dagstructuur, wat een effect heeft op [minderjarige] . Voor de vrouw is het dan ook belangrijk dat zij ondersteuning krijgt in haar rol als ouder voor [minderjarige] . Zij moet leren hoe zij met zijn gedrag om moet gaan.
4.9
De kinderrechter heeft [minderjarige] tijdens de zitting van 5 februari 2026 onder toezicht gesteld van de GI. In dit kader moet [minderjarige] de veiligheid van [minderjarige] prioriteit nummer één zijn en moet hij ruimte en de gelegenheid krijgen om zijn trauma’s te verwerken. Voor [minderjarige] is het belangrijk dat hij gesteund en ondersteund wordt. Er moet gewerkt worden aan een situatie waarin [minderjarige] van zijn beide ouders kan houden en dat er onbelast contact kan zijn. Dit contact moet veilig en stabiel zijn, terwijl hij de tijd heeft om de nare gebeurtenissen die hij meegemaakt heeft te verwerken. Daarnaast moet er gekeken worden of partijen in staat zijn om in een vorm van parallel solo ouderschap het gezag over [minderjarige] samen vorm te geven. De GI heeft aan de casus de prioriteit Rood gegeven, wat betekent dat er zo snel mogelijk een jeugdbeschermer komt voor [minderjarige] . De GI zal daarbij in de opstartfase het Landelijk Expertise Team betrekken, zodat er snel zicht komt op mogelijk partnergeweld of dwingende controle vanuit de man.
4.1
Gelet op het voorgaande en het gegeven dat er in het kader van de ondertoezichtstelling nog hulpverlening voor [minderjarige] en partijen wordt ingezet, mede om partijen te ondersteunen in een manier waarop zij samen het gezag kunnen blijven uitoefenen, is er nog geen sprake van een situatie dat niet meer te verwachten is dat de situatie nog verbetert. De rechtbank ziet hierin aanleiding om het advies van de Raad te volgen en de beoordeling van het verzoek tot wijziging van het gezag voor de duur van een jaar aan te houden, zodat de ontwikkelingen in het kader van de ondertoezichtstelling nog gevolgd kunnen worden. De rechtbank verwacht van de GI dat deze de Raad voor afloop van dit jaar informeert over de stand van zaken, waarna de Raad de gelegenheid heeft om de rechtbank opnieuw op dit punt te adviseren. Na ontvangst van het verslag van de GI en het advies van de Raad, zullen de advocaten van partijen in de gelegenheid worden gesteld, om hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en of er behoefte is aan een zitting om deze standpunten nader toe te lichten.
4.11
Ten aanzien van het verzoek van de vrouw tot wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken overweegt de rechtbank het volgende. In het kader van de ondertoezichtstelling zal er worden gewerkt aan de uitvoering van een contactregeling, welke onbelast, veilig en stabiel is voor [minderjarige] . Voor [minderjarige] geldt dat hij in het hulpverleningstraject door de GI centraal moet staan. Dat betekent ook dat er goed moet worden gekeken of het in het belang van [minderjarige] is dat hij wekelijks wisselt tussen zijn ouders. De rechtbank vindt het belangrijk dat de GI in het kader van de ondertoezichtstelling goed onderzoekt of de huidige regeling nog wel passend is bij [minderjarige] en de heftige problematiek die er speelt. De rechtbank zal met het oog hierop bepalen dat de GI de komende periode voorlopig
de regie krijgt over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, zodat de GI de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan aanpassen waar dat nodig is. Deze regeling geldt vooralsnog tot er anders wordt beslist door de rechtbank. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat de GI over vijf maanden verslag doet aan de advocaten van partijen en de rechtbank over de stand van zaken op dat moment en welke contactregeling daarbij passend is voor [minderjarige] . Het is voor [minderjarige] en partijen immers van belang dat zij weten waar zij aan toe zijn. De beoordeling van het verzoek van de vrouw ten aanzien van de verdeling van de zorg en opvoedingstaken zal voor
de duur van zes maandenworden aangehouden. De rechtbank zal de advocaten van partijen na ontvangst van het verslag van de GI twee weken de gelegenheid geven om op dat moment een standpunt in te nemen en om aan te geven of een zitting op dat moment gewenst is.
4.12
Beslist word dan ook als volgt.

5.De beslissing

De rechtbank
houdt de behandeling van het verzoek tot
wijziging van het gezagin deze zaak aan tot
18 februari 2027 PRO FORMA, in afwachting van het advies van de Raad en de reactie hierop van de advocaten van partijen en hun standpunt over de manier waarop de zaak op dit punt verder moet worden afgedaan;
wijzigt de tussen partijen op 14 november 2022 overeengekomen verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (alsmede de vonnissen van 12 juni 2024 en 23 mei 2025) in die zin dat de GI
voorlopigde bevoegdheid heeft om de contactregeling zodanig aan te passen, dat deze past bij wat [minderjarige] aan kan;
houdt de behandeling van het verzoek tot
wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstakenin deze zaak aan tot
18 augustus 2026 PRO FORMA, in afwachting van het verslag van de GI over de stand van zaken en de reactie hierop van de advocaten van partijen en hun standpunt over de manier waarop de zaak op dit punt verder moet worden afgedaan;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Triest, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026 in aanwezigheid van Joosen, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.