ECLI:NL:RBZWB:2026:2043

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
BRE 26/326 en 26/327
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van bezwaar en beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting gemeente Tilburg

De heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg legde op 7 augustus 2025 een naheffingsaanslag parkeerbelasting op. Belanghebbende maakte op 16 september en 16 oktober 2025 bezwaar tegen deze aanslag. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar op 30 december 2025 ongegrond en handhaafde de aanslag.

Belanghebbende stelde dat er twee uitspraken op bezwaar hadden moeten worden gedaan, omdat er twee naheffingsaanslagen zouden zijn opgelegd. De rechtbank oordeelde dat het tweede bezwaar als aanvulling op het eerste moest worden gezien en dat er slechts één naheffingsaanslag was, de andere brief was een aanmaning. Daarom was het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk en het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond.

Verder stelde belanghebbende dat het dwangbevel van 6 januari 2026 onterecht was opgelegd. De rechtbank verklaarde zich onbevoegd hierover te oordelen en verwees het bezwaar door naar de invorderingsambtenaar van de gemeente Tilburg. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond; het beroep tegen het dwangbevel is doorverwezen naar de invorderingsambtenaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 26/326 en 26/327

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. De heffingsambtenaar heeft op 7 augustus 2025 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd met [aanslagnummer] . Met dagtekening 6 september 2025 is een aanmaning tot het voldoen van de naheffingsaanslag verzonden.
1.1.
Belanghebbende heeft op 16 september 2025 en 16 oktober 2025 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft op 30 december 2025 het bezwaar ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen die belanghebbende heeft ingesteld op 17 januari 2026 tegen de uitspraak op bezwaar en wegens niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar.
1.4.
Omdat het beroep wegens het niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is en het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

Beroep niet tijdig beslissen (BRE 26/326)
2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de heffingsambtenaar twee uitspraken op bezwaar had moeten nemen, terwijl op 30 december 2025 maar één uitspraak op bezwaar is genomen. Volgens belanghebbende is er dan ook sprake van een beroep niet tijdig beslissen.
2.1.
De rechtbank overweegt dat de bezwaarschriften van 16 september 2025 en 16 oktober 2025 – op de dagtekening na – identiek zijn aan elkaar. De bezwaarschriften zien alleen op de naheffingsaanslag parkeerbelasting. Als uitgangspunt geldt dat, gelet op het systeem van de Awb, tegen een besluit niet tweemaal afzonderlijk bezwaar kan worden gemaakt. Een tweede of volgend bezwaarschrift heeft in beginsel te gelden als een aanvulling op het eerste bezwaarschrift. Nu in dit geval het tweede bezwaar dient te worden aangemerkt als aanvulling op het eerste bezwaar, heeft dit tot gevolg dat terecht eenmaal uitspraak op bezwaar is gedaan. Het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op het tweede bezwaarschrift moet niet-ontvankelijk worden verklaard omdat reeds op 30 december 2025 een uitspraak op bezwaar is gedaan.
2.2.
Voor zover belanghebbende van mening is dat twee uitspraken op bezwaar moeten worden gedaan, omdat ook twee naheffingsaanslagen parkeerbelasting zouden zijn opgelegd, gaat dat standpunt uit van een onjuiste voorstelling van de feiten. Er is één naheffingsaanslag opgelegd met datum 7 augustus 2025. Het bericht van 6 september 2025 betreft geen naheffingsaanslag, maar een aanmaning wegens het niet tijdig betalen van de naheffingsaanslag. Aangezien beide bezwaren zijn gericht tegen dezelfde naheffingsaanslag en er geen bezwaar is gemaakt tegen de aanmaning(skosten), heeft de heffingsambtenaar terecht een uitspraak op het bezwaar tegen de naheffingsaanslag gedaan en geen twee uitspraken op bezwaar genomen.
Beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 30 december 2025 (BRE 26/327)
2.3.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de heffingsambtenaar een van de twee naheffingsaanslagen diende te vernietigen. Zoals hiervoor is overwogen, is geen sprake van twee naheffingsaanslagen voor hetzelfde feit. Belanghebbende gaat uit van een onjuiste opvatting. De brief van 7 augustus 2025 is de naheffingsaanslag parkeerbelasting en de brief van 6 september 2025 is een aanmaning tot het voldoen van de naheffingsaanslag. Deze grond leidt daarom niet tot een gegrond beroep. Voor het overige is niet gesteld of gebleken dat de naheffingsaanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is opgelegd. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar is daarom ongegrond.
Voor zover het beroep is gericht tegen het dwangbevel van 6 januari 2026
2.4.
Belanghebbende heeft op 3 maart 2026 gereageerd op het verweerschrift en stelt dat het dwangbevel ten onrechte is opgelegd, omdat er vermoedelijk maar één uitspraak op bezwaar is gedaan. De rechtbank overweegt dat tegen een dwangbevel geen beroep openstaat bij de belastingrechter. Dit zijn civiele kwesties die aan de civiele rechter moeten worden voorgelegd. Voor zover het beroep zich richt tegen de kosten van het dwangbevel, is de belastingrechter weliswaar bevoegd, maar dient eerst bezwaar te worden gemaakt bij de invorderingsambtenaar van de gemeente Tilburg . De rechtbank stuurt daarom het stuk van 3 maart 2026 door aan de invorderingsambtenaar van de gemeente Tilburg ter behandeling als bezwaarschrift.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep wegens het niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar is kennelijk niet-ontvankelijk. Het beroep dat ziet op de uitspraak op bezwaar van 30 december 2025 is kennelijk ongegrond. De rechtbank is onbevoegd een inhoudelijk oordeel te geven over het dwangbevel en zal het stuk van 3 maart 2026 doorsturen te behandeling als bezwaar tegen de kosten van het dwangbevel. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep wegens het niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 30 december 2025 ongegrond;
  • verklaart zich voor zover het beroep ziet op het dwangbevel van 6 januari 2026 onbevoegd;
  • draagt de invorderingsambtenaar van de gemeente Tilburg op om het stuk van belanghebbende van 3 maart 2026 in behandeling te nemen als bezwaar tegen de kosten van het dwangbevel.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 20 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.