Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2036

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
BRE 26/783
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen UWV op aanvraag herbeoordeling WIA

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het UWV omdat het niet tijdig heeft beslist op zijn aanvraag tot herbeoordeling op grond van de Wet WIA van 5 augustus 2025. De rechtbank stelt vast dat het UWV de ingebrekestelling van 22 oktober 2025 heeft ontvangen en sindsdien de beslistermijn is overschreden.

Het UWV heeft als reden voor de vertraging een tekort aan verzekeringsartsen opgegeven en kan nog niet aangeven wanneer het besluit wordt genomen. Eiser verzocht om een korte beslistermijn van één tot twee weken, mede vanwege de 60-plus regeling, maar de werkgever heeft geen toestemming gegeven voor versnelde afhandeling, waardoor een volledige beoordeling door een verzekeringsarts noodzakelijk is.

De rechtbank oordeelt dat een termijn van vier maanden redelijk is om een zorgvuldige besluitvorming mogelijk te maken. Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op met een maximum van €15.000 voor elke dag dat het UWV de termijn overschrijdt. Het griffierecht wordt aan eiser vergoed. Het beroep wordt zonder zitting behandeld en de uitspraak is openbaar gemaakt.

Uitkomst: Het UWV moet binnen vier maanden alsnog beslissen en een dwangsom betalen bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/783

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat het UWV volgens hem niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 5 augustus 2025 tot herbeoordeling op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep kennelijk gegrond?
3. Het beroep is kennelijk gegrond. Niet in geschil is dat er sprake is van een overschrijding van de beslistermijn. Eiser heeft het UWV op 22 oktober 2025 in gebreke gesteld. Het UWV heeft de ingebrekestelling op 24 oktober 2025 ontvangen en sindsdien zijn twee weken voorbijgegaan.
Welke beslistermijn wordt aan het UWV opgelegd?
4. Omdat het UWV nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.2.
Per e-mail van 26 januari 2026 heeft het UWV eiser ingelicht over de mogelijkheid van de 60-plus regeling van het UWV (VM-regeling 6). Deze regeling is van toepassing op eiser. Met deze regeling zou eiser automatisch als 80 tot 100% arbeidsongeschikt worden aangemerkt, als zowel eiser als zijn werkgever hiervoor akkoord geven. Eiser hoeft dan niet volledig beoordeeld te worden door een verzekeringsarts. Eiser geeft in zijn nadere beroepschrift van 27 februari 2026 aan dat er op 28 januari 2026 telefonisch contact was met een arbeidsdeskundige van het UWV. De arbeidsdeskundige zou hebben toegelicht dat de aanvraag binnen een week zal worden afgerond na het akkoord van de werkgever. Omdat er volgens eiser geen beoordelingscomplexiteit bestaat, gelet op de mogelijkheid om binnen een week te kunnen beslissen, verzoekt eiser om het UWV een termijn op te leggen van een tot twee weken.
4.3.
Het UWV heeft in het verweerschrift van 25 februari 2026 aangegeven dat de reden van het overschrijden van de beslistermijn het tekort aan verzekeringsartsen is. Tevens geeft het UWV aan dat het momenteel nog onduidelijk is wanneer er een besluit afgegeven kan worden.
4.4.
De werkgever heeft geen toestemming gegeven voor de versnelde afhandeling. Dit blijkt uit een mail van 12 februari 2026, die door eiser is overlegd. Dit betekent dat eiser volledig beoordeeld dient te worden door een verzekeringsarts. Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op de aanvraag te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige besluitvorming. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat het UWV vier maanden de tijd krijgt om alsnog te beslissen op de aanvraag. De rechtbank gaat dus niet mee in het verzoek van het eiser om een beslistermijn van een tot twee weken op te leggen. Evenmin honoreert zij het verzoek van het UWV om langere beslistermijn op te leggen.
Welke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd?
5. Eiser verzoekt in het beroepschrift van 26 januari 2026 om een dwangsom van € 200,- per dag op te leggen. In het aanvullend beroepschrift van 27 februari 2026 verzoekt eiser om een dwangsom van € 1000,- per dag op te leggen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat het UWV een dwangsom van
€ 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. De rechtbank ziet geen aanleiding om een hogere dwangsom op te leggen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, het UWV de onder 4.4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het UWV de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het UWV op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat het UWV aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het UWV de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van
I. Ambachtsheer, griffier, op 26 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.