Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2032

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
C/02/443885 / HA RK 26-5 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Van der Burgh
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet financieel toezichtAlgemene Verordening GegevensbeschermingArt. 21 lid 1 AVGArt. 6 lid 1 onder f AVG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot verwijdering BKR-registratie afgewezen wegens onvoldoende zwaarwegende belangen

Verzoeker heeft samen met haar ex-partner in 2018 een hypothecaire geldlening afgesloten bij Rabobank. Vanaf oktober 2023 ontstond een betalingsachterstand, waarop Rabobank in januari 2024 een A-codering registreerde bij het BKR. Verzoeker betaalde in december 2024 een groot deel van de achterstand, maar er bleef volgens Rabobank een restschuld bestaan.

Verzoeker verzocht in oktober 2025 om verwijdering van de BKR-registratie, maar Rabobank wees dit af omdat de achterstand nog bestond. Na verkoop van de woning in februari 2026 werd de lening volledig afgelost en de einddatum van de codering aangepast. Verzoeker stelde dat de registratie onterecht was en dat haar financiële situatie inmiddels stabiel is, maar zij had nog geen concrete hypotheekaanvraag gedaan.

De rechtbank oordeelt dat de registratie aanvankelijk correct was en dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de achterstand volledig was ingelopen in december 2024. De belangenafweging leidt tot het oordeel dat de belangen van verzoeker niet zwaar genoeg wegen om de registratie nu te verwijderen. De rechtbank wijst het verzoek af en veroordeelt verzoeker in de proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek tot verwijdering van de BKR-registratie wordt afgewezen wegens onvoldoende zwaarwegende belangen.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer / rekestnummer: C/02/443885 / HA RK 26-5
Beschikking van 18 maart 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [plaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. N.E. Paulusse,
tegen
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
gevestigd te Utrecht,
verwerende partij,
hierna te noemen: de Rabobank,
advocaat: mr. M. van den Broek.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 14, ter griffie ontvangen op 12 januari 2026;
- de aanvullende producties van de zijde van eiser, productie 15 en 16;
- de aanvullende productie van de zijde van eiser, productie 17;
- het verweerschrift met producties 1 tot en met 8, ter griffie ontvangen op 2 maart 2026;
- het gewijzigde verzoekschrift, ter griffie ontvangen op 5 maart 2026;
- de spreekaantekeningen van mr. Paulusse;
- de mondelinge behandeling van 9 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker] heeft tezamen met (haar inmiddels ex-)partner in 2018 een hypothecaire geldlening afgesloten bij de Rabobank. In oktober 2023 is een achterstand in de maandelijkse betalingen ontstaan. De Rabobank heeft op 1 januari 2024 een
A-codering (achterstand) geregistreerd in het CKI van het BKR.
2.2.
[verzoeker] heeft de Rabobank, in het bijzonder de afdeling Bijzonder Beheer, op de hoogte gehouden van haar privésituatie, waaronder haar echtscheiding en de daaruit voortvloeiende financiële problemen.
2.3.
Bij brief van 11 november 2024 heeft de Rabobank een brief aan [verzoeker] gestuurd waarin zij [verzoeker] informeert over de achterstand van € 5.144,94 en de openstaande onderzoekskosten.
2.4.
Op 2 december 2024 heeft [verzoeker] een bedrag van € 4.248,42 aan de Rabobank betaald met de bedoeling de achterstand in te lossen. Zij heeft dat gedaan onder vermelding van het leningdeelnummer en de mededeling dat die betaling niet zag op de onderzoekskosten.
2.5.
[verzoeker] heeft de Rabobank vervolgens op 22 oktober 2025 verzocht de BKR-registraties te (doen laten) verwijderen, waarop 6 november 2025 door de BKR Desk van de Rabobank afwijzend is beslist met betrekking tot de A-codering. Op diezelfde dag heeft [verzoeker] een hernieuwd verzoek tot verwijdering van de A-codering ingediend. Ook op dit verzoek is op 4 december 2025 afwijzend beslist door de Klachtenservice van de Rabobank. In de beide besluiten vermeldt de Rabobank dat nog steeds sprake is van een achterstand op de hypothecaire geldlening.
2.6.
De echtelijke woning is op 23 februari jl. verkocht, waarna de hypothecaire geldlening volledig is afgelost. Tegelijk is daarbij een bedrag van € 1.383,83 aan achterstand en een bedrag van € 288,96 aan lopende rente betaald. Met ingang van 23 februari 2026 heeft de Rabobank deze datum als einddatum geregistreerd bij de A-codering.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoeker] verzoekt – na wijziging van haar verzoekschrift – om de Rabobank te veroordelen de registratie van de A- en/of H-codering (inclusief einddatum) in het CKI van het BKR, op naam van [verzoeker] te doen (laten) verwijderen en verwijderd te houden met veroordeling van de Rabobank in de proces- en nakosten.
3.2.
De Rabobank voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt – voor zover relevant – hierna ingegaan.

4.De beoordeling

Het wettelijk kader
4.1.
Op grond van de Wet financieel toezicht (Wft) is Rabobank verplicht deel te nemen aan een stelsel van kredietregistratie, dat wordt uitgevoerd door het BKR.
Het doel hiervan is tweeledig: enerzijds het beschermen van de consument tegen overkreditering, anderzijds het beschermen van kredietaanbieders tegen kredietnemers die hun verplichtingen niet nakomen. Registratie in het CKI van het BKR kan worden aangemerkt als het verwerken van persoonsgegevens in de zin van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Bij die verwerking dient te worden voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Een BKR-registratie is aan te merken als het verwerken van persoonsgegevens waarop de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) van toepassing is. Op grond van artikel 21 lid 1 AVG Pro kan een persoon vanwege zijn specifieke situatie bezwaar maken tegen de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens op basis van artikel 6 lid 1 onder Pro f AVG.
Registratie is juist
4.2.
Uit hetgeen onder de feiten is weergegeven, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de registratie van de A-codering in januari 2024 op zichzelf correct is. Dit wordt door [verzoeker] ook niet betwist. Zij stelt wel dat de Rabobank na de betaling van € 4.248,42 op 2 december 2024 een H-codering had moeten vermelden. [verzoeker] heeft gesteld dat de achterstand daarmee volledig was ingelopen. Een medewerker van de Rabobank zelf zou [verzoeker] via de telefoon of via de chat hebben medegedeeld dat het openstaande bedrag € 4.248,42 bedroeg. Enige tijd daarna was volgens [verzoeker] wel een nieuwe, relatief geringe achterstand ontstaan. De Rabobank betwist dat de achterstand volledig was ingelopen. Zij stelt dat er ook na de betaling van 2 december 2024 een achterstand is blijven bestaan, die pas tegelijk met het aflossen van de hypotheek is betaald. De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat met de betaling van 2 december 2024 de volledige achterstand is ingelopen. Uit de brief van 11 november 2024 blijkt immers dat het openstaande bedrag hoger was dan [verzoeker] op 2 december 2024 heeft betaald. Daarnaast is niet duidelijk wanneer de nieuwe achterstand zou zijn ontstaan. Ook een hypotheekafschrift van 31 december 2024 wijst erop dat er steeds een achterstand is blijven bestaan. De Rabobank was daarom niet gehouden de registratie van de A-codering te verwijderen, dan wel een H-codering (herstel) te registreren.
De belangenafweging
4.3.
De vraag die vervolgens voorligt is of de registratie van de A-codering (inclusief einddatum) moet worden verwijderd. Dit komt neer op een belangenafweging. Die belangenafweging moet worden gemaakt aan de hand van de feiten en omstandigheden die op het moment van de afweging bekend zijn. Bij deze afweging kunnen dus ook feiten en omstandigheden worden betrokken die zich na de registratie hebben voorgedaan. Bij een dergelijke registratie en de handhaving daarvan moet zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dat betekent dat de inbreuk op de belangen van de betrokkene niet onevenredig mag zijn in verhouding tot het doel van de verwerking en dat dit doel in redelijkheid niet op een andere, voor hem minder nadelige wijze kan worden verwezenlijkt.
4.4.
[verzoeker] vindt dat de belangenafweging in haar voordeel dient uit te vallen.
In dit verband heeft zij naar voren gebracht dat de achterstand in de aflossing van de hypothecaire geldlening als gevolg van een ongelukkige samenloop van omstandigheden is ontstaan. De ex-partner van [verzoeker] kwam zijn verplichtingen niet na, waardoor [verzoeker] de volledige hypotheeklast zelf moest dragen. De hypotheekrenteaftrek werd gestort op de rekening van de ex-partner van [verzoeker] . Doordat de ex-partner zich niet uitschreef van het adres van de echtelijke woning, kreeg [verzoeker] ook niet de juiste toeslagen. De A-codering weerspiegelt niet de betalingsmoraal van [verzoeker] . [verzoeker] heeft de Rabobank altijd op de hoogte gehouden van haar financiële problemen, en heeft gehandeld naar adviezen van de afdeling Bijzonder Beheer en de door de Rabobank ingeschakelde budgetcoach. Na de verkoop van de echtelijke woning, is de hypothecaire lening op 23 februari jl. volledig afgelost. Er zijn ook geen andere schulden (meer). De financiële situatie van [verzoeker] is stabiel; zij heeft een vaste baan en heeft een goed inkomen. [verzoeker] kan als gevolg van de BKR-registratie geen huur- of koopwoning krijgen. [verzoeker] en haar minderjarige kind wonen na de verkoop van de echtelijke woning, tijdelijk in bij de zus van [verzoeker] .
4.5.
De Rabobank heeft erop gewezen dat er op enig moment een achterstand was van vijf tot zes maandtermijnen en dat er over een periode van ruim twee jaar een achterstand heeft bestaan. [verzoeker] is meerdere malen gewezen op het risico van een BKR-registratie. Ook nadat [verzoeker] op 2 december 2024 een grote betaling verrichte, bleef sprake van een achterstand. In die achterstand zaten niet de eerder genoemde onderzoekskosten begrepen. De volledig aflossing van de hypothecaire geldlening heeft pas kort geleden plaatsgevonden, zodat nog niet gesproken kan worden van een financieel stabiele situatie. Bij de A-codering is thans vermeld dat de lening is afgelost. Een dergelijke codering weegt voor kredietverstrekkers even zwaar als een H-codering. Dit maakt het verkrijgen van een hypotheek wel lastiger dan zonder registratie, maar niet onmogelijk.
4.6.
De rechtbank stelt voorop dat het prijzenswaardig is dat [verzoeker] de Rabobank proactief heeft benaderd om in overleg te treden in verband met haar kwetsbare financiële situatie. Toch moet aan de door haar aangevoerde belangen minder gewicht worden toegekend
.Dit licht de rechtbank hierna toe.
4.7.
Het uitgangspunt is dat er een forse achterstand is ontstaan, die langere tijd heeft bestaan en pas enkele weken voor de mondelinge behandeling is ingelost. Hiervoor was de verkoop van de woning nodig. Die omstandigheden rechtvaardigen een registratie. Mede gelet op de jurisprudentie van onder mee het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid) volgt dat sprake moet zijn van bijzondere omstandigheden om de registratie onder deze omstandigheden te verwijderen. Daarbij wordt veel waarde toegekend aan financiële stabiliteit. In dat verband is aannemelijk dat de oorzaak van de achterstand weliswaar in de risicosfeer van [verzoeker] ligt, maar dat zij daar geen of weinig schuld aan heeft. Het is begrijpelijk dat [verzoeker] op enig moment voorrang heeft gegeven aan het betalen van de buitenschoolse opvang voor haar kind om haar baan te kunnen behouden. Dit doet af aan de zorgen over de betalingsmoraal van [verzoeker] . Daar staat tegenover dat er nog te weinig tijd verstreken is om te kunnen concluderen dat de financiële situatie nu daadwerkelijk stabiel is. [verzoeker] heeft weinig inzicht heeft gegeven in haar huidige financiële situatie anders dan het overleggen van de detacheringsovereenkomst– die per 1 januari 2026 is ingegaan – en een loonstrook. [verzoeker] heeft aangevoerd dat zij graag een huis wil kopen of huren, maar dat dat door de BKR-registratie niet kan. Ter zitting heeft [verzoeker] desgevraagd aangegeven dat zij nog geen concrete hypotheekaanvraag heeft gedaan en er nog geen woning op het oog heeft. [verzoeker] heeft haar standpunt onvoldoende onderbouwd, mede in het licht van de stelling van de Rabobank dat het met de huidige, minder zware codering niet onmogelijk is om een hypotheek te verkrijgen. .
4.8.
Concluderend is de rechtbank is van oordeel dat de belangen van [verzoeker] op dit moment niet zwaar genoeg wegen om de registratie reeds nu te verwijderen. De rechtbank wijst het verzoek daarom af. Dit neemt niet weg dat [verzoeker] op enig moment voordat de vijfjaarstermijn is verstreken een nieuw verzoek tot verwijdering kan indienen bij Rabobank.
Proceskosten
4.9.
[verzoeker] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Rabobank worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.230,00

3.De beslissing

De rechtbank
4.1.
wijst het verzoek af;
4.2.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 2.230,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
4.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van der Burgh en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.