ECLI:NL:RBZWB:2026:2019

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444482 / JE RK 26-160
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Borm
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c lid 2 BWVerordening Brussel II-ter art. 7 lid 1Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 art. 15
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2022. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag, maar de moeder is onvoldoende in staat een veilige en stabiele opvoedsituatie te bieden vanwege complexe problematiek. De minderjarige verblijft in een pleeggezin waar zij positieve ontwikkelingen doormaakt.

De ouders verschenen niet op de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond. De gecertificeerde instelling handhaaft het verzoek tot verlenging omdat er geen leerbaarheid is in het contact met de moeder en het contact met de vader zeer beperkt is. De pleegmoeder bevestigt de positieve ontwikkeling van de minderjarige in het pleeggezin.

De kinderrechter oordeelt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en Nederlands recht van toepassing is. Gezien de omstandigheden is verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk in het belang van de minderjarige. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en geldt direct, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige worden verlengd voor de duur van een jaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/444482 / JE RK 26-160
Datum uitspraak: 17 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen de Gecertificeerde Instelling (de GI),
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
[de pleegmoeder] ,hierna te noemen de pleegmoeder.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • een vertegenwoordiger van de GI;
  • de pleegmoeder.
1.3.
De ouders zijn, ondanks behoorlijke oproeping, ter zitting niet verschenen.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 24 december 2024 heeft de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden, te weten met ingang van 24 december 2024 en tot 24 maart 2025. Tevens heeft de kinderrechter bij diezelfde beschikking [minderjarige] met spoed uit huis geplaatst in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van vier weken, te weten met ingang van 24 december 2024 en tot 21 januari 2025. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
2.3.
Bij beschikking van 3 januari 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd voor de duur van een maand, met ingang van 21 januari 2025 en tot 21 februari 2025. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden. Vervolgens is bij beschikking van 20 februari 2025 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd voor de duur van twee weken, met ingang van 21 februari 2025 en tot 7 maart 2025, onder aanhouding van het resterende deel.
2.4.
Bij beschikking van 5 maart 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van twaalf maanden, met ingang van 5 maart 2025 en tot 5 maart 2026. Bij dezelfde beschikking is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend voor de duur van zes maanden, met ingang van 5 maart 2025 en tot 5 september 2025. Het resterende deel van het verzoek is afgewezen.
2.5.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 11 juli 2025 bepaald dat de moeder en [minderjarige] drie keer per week gerechtigd zijn tot begeleid contact gedurende 1,5 uur per bezoek.
2.6.
Bij beschikking van 2 september 2025 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd, met ingang van 5 september 2025 en tot 5 maart 2026.
2.7.
[minderjarige] verblijft op basis van deze beschikking in een pleeggezin.
2.8.
Bij beschikking van 21 oktober 2025 heeft de kinderrechter voorlopig, uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gewijzigd en deze als volgt bepaald: de moeder is gerechtigd tot begeleid contact met [minderjarige] één keer per week gedurende 1,5 uur op een door de GI aan te wijzen neutrale plek. De beslissing is voor het overige aangehouden.
2.9.
Bij beschikking van 7 november 2025 heeft de kinderrechter, uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, zoals vastgesteld in de beschikking van 11 juli 2025, gewijzigd en deze als volgt bepaald: de moeder is gerechtigd tot begeleid contact met [minderjarige] één keer per week gedurende anderhalf uur, op een neutrale plek en begeleid door hulpverlening die daarvoor door de GI wordt aangewezen.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft haar verzoek. Verlenging van de beide maatregelen is nodig, omdat er geen leerbaarheid wordt gezien in het contact met [minderjarige] . Daarbij komt dat [minderjarige] nu in het pleeggezin stappen maakt en op de juiste manier wordt begeleid. Er is inmiddels geen contact meer tussen de moeder en [minderjarige] , maar ook de GI komt niet met de moeder in contact. De GI heeft geprobeerd om op huisbezoek te gaan en heeft daarnaast ook de advocaat van de moeder betrokken bij het leggen van contact, maar dat heeft niet tot verandering geleid. Ook met de vader komt het contact zeer beperkt tot stand. Hoewel hij onlangs zelf contact heeft gezocht met de GI en daarbij de wens heeft geuit dat [minderjarige] in het weekend bij hem komt logeren, wordt het niet concreter dan dat. Thuisplaatsing bij de vader is daarom ook uitgesloten. De moeder ontvangt begeleiding, maar ook daar verlangen zij contact met de moeder. Als de moeder vóór 1 maart a.s. geen contact heeft opgenomen met haar begeleiding, zal zij terug op de lijst worden geplaatst. De GI wil de komende periode gaan gebruiken om antwoord te krijgen op de vraag waar het perspectief van [minderjarige] ligt en de daarbij horende voorziening in het gezag.
4.2.
De pleegmoeder stemt in met het verzoek. De bij [minderjarige] betrokken kinderarts moet nog beoordelen of het [kinderteam] kan worden ingezet, normaal kan dat namelijk pas voor kinderen vanaf vijf jaar. Het contact met de moeder is minimaal. Ook is nog geen sprake van contactherstel tussen de moeder, bezoekbegeleider en de pleegmoeder. Zij reageert inmiddels ook niet meer op foto’s van [minderjarige] die haar worden toegezonden. [minderjarige] doet het heel goed in het pleeggezin. Ze is gegroeid.

5.De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht;
5.1.
De kinderrechter constateert dat de vader, de moeder en [minderjarige] de Filipijnse
nationaliteit hebben. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft,
waardoor de kinderrechter (ambtshalve) dient te beoordelen of haar in deze zaak
rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijk recht te bepalen.
5.2.
Op grond van artikel 7 lid 1 van Pro de verordening Brussel II-ter zijn ter zake
ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.
5.3.
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, komt de Nederlandse
kinderrechter rechtsmacht toe. Nu de Nederlandse kinderrechter bevoegd is om op het
verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
De inhoudelijke beoordeling;
5.1.
Gelet op de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gekomen is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2]
De kinderrechter legt hieronder uit waarom. De kinderrechter stelt vast dat de moeder onvoldoende in staat is om [minderjarige] een veilige, voorspelbare en stabiele opvoedsituatie te bieden. Er speelt nog steeds veel in het leven van de moeder en daarbij komt dat door het belaste verleden van de moeder sprake is van forse en complexe problematiek. De moeder kan heen en weer gaan in haar emoties, soms ook in het bijzijn van [minderjarige] . Vanwege die onvoorspelbaarheid is er begeleide omgang vastgelegd in het bijzijn van een beveiliger. Hoewel de moeder inmiddels éénmaal per twee weken een psycholoog bezoekt en zij opvoedondersteuning krijgt vanuit IPT, lijkt intensievere behandeling noodzakelijk te zijn om bestaande patronen te doorbreken en de opvoedingscapaciteiten van de moeder voldoende in balans te brengen met de ontwikkelingsbehoeften van [minderjarige] . IPT ziet dat moeder daarin nog onvoldoende leerbaar is. Het contact tussen de moeder en [minderjarige] liep de afgelopen periode onvoorspelbaar en wisselend, maar sinds deze op neutraal terrein plaatsvonden, werd bij de moeder gezien dat zij wat meer initiatief tot spel nam en heel liefdevol kon reageren op [minderjarige] . Sensitief en responsief reageren op [minderjarige] bleef wel lastig. Echter is er sinds januari jl. geen contact meer met de moeder en ook is er geen contact meer met de vader. [minderjarige] zet ondertussen stappen in het pleeggezin, maar loopt nog altijd achter in haar ontwikkeling. Ze begint inmiddels wat woordjes te spreken en is iets actiever in haar spel. Onduidelijk is nog of bij [minderjarige] sprake is van kindeigen problematiek of problematiek voortkomend uit hetgeen zij in de thuissituatie bij de moeder heeft meegemaakt.
5.2.
Gelet hierop is kinderrechter van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd en dat zij haar verblijf in het pleeggezin continueert. De kinderrechter verwacht van de GI dat zij haar inspanningen om ingang te vinden bij de moeder continueert en vervolgens, indien deze ingang is gevonden, probeert om de moeder te stimuleren om intensievere en meer gespecialiseerde individuele hulpverlening te accepteren. Hierdoor zal gedurende de aankomende periode ook meer duidelijkheid komen over haar rol en mogelijkheden ten aanzien van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . De kinderrechter verzoekt de GI tot slot om de ontwikkelingen rondom de problematiek van [minderjarige] te blijven monitoren en te bezien wat [minderjarige] nodig heeft om zich op een goede en veilige manier verder te kunnen ontwikkelen. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengen voor de duur van een jaar, te weten met ingang van 5 maart 2026 en tot 5 maart 2027.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.4.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 5 maart 2026 en tot 5 maart 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 5 maart 2026 en tot 5 maart 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van Casant als griffier, en op schrift gesteld op
3 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.