ECLI:NL:RBZWB:2026:2000

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
25/3893
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 WjsgArt. 36 WjsgArt. 7 Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevensArt. 245 SrArt. 247 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verklaring omtrent gedrag voor functie hbo verpleegkundige wegens beleidssepot seksueel misdrijf

Eiser heeft op 27 december 2024 een verklaring omtrent gedrag (VOG) aangevraagd voor een functie als hbo verpleegkundige in opleiding. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft deze aanvraag op 25 februari 2025 afgewezen op basis van een sepotcode 72, een beleidssepot wegens vervolging in strijd met het belang van de benadeelde, voor een zaak over seksueel binnendringen van het lichaam van een persoon beneden 16 jaar. Eiser maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard, waarna hij beroep instelde bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2026 behandeld en beoordeelt dat de staatssecretaris terecht het objectieve criterium toepaste, waarbij het risico voor de samenleving bij herhaling van het strafbare feit zwaarder weegt dan het belang van eiser bij het verkrijgen van de VOG. De rechtbank stelt vast dat het sepot een beleidssepot is en dat de staatssecretaris dit in de beoordeling mocht betrekken. De verwijzing van eiser naar een beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een vergoeding van proceskosten verandert hier niets aan.

Ten aanzien van het subjectieve criterium weegt de rechtbank mee dat het delict ernstige maatschappelijke gevolgen heeft en dat het contact met justitie recent is. Hoewel de afwijzing grote gevolgen heeft voor de beroepswens van eiser, mocht de staatssecretaris het algemeen belang zwaarder laten wegen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor de afwijzing van de VOG in stand blijft en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de VOG-aanvraag wegens beleidssepot voor een seksueel misdrijf met minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3893

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. P. Susijn),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing voor het afgeven van een verklaring omtrent gedrag (hierna: VOG) voor de functie hbo verpleegkundige in opleiding bij het [ziekenhuis] in [plaats]. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand hiervan beoordeelt de rechtbank of de staatssecretaris de VOG mocht afwijzen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de staatssecretaris de VOG mocht afwijzen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 27 december 2024 een VOG aangevraagd. De staatssecretaris heeft deze aanvraag op 25 februari 2025 afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 25 juli 2025 heeft de staatssecretaris het bezwaar ongegrond verklaard en de afwijzing in stand gelaten.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en namens de staatssecretaris mr. M.J.W. van den Kieboom.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten
3. De staatssecretaris heeft voor de beoordeling van de VOG-aanvraag het Justitieel Documentatie Systeem (hierna: JDS) geraadpleegd. In dit systeem worden alle misdrijven en een groot aantal overtredingen van natuurlijke personen en rechtspersonen geregistreerd. De staatssecretaris heeft rekening gehouden met de volgende informatie uit het JDS:
- Op 21 juni 2024 is een zaak tegen eiser wegens het seksueel binnendringen van het lichaam van een persoon beneden 16 jaar (artikel 245 van Pro het Wetboek van Strafrecht) geseponeerd op de grond “
vervolging in strijd met het belang van de benadeelde”.
3.1.
Bij brief van 28 januari 2025 heeft de staatssecretaris het voornemen kenbaar gemaakt om de VOG te weigeren. Eiser heeft op deze brief gereageerd met een zienswijze.
3.2.
Vervolgens heeft de staatssecretaris de besluiten genomen zoals in het procesverloop zijn benoemd.
Besluitvorming
4. De staatssecretaris heeft het bezwaar ongegrond verklaard en de afwijzing van de VOG in stand gelaten vanwege de informatie uit het JDS. Volgens de staatssecretaris is hiermee voldaan aan het objectieve criterium, omdat er een risico voor de samenleving bestaat als dit strafbare feit wordt herhaald. Ten aanzien van het subjectieve criterium heeft
de staatssecretaris een belangenafweging gemaakt en hierbij meer gewicht toegekend aan het beschermen van de maatschappij dan aan het belang van eiser om de VOG te krijgen. Het contact met justitie is te kort geleden en een seksueel misdrijf met een minderjarig slachtoffer heeft grote (maatschappelijke) gevolgen, aldus de staatssecretaris.
Toetsingskader
5. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1.
Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) wordt een VOG geweigerd als in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan. Op grond van artikel 36, eerste lid, van de Wjsg kan de staatssecretaris in het onderzoek naar de afgifte van de VOG kennisnemen van op de aanvrager betrekking hebbende justitiële gegevens alsmede van politiegegevens. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens zijn alle beslissingen van het openbaar ministerie met betrekking tot een misdrijf justitiële gegevens, met uitzondering van twee categorieën van beslissingen die hier niet aan de orde zijn.
5.2.
In hoofdstuk drie van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2025 (hierna: Beleidsregels) is de wijze van beoordeling van de aanvraag verder uitgewerkt. Wanneer op naam van de aanvrager justitiële gegevens staan, wordt de aanvraag beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium.
Is voldaan aan het objectieve criterium?
6. Eiser verwijst naar een beschikking van de meervoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: hof) van 29 december 2025. Deze beschikking gaat over een verzoek van eiser om vergoeding van de door hem gemaakte kosten in de op 21 juni 2024 geseponeerde strafzaak. Het hof stelt vast dat de sepotbeslissing enkel is gebaseerd op (het oude) artikel 245 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) en dat in deze fase van de strafzaak geen aandacht is besteed aan eventuele andere strafbare feiten, zoals bijvoorbeeld artikel 247 Sr Pro. Daarom oordeelt het hof dat als de geseponeerde zaak aan de rechter zou zijn voorgelegd, dat dit niet onmiskenbaar tot een veroordeling op grond van artikel 245 Sr Pro zou hebben geleid. Onder deze omstandigheden oordeelt het gerechtshof dat gronden van billijkheid niet in de weg staan aan het toekennen van een vergoeding.
6.1.
De rechtbank begrijpt dat eiser met de verwijzing naar de beschikking van het hof betoogt dat niet is voldaan aan het objectieve criterium omdat de zaak niet onmiskenbaar tot een veroordeling zou hebben geleid als deze was voorgelegd aan de rechter. Eiser ontkent in het verlengde hiervan dat hij schuldig is en stelt dat de verkeerde sepotcode is toegepast. De hoofdofficier heeft zijn eerdere verzoek om de sepotcode te wijzigen naar sepotcode 02 “
onvoldoende bewijs” afgewezen. Hierover heeft eiser een klacht ingediend bij de ombudsman. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat de ombudsman als bemiddelaar aan de hoofdofficier heeft gevraagd of deze klachtprocedure aanleiding zou geven om de sepotcode te wijzigen. De beslissing van de hoofdofficier is niet veranderd.
6.2.
De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris als uitgangspunt mocht nemen dat volgens het JDS op 21 juni 2024 een zaak tegen eiser wegens het seksueel binnendringen van het lichaam van een persoon beneden 16 jaar is geseponeerd op de grond van sepotcode 72 “
vervolging in strijd met belang van benadeelde”. Hiermee heeft de staatssecretaris voldoende gemotiveerd dat een risico voor de samenleving bestaat als dit strafbare feit wordt herhaald en dus dat is voldaan aan het objectieve criterium. Met het objectieve criterium wordt beoordeeld of de aangetroffen justitiële gegevens, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak, dan wel bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd. Bij het objectieve criterium wordt dus niet gekeken naar de persoon van de aanvrager. Bij de beoordeling van het objectieve criterium is ook niet relevant of het strafbare feit plaatsvond in de privésfeer. Evenmin is het relevant of sprake is van een reëel recidivegevaar. In paragraaf 3.1.3.1 van de Beleidsregels staat dat alle justitiële gegevens die binnen de gehanteerde terugkijktermijn worden aangetroffen, kunnen worden meegewogen bij de beoordeling van de VOG-aanvraag, behoudens justitiële gegevens met betrekking tot de strafbare feiten die zijn afgedaan met een onherroepelijke vrijspraak. Ook de inhoud van een dagvaarding, een kennisgeving van (niet) verdere vervolging, een eindezaakverklaring en beleidssepots kunnen een rol spelen bij de beoordeling van een aanvraag. Ten aanzien van sepots geldt dat alleen sepotbeslissingen die op beleidsmatige gronden zijn genomen (de zogenoemde beleidssepots) in de beoordeling van een VOG-aanvraag worden betrokken.
De rechtbank stelt vast dat uit het JDS blijkt dat tegen eiser een strafzaak is geseponeerd op grond van sepotcode 72 “
vervolging in strijd met belang van benadeelde”. Dit is een beleidssepot volgens de Aanwijzing sepot en gebruik sepotgronden. [1] De staatssecretaris heeft dit sepot dus in beginsel mogen betrekken bij de beoordeling van de VOG op grond van paragraaf 3.1.3.1 van de Beleidsregels. De omstandigheid dat eiser vindt dat de sepotcode moet worden gewijzigd naar een sepotgrond die niet in de beoordeling van een VOG-aanvraag mag worden betrokken, maakt dit niet anders. Niet ter discussie staat dat de hoofdofficier het verzoek om de sepotcode te wijzigen heeft afgewezen omdat hij vindt dat sprake is van voldoende bewijs. Op het moment van het nemen van het bestreden besluit stond dus vast dat de strafzaak is afgedaan met een beleidssepot. Uit de toelichting van de gemachtigde van eiser tijdens de zitting leidt de rechtbank af dat de bemiddeling van de ombudsman ook niet heeft geleid tot een wijziging van de sepotcode.
De verwijzing van eiser naar de beschikking van het hof maakt ook niet dat de staatssecretaris niet mocht uitgaan van de informatie uit het JDS. Uit artikel 35, derde lid, van de Wjsg volgt uitsluitend dat onherroepelijke vrijspraken niet mogen worden betrokken bij de beoordeling. De beschikking is allereerst geen onherroepelijke vrijspraak, maar een beslissing op het verzoek van eiser om door hem gemaakte kosten van rechtsbijstand voor zijn geseponeerde strafzaak te vergoeden. Het doel van die procedure is dus niet om eiser te veroordelen of vrij te spreken. Ten tweede volgt uit de tekst van de beschikking dat het hof slechts oordeelt dat als de strafzaak zou zijn voorgelegd, dit niet onmiskenbaar tot een veroordeling zou hebben geleid op grond van (het oude) artikel 245 Sr Pro.
Is voldaan aan het subjectieve criterium?
7. Eiser betoogt dat de afwijzing van de VOG grote gevolgen voor hem heeft. Tijdens de zitting heeft hij verteld dat hij altijd de droom heeft gehad om in de zorg te werken. Hij heeft veel positieve herinneringen aan zijn werk. Zonder een VOG kan hij niet verder in de zorg, omdat hij zijn opleiding dan niet kan voortzetten. Nu volgt hij noodgedwongen een ICT-opleiding. Voor eiser voelt de afwijzing van de VOG als een oordeel over hem als persoon.
7.1.
De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris in redelijkheid meer gewicht heeft mogen toekennen aan het algemeen belang, namelijk het beschermen van de maatschappij. De rechtbank stelt voorop dat afgifte van de VOG in beginsel wordt geweigerd als wordt voldaan aan het objectieve criterium. [2] Op grond van het subjectieve criterium kan worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium. Bij de beoordeling van het subjectieve criterium wordt in ieder geval gekeken naar de afdoening van de strafzaak (lichte of zware straf), het tijdsverloop en de hoeveelheid strafbare feiten.
Voor de rechtbank is invoelbaar dat de weigering van de VOG grote gevolgen heeft voor de droom van eiser om te werken in de zorg, maar de staatssecretaris mocht meer waarde hechten aan het risico voor de samenleving. De staatssecretaris heeft overwogen dat het zeer kortgeleden is dat eiser in aanraking is gekomen met justitie. Dat de zaak ‘licht’ is afgedaan - namelijk met een sepotbeslissing - heeft te maken met het belang van de benadeelde. Dit verandert niet dat een seksueel delict grote gevolgen heeft voor een slachtoffer, diens familie en de maatschappij. De omstandigheid dat sprake is van een lichte afdoening weegt dus niet op tegen de zwaarte van het delict en de gevolgen daarvan. De rechtbank weegt hierbij mee dat in het toegepaste screeningsprofiel - profiel 45 “
Gezondheidszorg en welzijn van mens en dier” - expliciet het risico van onder andere seksuele- en geweldsmisdrijven wordt genoemd door misbruik van de (tijdelijke) afhankelijkheid van mensen die zorg nodig hebben. Daarnaast merkt de rechtbank op dat de staatssecretaris met de weigering van de VOG geen oordeel geeft of eiser wel of niet schuldig is. Het weigeren van een VOG is een bestuursrechtelijk instrument dat een preventief doel dient. De staatssecretaris heeft tijdens de zitting ook beaamt dat alleen het risico voor de samenleving wordt beoordeeld (op basis van de strafrechtelijke gegevens waarvan zij kennis mag nemen op grond van de Wjsg en het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens).

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de VOG in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier op 13 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens
Artikel 1
In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. justitiële gegevens: bij algemene maatregel van bestuur te omschrijven persoonsgegevens of gegevens over een rechtspersoon inzake de toepassing van het strafrecht of de strafvordering, die in een gegevensbestand zijn of worden verwerkt;
[…]
gerechtelijke strafgegevens: persoonsgegevens of gegevens over een rechtspersoon die zijn verkregen in het kader van het behandelen en beslissen van zaken waarop het Nederlandse strafrecht van toepassing is en die in een gegevensbestand zijn of worden verwerkt;
Artikel 2
Onze Minister verwerkt in de justitiële documentatie justitiële gegevens ten behoeve van een goede strafrechtspleging.
Bij algemene maatregel van bestuur worden de gegevens aangewezen die als justitiële gegevens worden aangemerkt.
Artikel 28
Een verklaring omtrent het gedrag is een verklaring van Onze Minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.
Artikel 35
1. Onze Minister weigert de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, in de weg zal staan.
[…]
3. Onze Minister betrekt niet in zijn oordeel de justitiële gegevens met betrekking tot de strafbare feiten die zijn afgedaan met een onherroepelijke vrijspraak.
Artikel 36
1. Onze Minister kan bij zijn onderzoek met betrekking tot de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag van een natuurlijk persoon kennis nemen van op de aanvrager betrekking hebbende justitiële gegevens alsmede van politiegegevens als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet politiegegevens, met uitzondering van de gegevens waarover op grond van artikel 21, eerste lid, onderdeel e, geen mededeling kan worden gedaan aan de verzoeker, die gebruik maakt van zijn recht, als bedoeld in artikel 18.
Beleidsregels VOG-NP-RP 2025

Paragraaf 3.1.3. Het objectieve criterium

De afgifte van de VOG wordt in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd.
Het objectieve criterium bestaat uit de volgende elementen die hieronder nader worden uitgewerkt:
1. justitiële gegevens (strafbaar feit);
2. indien herhaald;
3. risico voor de samenleving en
4. een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid.

Paragraaf 3.1.3.1. Justitiële gegevens

Alle justitiële gegevens die binnen de gehanteerde terugkijktermijn worden aangetroffen, kunnen worden meegewogen bij de beoordeling van de VOG-aanvraag, behoudens justitiële gegevens met betrekking tot de strafbare feiten die zijn afgedaan met een onherroepelijke vrijspraak.
Ook de inhoud van een dagvaarding, een kennisgeving van (niet) verdere vervolging, een eindezaakverklaring en beleidssepots kunnen een rol spelen bij de beoordeling van een aanvraag. Ten aanzien van sepots geldt dat alleen sepotbeslissingen die op beleidsmatige gronden zijn genomen (de zogenoemde beleidssepots) in de beoordeling van een VOG-aanvraag worden betrokken. Sepotbeslissingen die zijn genomen omdat processuele omstandigheden een succesvolle vervolging in de weg staan (de zogenoemde technische sepots) worden niet in de beoordeling van een VOG-aanvraag betrokken.

Paragraaf 3.1.4. Het subjectieve criterium

Op grond van het subjectieve criterium kan worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium.
Voor de toepassing van het subjectieve criterium wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds aanvragen waarop het reguliere beoordelingskader van toepassing is (zie paragraaf 3.1.4.1.) en anderzijds aanvragen waarop het verscherpt toetsingskader van paragraaf 3.1.4.2. of paragraaf 3.1.4.3. van toepassing is (zie paragraven 3.1.4.2 en 3.1.4.3).

Voetnoten

1.https://www.om.nl/onderwerpen/b/beleidsregels/aanwijzingen/executie/aanwijzing-sepot-en-gebruik-sepotgronden-2022a004.
2.Paragraaf 3.1.3 van de Beleidsregels.