Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het verzet van opposante tegen een eerdere uitspraak waarin haar beroep niet-ontvankelijk werd verklaard omdat de ingebrekestelling tegen het UWV als prematuur werd beschouwd. Opposante had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV waarin haar arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld en haar WIA-uitkering werd beëindigd.
De rechtbank oordeelt dat het UWV de beslistermijn onrechtmatig heeft verlengd met een periode die niet was overeengekomen. De beslistermijn was slechts met drie weken verlengd, waardoor de ingebrekestelling van 19 mei 2025 niet prematuur was. Het verzet wordt daarom gegrond verklaard en de eerdere niet-ontvankelijkverklaring vervalt.
Vervolgens beoordeelt de rechtbank het beroep inhoudelijk en verklaart dit gegrond. Het UWV wordt opgedragen binnen vier maanden alsnog een besluit te nemen op het bezwaar. Voor elke dag dat het UWV deze termijn overschrijdt, wordt een dwangsom van € 100,- opgelegd, met een maximum van € 15.000,-.
Daarnaast moet het UWV het griffierecht en proceskosten van opposante vergoeden, vastgesteld op € 53,- respectievelijk € 934,-. De uitspraak is openbaar en tegen het verzet is geen rechtsmiddel mogelijk, tegen het beroep kan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.