3.2.Het college heeft de aanvraag vervolgens in afwijking van dit advies afgewezen en is overgegaan tot het nemen van de bestreden besluitvorming.
Standpunt van het college
4. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen maatwerkvoorziening verstrekt dient te worden, omdat eiseres door haar echtgenoot wordt geholpen en vervoerd. Dit is gebruikelijke hulp die naar algemeen aanvaarde opvatting in redelijkheid verwacht mag worden van een echtgenoot. Van echtgenoten mag meer hulp worden verwacht dan bijvoorbeeld van kinderen of andere huisgenoten. De echtgenoot kan ook zelf de boodschappen gaan doen of de boodschappen thuis laten bezorgen. Ook kan de echtgenoot eiseres brengen naar medische afspraken en haar moeder voor de mantelzorg. Daarnaast is dagelijks boodschappen doen of naar haar moeder gaan een keuze van eiseres en geen verplichting. Eiseres kan ook gebruik maken van de taxiservice of collectief vervoer. Verder is van belang dat de echtgenoot geen dienstverband heeft en dat er geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat hij overbelast is geraakt. Eiseres is niet afhankelijk van een begeleider om zich te verplaatsen. Zij kan zelfstandig en zelfredzaam zijn als ze met de taxi gaat, waarbij ze de rollator mee kan nemen. Voor een overbelasting van de echtgenoot op de gebieden huishouden en persoonlijke verzorging, kan een indicatie op grond van de Wmo of de Zorgverzekeringswet gevraagd worden. Het college heeft verder benadrukt dat niet het advies van de ergotherapeut, maar de beoordeling conform het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) leidend is voor de vraag of een maatvoorziening noodzakelijk is. Daarbij heeft de stichting Hulst voor Elkaar slechts een adviserende rol en is het aan college om uiteindelijk te beslissen. Eiseres is hier ook op gewezen in de e-mail van 12 juli 2024. Er is daarom volgens het college geen sprake van een schending van het vertrouwensbeginsel.
5. Volgens eiseres heeft het college de aanvraag ten onrechte afgewezen. Van de echtgenoot van eiseres kan niet gevraagd worden dat hij haar overal naar toe brengt. Het brengen naar medische afspraken, sociale contacten, bezoeken aan de moeder voor mantelzorg valt niet onder gebruikelijke hulp. De intensiviteit en duur van de benodigde hulp overstijgt de normale gang van zaken. Bovendien kan hij eiseres enkel meenemen in de auto. Vanwege haar beperkte loopbereik kan zij de auto vervolgens niet uit. Zij kan in dat geval dus nog steeds niet zelf boodschappen doen of ergens zelfstandig heen gaan. Daarnaast ondersteunt de echtgenoot eiseres op het gebied van zelfzorg, het huishouden, koken, het doen van de boodschappen. De echtgenoot is inmiddels zelf overbelast geraakt door alle taken die op hem rusten en heeft ook gezondheidsproblemen. Vanwege de overbelasting en gezondheidsproblemen heeft hij zelf ook medische afspraken en moet hij veel tijd besteden aan het weer op peil brengen en houden van zijn eigen gezondheid. Verder stelt eiseres dat het vertrouwensbeginsel geschonden is. Vanaf het moment dat een andere collega de behandeling van de aanvraag, werd toegewerkt naar een afwijzing. De scootmobiel was echter al toegezegd en eiseres heeft de opdracht gekregen om offertes op te vragen. Gelet op de uitlatingen en gedragingen van namens het door het college ingeschakelde personeel mocht eiseres erop vertrouwen dat de scootmobiel toegekend zou worden.
6. Uit vaste rechtspraak van de CRvB, artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo blijkt dat het college voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over maatschappelijke ondersteuning van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. Dit brengt met zich dat wanneer bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag is (stap 1). Vervolgens zal het college moeten vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving (stap 2). Eerst wanneer die problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsvrager, onderscheidenlijk het zich kunnen handhaven in de samenleving (stap 3). Uit artikel 2.3.2, vierde lid, aanhef en onder b, c en f, van de Wmo in samenhang met het derde en vierde lid van artikel 2.3.5 vloeit voort dat het onderzoek er vervolgens op gericht moet zijn of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden (stap 4). Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet kunnen ontbreken.