ECLI:NL:RBZWB:2026:2

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 januari 2026
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
25/1634
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning van een vervoersvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning na afwijzing door het college

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, gedateerd 5 januari 2026, wordt de afwijzing van een aanvraag voor een vervoersvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hulst beoordeeld. Eiseres, een 62-jarige vrouw met een neurologische en psychische aandoening, had een aanvraag ingediend voor een scootmobiel, die door het college ten onrechte was afgewezen. De rechtbank oordeelt dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de beperkingen van eiseres en de noodzaak van een maatwerkvoorziening. De rechtbank vernietigt het besluit van het college en kent eiseres een persoonsgebonden budget toe voor de aanschaf van de scootmobiel, ter hoogte van € 9.668,83. Tevens wordt het college veroordeeld tot betaling van het griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/1634 WMO

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. K. Wevers),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hulst, het college.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een vervoersvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor de vergoeding van een scootmobiel. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 29 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 12 februari 2025 (verzonden op 14 februari 2025) op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. Namens het college heeft mr. M.R. Wildeboer deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Relevante feiten en omstandigheden
3. Eiseres is een 62-jarige vrouw, bekend met een neurologische en psychische aandoening. Hierdoor is zij beperkt ten aanzien van mobiliteit en lichaamsvaardigheden. Zo kan zij slechts een beperkte loopafstand met de rollator afleggen en is zij aangewezen op een chauffeur om haar te vervoeren. In dat kader heeft eiser eerder op advies van Stichting SAP een indicatie verkregen voor gehandicaptenparkeerkaart als passagier.
3.1.
Op 11 juni 2024 dient eiseres een aanvraag in voor een persoonsgebonden budget (pgb) voor de aanschaf, het onderhoud en de verzekering van een scootmobiel. De consulent van Stichting Hulst voor Elkaar heeft vervolgens een adviesrapportrapportage uitgebracht. Vanwege de problemen van eiseres bij het verplaatsen in haar directe woonomgeving heeft de consulent het college geadviseerd om een vervoersvoorziening toe te kennen in de vorm van een pgb voor de aanschaf, het onderhoud en de verzekering van een 5-wiel scootmobiel.
3.2.
Het college heeft de aanvraag vervolgens in afwijking van dit advies afgewezen en is overgegaan tot het nemen van de bestreden besluitvorming.
Standpunt van het college
4. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen maatwerkvoorziening verstrekt dient te worden, omdat eiseres door haar echtgenoot wordt geholpen en vervoerd. Dit is gebruikelijke hulp die naar algemeen aanvaarde opvatting in redelijkheid verwacht mag worden van een echtgenoot. Van echtgenoten mag meer hulp worden verwacht dan bijvoorbeeld van kinderen of andere huisgenoten. De echtgenoot kan ook zelf de boodschappen gaan doen of de boodschappen thuis laten bezorgen. Ook kan de echtgenoot eiseres brengen naar medische afspraken en haar moeder voor de mantelzorg. Daarnaast is dagelijks boodschappen doen of naar haar moeder gaan een keuze van eiseres en geen verplichting. Eiseres kan ook gebruik maken van de taxiservice of collectief vervoer. Verder is van belang dat de echtgenoot geen dienstverband heeft en dat er geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat hij overbelast is geraakt. Eiseres is niet afhankelijk van een begeleider om zich te verplaatsen. Zij kan zelfstandig en zelfredzaam zijn als ze met de taxi gaat, waarbij ze de rollator mee kan nemen. Voor een overbelasting van de echtgenoot op de gebieden huishouden en persoonlijke verzorging, kan een indicatie op grond van de Wmo of de Zorgverzekeringswet gevraagd worden. Het college heeft verder benadrukt dat niet het advies van de ergotherapeut, maar de beoordeling conform het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) leidend is voor de vraag of een maatvoorziening noodzakelijk is. Daarbij heeft de stichting Hulst voor Elkaar slechts een adviserende rol en is het aan college om uiteindelijk te beslissen. Eiseres is hier ook op gewezen in de e-mail van 12 juli 2024. Er is daarom volgens het college geen sprake van een schending van het vertrouwensbeginsel.
Beroepsgronden
5. Volgens eiseres heeft het college de aanvraag ten onrechte afgewezen. Van de echtgenoot van eiseres kan niet gevraagd worden dat hij haar overal naar toe brengt. Het brengen naar medische afspraken, sociale contacten, bezoeken aan de moeder voor mantelzorg valt niet onder gebruikelijke hulp. De intensiviteit en duur van de benodigde hulp overstijgt de normale gang van zaken. Bovendien kan hij eiseres enkel meenemen in de auto. Vanwege haar beperkte loopbereik kan zij de auto vervolgens niet uit. Zij kan in dat geval dus nog steeds niet zelf boodschappen doen of ergens zelfstandig heen gaan. Daarnaast ondersteunt de echtgenoot eiseres op het gebied van zelfzorg, het huishouden, koken, het doen van de boodschappen. De echtgenoot is inmiddels zelf overbelast geraakt door alle taken die op hem rusten en heeft ook gezondheidsproblemen. Vanwege de overbelasting en gezondheidsproblemen heeft hij zelf ook medische afspraken en moet hij veel tijd besteden aan het weer op peil brengen en houden van zijn eigen gezondheid. Verder stelt eiseres dat het vertrouwensbeginsel geschonden is. Vanaf het moment dat een andere collega de behandeling van de aanvraag, werd toegewerkt naar een afwijzing. De scootmobiel was echter al toegezegd en eiseres heeft de opdracht gekregen om offertes op te vragen. Gelet op de uitlatingen en gedragingen van namens het door het college ingeschakelde personeel mocht eiseres erop vertrouwen dat de scootmobiel toegekend zou worden.
Toetsingskader
6. Uit vaste rechtspraak van de CRvB, artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo blijkt dat het college voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over maatschappelijke ondersteuning van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. Dit brengt met zich dat wanneer bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag is (stap 1). Vervolgens zal het college moeten vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving (stap 2). Eerst wanneer die problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsvrager, onderscheidenlijk het zich kunnen handhaven in de samenleving (stap 3). Uit artikel 2.3.2, vierde lid, aanhef en onder b, c en f, van de Wmo in samenhang met het derde en vierde lid van artikel 2.3.5 vloeit voort dat het onderzoek er vervolgens op gericht moet zijn of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden (stap 4). Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet kunnen ontbreken. [1]
6.1.
De wet- en regelgeving die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Waar gaat deze zaak (niet) over?
7. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres zodanige klachten en beperkingen heeft, waardoor zij een hulpvraag heeft op het gebied van mobiliteit. Partijen verschillen met name van mening over de vraag of er sprake is van een voorliggende voorziening in de vorm van gebruikelijke hulp van de echtgenoot van eiseres. Het geschil spitst zich daarom toe op stap 4 van het eerdergenoemde stappenplan.
Vervoersbehoefte – gebruikelijke hulp
8. Het college moet voor maatschappelijke ondersteuning zorgen. Dit is het ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen. Bij een vervoersvoorziening draait het meestal om het vergroten van de participatie van een cliënt. Participatie is het deelnemen aan het maatschappelijke verkeer (artikel 1.1.1 Wmo 2015). Uit de memorie van toelichting bij dit artikel blijkt dat dit wil zeggen dat iemand, ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate:
  • mensen kan ontmoeten
  • contacten kan onderhouden
  • boodschappen kan doen en
  • aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen.
Daarvoor is het ook een vereiste dat iemand zich kan verplaatsen. [2]
8.1.
Uit de adviesrapportage van Stichting Hulst voor Elkaar blijkt dat eiseres na het doormaken van een hersenbloeding beperkt is geraakt op het gebied van mobiliteit. Eiseres gebruikt zowel binnen- als buitenshuis een rollator en heeft een maximaal loopbereik van 10 meter. De eerder ingeschakelde arts van Stichting SAP spreekt over een maximaal loopbereik van 100 meter met rollator. Om zich te kunnen verplaatsen in de directe woonomgeving en de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van eiseres te vergroten, is door de consulent van Stichting Hulst voor Elkaar geadviseerd om een vervoersvoorziening in de vorm van een 5-wiel scootmobiel toe te kennen.
8.2.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de gebruikelijke hulp van de echtgenoot de nodige hulp en ondersteuning kan bieden ten aanzien van de vervoersbehoefte van eiseres, waardoor er geen voorziening noodzakelijk is.
8.3.
De rechtbank overweegt dat uit de wetsgeschiedenis van de Wmo volgt dat de wetgever het wenselijk heeft geacht dat gemeenten op het punt van de gebruikelijke hulp beleid ontwikkelen. [3] Ter zitting is namens het college toegelicht dat er (nog) geen beleid is geformuleerd ten aanzien van de gebruikelijke hulp. Het college heeft in de Verordening maatschappelijke ondersteuning Hulst 2017 aangesloten bij de wettelijke definitie van gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten.
8.4.
De rechtbank is allereerst van oordeel dat gelet op de beperkingen van eiseres het halen en brengen door de echtgenoot naar diverse locaties buitenshuis niet als oplossing gezien kan worden voor de mobiliteitsproblemen van eiseres. Gelet op haar beperkte loopbereik kan zij na het brengen door de echtgenoot bijvoorbeeld niet zelfstandig de winkel in om boodschappen te doen. Het gaat niet alleen om het ter plaatse komen, maar juist ook om zich daar – of in de directe woonomgeving –te kunnen verplaatsen. Het door het college genoemde collectief vervoersysteem (taxivervoer of flexbus) neemt de mobiliteitsproblemen van eiseres evenmin weg. Met het alleen voorzien van een vervoersoplossing wordt onvoldoende tegemoetgekomen aan de hulpvraag van eiseres, zodat dit niet als voorliggende voorziening kan worden aangemerkt. De mogelijkheden zoals bedoeld in stap 4 zijn dus ontoereikend en dan dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen.
8.5.
Het college heeft de aanvraag daarom ten onrechte afgewezen. Gelet hierop komt de rechtbank niet meer toe aan een beoordeling van de belastbaarheid van de echtgenoot van eiseres of het gedane beroep op het vertrouwensbeginsel.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat het college aan eiseres een vervoersvoorziening verstrekt in de vorm van een pgb voor de aanschaf, het onderhoud en de verzekering van de scootmobiel. Voor de hoogte van het pgb wordt aangesloten bij de adviesrapportage van Stichting Hulst voor Elkaar. Er wordt een bedrag van € 9.668,83 (inclusief BTW) aan eiseres toegekend.
9.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 12 februari 2025;
- herroept het besluit van 29 augustus 2024;
- bepaalt dat aan eiseres een vervoersvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt toegekend ter hoogte van € 9.668,83 voor de scootmobiel;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde bestreden besluit;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van J. Boer-IJzelenberg, griffier, op 5 januari 2026 en geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
Artikel 2.3.2, vierde lid
Het college onderzoekt:
a. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt;
b. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid
of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
c. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;
e. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
f. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;
g
.welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a, verschuldigd zal zijn.
Artikel 2.3.5, derde en vierde lid
3. Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.
4. Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
Verordening maatschappelijke ondersteuning Hulst 2017
Artikel 1
(..) ’Gebruikelijke hulp’ is niet in de verordening, maar in de wet gedefinieerd en is bijvoorbeeld de hulp van een partner van de cliënt. Zie ook de wettelijke definitie hieronder.
(..)
Gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten;

Voetnoten

1.Zie de uitspraken van de CRvB van 1 mei 2017, ECLI:CRVB:2017:1477 en 21 maart 2018, ECLI:CRVB:2018:819.
2.Zie Kamerstuk 33841, nummer 3, pagina 123.
3.Zie Kamerstuk 33841, nummer 3, pagina 28-29, Kamerstuk 33841, nummer 34, pagina 140 en bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 10 oktober 2018, ECLI:NL:2018:3243, r.o. 4.7.