ECLI:NL:RBZWB:2026:1999

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
24/5777
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 5:4 AwbArt. 5:32 AwbArt. 125 GemeentewetArt. 4.23 Iw Ow
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen last onder dwangsom voor recreatieve verhuur in strijd met bestemmingsplan

Eiseres verhuurt sinds 2021 haar woning via een tussenpersoon als recreatiewoning, wat volgens het college in strijd is met het bestemmingsplan 'Nieuw-Haamstede' uit 2016. Het college legde daarom op 6 september 2023 een last onder dwangsom op, die na bezwaar op 8 mei 2024 werd gehandhaafd. Eiseres betwistte dit en voerde onder meer aan dat de verhuur binnen de woonbestemming valt, dat sprake is van bestaand gebruik en dat handhaving onevenredig is.

De rechtbank oordeelt dat de verhuur als recreatiewoning niet valt onder de woonbestemming omdat het gebruik door wisselende huishoudens plaatsvindt en niet duurzaam is. De functieaanduiding 'recreatiewoning' in het bestemmingsplan maakt dit onderscheid expliciet. De verhuur vanaf 2021 via een tussenpersoon is commercieel en valt niet onder het overgangsrecht omdat het na de inwerkingtreding van het bestemmingsplan is begonnen.

De verklaringen van huurders uit de periode 2013-2020 zijn onvoldoende om bestaand gebruik aan te tonen, mede omdat eiseres geen toeristenbelasting betaalde, wat als objectieve maatstaf geldt. Het college heeft het handhavend optreden zorgvuldig gemotiveerd en de belangen van eiseres afgewogen. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die handhaving onredelijk maken.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond, blijft de last onder dwangsom in stand en krijgt eiseres geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom wegens recreatieve verhuur in strijd met het bestemmingsplan wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/5777

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. N.J.M. Beelaerts van Blokland),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland, het college.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over beslissing op bezwaar van 8 mei 2024 (bestreden besluit) waarin het college het bezwaar van eiseres ongegrond heeft verklaard. Het bezwaar was gericht tegen de last onder dwangsom van 6 september 2023 die was opgelegd omdat eiseres haar woning verhuurt als recreatiewoning in strijd met het bestemmingsplan. Eiseres is het hiermee niet eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college in redelijkheid een last onder dwangsom heeft kunnen opleggen aan eiseres. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het college heeft op 6 september 2023 een last onder dwangsom opgelegd aan eiseres. Met het bestreden besluit van 8 mei 2024 heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard, de motivering aangevuld en de last onder dwangsom in stand gelaten.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en namens het college [persoon 1] en [persoon 2] .
2.3.
De rechtbank heeft het onderzoek tijdens de zitting geschorst om het college in de gelegenheid te stellen om de voormalige bestemmingsplannen in te dienen en om eiseres in de gelegenheid te stellen om hierop te reageren. Na ontvangst van de voormalige bestemmingsplannen en de reactie van eiseres, heeft de rechtbank beide partijen gevraagd of zij een tweede zitting willen. Omdat hierop geen reacties zijn binnengekomen binnen de daarvoor gegeven termijn, heeft de rechtbank het onderzoek hierna gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten
3. Eiseres is sinds 2007 eigenaar van de woning aan de [adres 1] (de woning). Zij gebruikt deze woning als vakantiewoning en woont zelf in [plaats] . Niemand staat op het adres ingeschreven. Eiseres is in de coronaperiode (2021) begonnen met het via een tussenpersoon verhuren van de woning als recreatiewoning.
3.1.
Op 13 juli 2021 en opnieuw op 13 juli 2023 heeft het college het voornemen kenbaar gemaakt om een last onder dwangsom op te leggen vanwege het verhuren van de woning als recreatiewoning en/of het als zodanig aanbieden ervan. Het college heeft eiseres hierbij in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen.
3.2.
Met het besluit van 6 september 2023 heeft het college een last onder dwangsom opgelegd voor het verhuren van de recreatiewoning en het aanbieden ervan. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Het bestreden besluit
4. Het college heeft het bezwaar ongegrond verklaard en de last onder dwangsom in stand gelaten omdat recreatieve verhuur niet valt onder de bestemming wonen. Hierdoor is sprake van gebruik in strijd met het bestemmingsplan en is artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) overtreden. De woning van eiseres komt niet in aanmerking voor een omgevingsvergunning om recreatieve verhuur toe te staan. Het strijdige gebruik valt ook niet onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan.
Toetsingskader
5. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1.
Het bestreden besluit is tot stand gekomen op grond van de Wabo. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet (Ow) en de Invoeringswet Omgevingswet (Iw Ow) in werking getreden. Artikel 4.23 van de Iw Ow bepaalt dat oud recht op bestuurlijke sanctiebesluiten van toepassing blijft als voor 1 januari 2024 een overtreding is begonnen én het bestuurlijk sanctiebesluit is opgelegd, totdat de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald of totdat de last is opgeheven. De last onder dwangsom is van 6 september 2023. Dit betekent dat de Wabo van toepassing is.
5.2.
Op grond van art. 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wabo is het verboden om zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken in strijd met het bestemmingsplan. Op deze locatie geldt het bestemmingsplan ‘Nieuw-Haamstede’ uit 2016 (Bestemmingsplan). Voor zover relevant voor deze zaak is het perceel van de woning aangewezen voor de bestemming ‘Wonen’. [1]
5.3.
Op grond van artikel 19.2, onder a, van het Bestemmingsplan mag het gebruik dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet. Het is gelet op artikel 19.2, onder b, van het Bestemmingsplan, verboden om dit gebruik te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
Indien dit gebruik voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, dan is het op grond van artikel 19.2, onder c, van het Bestemmingsplan verboden om dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. Op grond van artikel 19.2, onder d, van het Bestemmingsplan is artikel 19.2, onder a, van het Bestemmingsplan niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
5.4.
Op grond van artikel 125 van Pro de Gemeentewet is het college bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang, indien de last strekt tot handhaving van regels die het gemeentebestuur uitvoert. Op grond van de artikelen 5:4 en 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht is het college ook bevoegd een last onder dwangsom op te leggen.
Is verhuur als recreatiewoning in strijd met het Bestemmingsplan?
6. Volgens eiseres is verhuur van de woning als recreatiewoning niet in strijd met het Bestemmingsplan en is er dus geen sprake van een overtreding. Zij betwist daarmee dat het college bevoegd is om handhavend op te treden.
In de eerste plaats valt verhuur van de woning als recreatiewoning binnen de definitie van ‘Wonen’ van het Bestemmingsplan. Deze vorm van verhuur en het eigen gebruik als tweede woning hebben een vergelijkbaar duurzaam karakter. Bovendien wordt gebruik als tweede woning in de gemeente Schouwen-Duiveland aangemerkt als ‘recreatief gebruik’ op grond van de Huisvestingsverordening gemeente Schouwen-Duiveland 2023-2027 (Huisvestingsverordening). Gelet op de Huisvestingsverordening concludeert eiseres daarom dat een tweede woning recreatief mag worden gebruikt en mag worden verhuurd als recreatiewoning. Ten tweede wordt de woning slechts voor drie maanden per jaar verhuurd als recreatiewoning. Voor de rest van het jaar wordt de woning gebruikt als tweede woning en dat is toegestaan volgens het Bestemmingsplan zodat het hoofdgebruik daarmee in overeenstemming is. Eiseres verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 23 oktober 2019 waaruit volgt dat incidentele of ondergeschikte verhuur niet in strijd is met de woonbestemming. [2] Tot slot vindt eiseres een algeheel verbod van recreatieve verhuur in strijd met de dienstenrichtlijn en blijkt uit het airBnB-beleid van grote gemeentes dat recreatieve verhuur verenigbaar is met de woonfunctie.
7. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat het college op goede gronden heeft kunnen stellen dat de verhuur van de woning als recreatiewoning in strijd is met het Bestemmingsplan en dus dat sprake is van een overtreding. Niet in geschil is dat eiseres de woning vanaf 2021 heeft verhuurd als recreatiewoning en aanbood via een tussenpersoon. Zoals de rechtbank onder overweging 5.2 heeft vastgesteld, geldt op het perceel de bestemming ‘Wonen’. De gronden met deze bestemming zijn aangewezen voor ‘wonen in een woning’. [3] In het bestemmingsplan is ‘woning’ gedefinieerd als ‘een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden’. [4] Het Bestemmingsplan kent ook de functieaanduiding ‘recreatiewoning’. Op de percelen met deze functieaanduiding is expliciet toegestaan: ‘recreatieve verhuur van een woning aan personen die hun hoofdverblijf elders hebben’. [5] In het Bestemmingsplan is ‘recreatiewoning’ gedefinieerd als ‘een gebouw, geen woonkeet en geen (sta)caravan of andere constructie op wielen zijnde, dat bestemd is voor recreatief nachtverblijf en waarbij de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben’. [6] Het is niet in geschil dat het perceel van eiseres geen functieaanduiding heeft voor ‘recreatiewoning’. Dat betekent dat recreatieve verhuur niet expliciet is toegestaan.
De rechtbank volgt de stelling van eiseres dat het verhuren van de woning als recreatiewoning voor drie maanden per jaar valt onder het begrip ‘wonen’, niet. De woning staat door de verhuur namelijk ten dienste aan steeds wisselende huishoudens of zelfs groepen die geen huishouden zijn. Hoewel in het Bestemmingsplan niet is gedefinieerd wat onder een huishouden wordt verstaan, duidt dat begrip op continuïteit en onderlinge verbondenheid en wordt een huishouden dus gekenmerkt door een duurzaam samenleven. Eiser handelt met de recreatieve verhuur van de woning daarom in strijd met artikel 10.1 van het Bestemmingsplan. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat de ruimtelijke uitstraling van een woning die meermaals aan wisselende personen verhuurd wordt, anders is dan die van een woning waar steeds hetzelfde huishouden verblijft. Het bestaan van de functieaanduiding ‘recreatiewoning’ is daarbij een (extra) aanwijzing dat de gemeenteraad expliciet heeft bedoeld om een recreatiewoning (en dus recreatieve verhuur) te onderscheiden van het normale wonen in een woning. De stelling dat de verhuur alleen plaatsvindt voor drie maanden per jaar, maakt dit niet anders. De omstandigheid dat in de overige maanden geen sprake zou zijn van strijdig gebruik, verandert immers niet dat het gebruik (in ieder geval) voor drie maanden per jaar in strijd is met het Bestemmingsplan. De rechtbank volgt de verwijzing van eiseres naar de uitspraak van de ABRvS van 23 oktober 2019 ook niet. Deze uitspraak ziet op een andere gemeente waar een zogenaamd ‘airBnB-beleid’ gold en waar de ABRvS oordeelde dat de recreatieve verhuur in strijd was met het bestemmingsplan (en het beleid).
De verwijzing naar de Huisvestingsverordening is in dit geval verder niet relevant voor de beoordeling of sprake is van een overtreding. Het college heeft immers een last onder dwangsom opgelegd voor gebruik in strijd met het Bestemmingsplan. De last is niet opgelegd wegens (eventuele) strijd met de Huisvestingsverordening die namelijk ziet op het al dan niet onttrekken van woningen aan de woonruimtevoorraad.
Omdat sprake is van een overtreding, is het college in beginsel bevoegd om handhavend op te treden.
Is sprake van bestaande verhuur als recreatiewoning?
8. Eiseres stelt dat zij gestart was met verhuur van haar woning als recreatiewoning op een moment toen dat nog was toegestaan. Volgens eiseres betekent dat dat de verhuur van de woning als recreatiewoning valt onder bestaande recreatieve verhuur in de zin van artikel 19.2 van het Bestemmingplan. De verhuur als recreatiewoning mag daarom worden voortgezet.
Eiseres heeft tijdens de zitting toegelicht dat zij de woning verhuurt als recreatiewoning aan vrienden sinds zij eigenaar is geworden. Als tegenprestatie vroeg zij (meestal) om een vergoeding van gas, water en licht of soms een fles wijn. Vanaf de coronaperiode 2021 is eiseres de woning als recreatiewoning via een tussenpersoon gaan verhuren, met als tegenprestatie een huurprijs. Als bewijs van de verhuur van haar woning als recreatiewoning verwijst eiseres naar ondertekende verklaringen van huurders vanaf 2013. Ook doet eiseres beroep op het feit dat zij forensenbelasting betaalt voor de woning
.
Hieruit volgt dat zij haar woning in ieder geval vóór 2016 als recreatiewoning verhuurde, dus voor de inwerkingtreding van het huidige Bestemmingsplan. In de Bestemmingsplannen die hiervoor golden, was verhuur als recreatiewoning toegestaan. In het bestemmingsplan ‘Zeebad Nieuw-Haamstede’ uit 1971 (Bestemmingsplan 1971) en het bestemmingsplan ‘Bebouwde kom Nieuw-Haamstede’ uit 2005 (Bestemmingsplan 2005), bestond namelijk nog geen onderscheid tussen recreatiewoningen en ‘reguliere’ woningen. De functieaanduiding ‘recreatiewoning’ bestond niet. Dit onderscheid is pas geïntroduceerd in het huidige Bestemmingsplan van 2016. De stelling van het college dat recreatieve verhuur verboden zou zijn vanaf 1971 klopt dus niet. Omdat de verhuur als recreatiewoning was begonnen toen dat sowieso nog was toegestaan en omdat eiseres heeft bewezen dat de verhuur als recreatiewoning onafgebroken heeft plaatsgevonden, concludeert zij dat het overgangsrecht van artikel 19.2, onder a, van het Bestemmingsplan van toepassing is.
In het verlengde van het beroep op het overgangsrecht verwijst eiseres naar een antwoordnotitie op het voorontwerpbestemmingsplan ten behoeve van de totstandkoming van het huidige Bestemmingsplan. Uit deze notitie volgt dat het bevoegd gezag in 2014 onderzoek heeft gedaan naar de omvang van recreatieve verhuur door een overzicht te (laten) maken van de woningen waarvoor in 2014 toeristenbelasting werd afgedragen. Deze woningen hebben uiteindelijk in het Bestemmingsplan de functieaanduiding ‘recreatiewoning’ gekregen. Hoewel eiseres geen toeristenbelasting betaalde in 2014, heeft zij (ook bewezen) dat recreatieve verhuur in deze periode plaatsvindt met de verklaringen van huurders en gelet op de omstandigheid dat zij forensenbelasting betaalt.
Eiseres verwijst ten slotte naar de omgevingsvergunning voor het pand [adres 2] waarmee het college recreatieve verhuur voor dit pand heeft gelegaliseerd. De woning van eiseres moet hier ook in aanmerking voor komen.
9. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid het standpunt heeft ingenomen dat geen sprake is van bestaande recreatieve verhuur. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de woning voor de inwerkingtreding van het huidige Bestemmingsplan als recreatiewoning werd verhuurd. Daarom kan het beroep op het overgangsrecht niet slagen. Zoals de rechtbank onder overweging 5.3 heeft vastgesteld, mag een met het Bestemmingsplan strijdig gebruik worden voortgezet als dat strijdig gebruik bestond op het tijdstip van de inwerkingtreding van het Bestemmingsplan, als het strijdig gebruik niet langer dan één jaar is onderbroken en als het gebruik niet in strijd was met het voorgaande bestemmingsplan. [7]
9.1.
De rechtbank maakt aan de hand van de toelichting van eiseres tijdens de zitting en de stukken onderscheid tussen twee perioden van verhuur van de woning. Dit zijn de periode van 2013-2020 (verhuur aan vrienden en familie) en de periode vanaf 2021 (verhuur via een tussenpersoon). De rechtbank stelt vast dat tussen partijen geen discussie is over dat eiseres de woning vanaf 2021 is gaan verhuren als recreatiewoning via een tussenpersoon. Het college heeft de verklaringen van eiseres over de verhuur aan vrienden en familie verder niet betwist. De rechtbank stelt daarom ook vast dat niet in geschil is dat de vriendschappelijke verhuur heeft plaatsgevonden in de periode 2013-2020. Partijen verschillen echter wel van mening of eiseres met deze verklaringen over de vriendschappelijke verhuur heeft bewezen dat sprake was van verhuur als recreatiewoning vanaf 2013.
9.2.
De rechtbank stelt vast dat met de verandering van de wijze van verhuur in 2021, het gebruik naar aard en omvang groter is geworden. Door de (commerciële) verhuur via een tussenpersoon is immers sprake van een vergroting van de potentiële kring van huurders. Bovendien is een (mogelijk) winstoogmerk geïntroduceerd en eiseres heeft tijdens de zitting verklaard dat de verhuur frequenter is geworden. Dit betekent dat de verhuur die is gestart in 2021 niet kan vallen onder het overgangsrecht omdat dit is aangevangen na de inwerkingtreding van het huidige Bestemmingsplan in 2016.
9.3.
Met de verklaringen van de huurders is eiseres er verder niet in geslaagd om te bewijzen dat zij de woning verhuurde als recreatiewoning vanaf 2013.
Het college heeft tijdens de zitting bevestigd dat de gemeente tijdens de totstandkoming van het huidige Bestemmingsplan onderzoek heeft gedaan naar de woningen waarvoor toeristenbelasting werd afgedragen. De rechtbank begrijpt uit deze toelichting dat deze woningen uiteindelijk de functieaanduiding ‘recreatiewoning’ hebben gekregen in het huidige Bestemmingsplan. Het afdragen van toeristenbelasting gold bij de totstandkoming van het huidige Bestemmingsplan dus als maatstaf om te bewijzen dat sprake was van recreatieve verhuur. Tijdens de zitting heeft het college het standpunt ingenomen niet bekend te zijn met een andere wijze waarop recreatieve verhuur kon worden aangetoond. De rechtbank is van oordeel dat het afdragen van toeristenbelasting als maatstaf voor de beoordeling of sprake is van recreatieve verhuur als redelijk moet worden geacht. Het is immers een gemakkelijk te bewijzen en ook objectief te toetsen maatstaf. Ook bij een beroep op het overgangsrecht mag het college deze maatstaf toepassen. De verklaringen van vorige huurders voldoen niet aan deze maatstaf. Eiseres heeft met die verklaringen niet aannemelijk gemaakt dat zij de woning verhuurde als recreatiewoning vóór de inwerkingtreding van het huidige Bestemmingsplan in 2016. Daardoor is geen sprake van bestaand gebruik zoals bedoeld in artikel 19.2, onder a, van het Bestemmingsplan.
Het college heeft ook kunnen stellen dat eiseres niet in aanmerking komt voor een omgevingsvergunning zoals in het geval van het pand [adres 2] Het college heeft onweersproken gesteld dat voor dit adres wel toeristenbelasting werd betaald in 2014, maar dat [adres 2] door een fout in het huidige Bestemmingsplan was opgenomen als reguliere woning. Met de omgevingsvergunning heeft het college dit hersteld. Dit geval is dus niet gelijk aan dat van eiseres.
De rechtbank gaat niet mee in het betoog van eiseres dat de verklaringen voldoende zijn als alternatief voor toeristenbelasting. In het beroepschrift verwijst eiseres naar een citaat van de antwoordnotitie op het voorontwerp. Uit dit citaat volgt geen concrete wijze waarop recreatieve verhuur kan worden aangetoond zonder toeristenbelasting. Zoals hiervoor overwogen mocht het college de maatstaf van betaling van toeristenbelasting hanteren en de verklaringen van de huurders heeft zij kennelijk onvoldoende gevonden.
De omstandigheid dat eiseres forensenbelasting betaalt, maakt het voorgaande ook niet anders. Eiseres kan hiermee slechts aantonen dat zij haar hoofdverblijf niet heeft in de gemeente Schouwen-Duiveland en dat zij meer dan 90 dagen per jaar een gemeubileerde woning ter beschikking heeft. Hiermee kan niet worden bewezen dat de woning werd verhuurd als recreatiewoning.
Moest het college afzien van handhavend optreden?
10. Eiseres vindt dat haar belangen niet (voldoende) zijn meegewogen en vindt handhavend optreden niet evenredig. De uitstraling en belasting op de omgeving wordt namelijk niet anders door het verhuren als recreatiewoning. Huurders maken immers op dezelfde manier gebruik van de vakantiewoning als eiseres zelf. De negatieve effecten van toeristische verhuur zijn bovendien niet aan de orde want de omgeving is ingericht op recreatie en verhuur.
Eiseres verwijst als bijzondere omstandigheid om af te zien van handhavend optreden ook naar de parlementaire geschiedenis van de Wet toeristische verhuur (1 januari 2021). [8] Deze wet biedt betere instrumenten om de negatieve effecten van toeristische verhuur van woonruimten te bestrijden dan een last onder dwangsom.
11. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat het college de belangen deugdelijk heeft afgewogen en dat niet is gebleken van een bijzondere omstandigheid om af te zien van handhavend optreden.
Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal bij een overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevraagd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen als concreet zicht op legalisatie bestaat. Verder kan handhavend optreden onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, zodat van optreden in die concrete situatie moet worden afgezien.
In dit geval is niet gebleken dat handhavend optreden onevenredig zou zijn. Anders dan eiseres stelt, is de uitstraling en belasting van een recreatiewoning op de omgeving wel degelijk anders dan een gewone woning. In rechtsoverweging 7 heeft de rechtbank immers al overwogen dat de ruimtelijke uitstraling van een woning die meermaals aan wisselende personen verhuurd wordt, anders is dan die van een woning waar steeds hetzelfde huishouden verblijft. Het college heeft bovendien toegelicht dat de woning ligt in een woonwijk. Oorspronkelijk was sprake van meer recreatief gebruik in deze wijk, maar de gemeente heeft de bewuste keuze gemaakt om hiervan een normale woonwijk te maken met een aantal uitzonderingen. [9] De verwijzing naar (de parlementaire geschiedenis) van de Wet toeristische verhuur maakt dit ook niet anders. Net als voor de Huisvestingsverordening het geval was, ziet dit op een ander wettelijk kader en heeft deze wet een ander doel. Het college heeft naar oordeel van de rechtbank in redelijkheid mogen kiezen om handhavend op te treden op grond van het Bestemmingsplan.

Conclusie en gevolgen

12. Het college heeft in redelijkheid een last onder dwangsom kunnen opleggen aan eiseres. Het beroep is dus ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier op 17 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Art. 5:32
1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
2. Voor een last onder dwangsom wordt niet gekozen, indien het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen, zich daartegen verzet.
Gemeentewet
Art. 125
1. Het gemeentebestuur is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.
2. De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.
Invoeringswet Omgevingswet
Artikel 4.23. (bestuurlijk sanctiebesluit)
1. Als voor de inwerkingtreding van afdeling 18.1 van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, een overtreding is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en voor de inwerkingtreding van die afdeling een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft het oude recht op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop:
a. de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd,
b. de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen, of
c. als de beschikking gaat om de oplegging van een last onder dwangsom:
1°.de last volledig is uitgevoerd,
2°.de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of
3°.de last is opgeheven.
2. Afdeling 4.1 is in die gevallen niet van toepassing.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Art. 2.1, eerste lid, aanhef en onder c
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
Bestemmingsplan: ‘Nieuw-Haamstede’
1.55
permanente bewoning
bewoning van een ruimte als hoofdverblijf.
1.57
recreatiewoning
een gebouw, geen woonkeet en geen (sta)caravan of andere constructie op wielen zijnde, dat bestemd is voor recreatief nachtverblijf en waarbij de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben.
1.71
woning
een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.
Artikel 10 Wonen Pro
10.1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
het wonen in woningen;
ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoning': tevens voor recreatieve verhuur van een woning aan personen die hun hoofdverblijf elders hebben, waarbij het aantal slaapplaatsen ten behoeve van de recreatieve verhuur maximaal 10 per woning bedraagt;
hierbij horende ondergeschikte voorzieningen, zoals inritten, parkeervoorzieningen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen, speelvoorzieningen en tuinen.
Artikel 15 Algemene Pro gebruiksregels15.1 Verbod
Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te doen of laten gebruiken voor een doel of op een wijze, strijdig met de aan de grond gegeven bestemming(en).
Artikel 19 Overgangsrecht Pro
19.2
Overgangsrecht gebruik
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 19.2 onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
indien het gebruik, bedoeld in lid 19.2 onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
lid 19.2 onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Voetnoten

1.Artikel 10 van Pro het Bestemmingsplan.
2.ABRvS van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3582.
3.Artikel 10.1, aanhef en onder a, van het Bestemmingsplan.
4.Artikel 1.71 van het Bestemmingsplan.
5.Artikel 10.1, aanhef en onder b, van het Bestemmingsplan.
6.Artikel 1.57 van het Bestemmingsplan.
7.Artikel 19.2, onder a, c en d van het Bestemmingsplan.
8.Verwijzing naar:
9.Dit zijn de woningen met de functieaanduiding ‘recreatiewoning’.