Eiser maakte bezwaar tegen een last onder dwangsom die het college van burgemeester en wethouders van Altena oplegde vanwege het gebruik van een pand in strijd met het bestemmingsplan. Het pand werd gebruikt voor nevenactiviteiten zoals een schoonheidssalon, pedicure en kapper, wat volgens het college niet is toegestaan.
De rechtbank oordeelt dat het college het bestreden besluit terecht heeft gemotiveerd door te verwijzen naar het advies van de Vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften (Vcab). Er is geen concreet zicht op legalisatie omdat geen aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend en het college niet bereid was deze te verlenen.
Verder is de last onder dwangsom niet onevenredig, mede omdat het college een belangenafweging heeft gemaakt en een alternatieve locatie voor de derde-partijen heeft voorgesteld. Eiser erkende dat het overgangsrecht niet van toepassing is en het beroep op het vertrouwensbeginsel was onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskosten af. De uitspraak is gedaan op 20 maart 2026 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.